| 0511.42 |
|
|
|
0511.b |
|
Col: 0511.43
Date: Sun, 27 Nov 2005 01:33:17 +0100
Column Willem Kuiper, no. 66:
Tot de meest aangrijpende passages in De Joodse Oorlog van
(Flavius) Josephus - zie
http://www.neder-l.nl/bulletin/2005/10/051042.html - behoort zijn
beschrijving van de honger van de inwoners van Jeruzalem tijdens het
beleg van Titus in het jaar 70. Was er tijdens het beleg van
Jotapata een groot gebrek aan water - dat werd als het regende
opgevangen en opgeslagen in onderaardse kelders - in Jeruzalem
ontbrak het aan eten. Door de (burger)oorlog waren er veel meer
strijders binnen de muren dan de stad kon voeden. En zoals nog
altijd gebruikelijk werd ook toen en daar de schaarste niet eerlijk
verdeeld. Het Recht van de Sterkste en de Wet van de Jungle leidden
tot plundering van de zwakken en veroorzaakten een niet te
beschrijven ellende.
|
|
¶ Hoe die van Jherusalem van grooten honger bederven, ende van
der vrouwen die haer kint adt van grooten hongher.
Een luttel tijts hier nae was binnen Jherusalem soe grooten dieren tijt van spijsen, dat eenen appel seven bisanten vercocht wert, ende die lieden aten alle die beesten diese ghecrighen conden: honden, catten, ratten ende muisen. Ja dat noch meer is, si aten menschen dreck. Ende daer werdt groot ghe[D3v]ween ende gheroep in der stadt van ghebreken, want daer veel lieden van hongher storven, ja alle daghe wel hondert ende tsestich ten minsten. Ende men werpse in groote grachten buiten der stadt. Pilatus dit merckende dede uut roepen dat een iegelijck die spijse d'een den anderen namen die conden, d'welck si deden, want die vader naem't den kinde, 't kint den vader oft der moeder, soe langhe als'er spijse in der stadt was. Ende doe die spijse al ghegheten was, storvense met grooten hopen van hongher. Binnen die stadt van Jherusalem wo[o]nde op die tijt een weduwe, die eenen jonghen soone hadde, ende si en hadde gheen spijse als datse seer flau was. Ende bi cans doot zijnde van grooten hongher nam si haer kint, ende vierendeeldet, |

| en[D4r]de briet
dat een vierendeel aen eenen spit, om dat alsoe te
eeten. ¶ Hoe Pilatus van den [roost] dede
halen, dien hi gheroken hadde.
|
| De als Maria gedoopte koningin van Afrika
is na de dood van haar echtgenoot met een dienares naar Jeruzalem
geëmigreerd. Daar heeft zij zich bekeerd tot Jezus Christus. Op
een dag wordt hun huis geplunderd van alles wat eetbaar is.
Aanvankelijk houden zij zich in leven met (brand)netels uit de
moestuin, maar ook dat raakt op. Als gevolg hiervan kunnen de
koningin en haar dienares hun zuigelingen - de koningin heeft een
dochter, de dienares een zoon - niet in leven houden. De
koningsdochter sterft als eerste. De dienares stelt voor het kind
niet in een knekelput te gooien, maar op te eten. En als haar zoon
sterft, eten zij die ook op. De koningin weigert in alle standen,
maar dan verschijnt er een engel Gods die haar gelast aan dit
voorstel gehoor te geven, omdat het zo voorspeld is en dús
moet uitkomen. De koningin gehoorzaamt, waarop haar dienares het
kind meeneemt naar de keuken en een kwart ervan bereidt. De koningin
kan amper een hap door haar keel krijgen en valt voortdurend flauw
tijdens het eten. De dienares kan er beter tegen...
Terwijl het kind gebraden wordt, loopt Pylatus door de stad, en krijgt de lucht in zijn neus. Hij stuurt zijn mannen op de geur af en eist een deel van de BBQ. De moeder geeft driekwart van haar 'rauwe' kind aan de verbijsterde soldaten en zegt dat Pylatus het zelf maar moet klaarmaken en op smaak brengen. Als Pylatus beseft wat er op zijn bord ligt, wordt hij door walging bevangen en moet hij drie dagen het bed houden. |
| Een vrouw van de overzijde van de Jordaan - ze heette Maria en was een dochter van Eleazar - was met een groot aantal anderen naar Jeruzalem gevlucht, waar ze vervolgens in het beleg verzeild was geraakt. Ze kwam uit het dorp Bethezuba (dat betekent: Huis van Hyssop). Ze stond bekend als een rijke vrouw uit een goede familie. Al haar bezittingen die ze op haar vlucht uit Perea had meegenomen naar de stad, hadden de terroristenleiders haar afgepakt. Wat ze nog overhad aan kleine kostbaarheden alsmede alles wat ze aan voedsel had kunnen inslaan, was haar door hun trawanten op hun dagelijkse plundertochten ontstolen. Grote verbittering maakte zich van haar meester. Ze schold de plunderaars de huid vol en vloekte hen geweldig uit. Ze probeerde hen bewust te provoceren en zó woedend te maken dat ze haar zouden doden. Dat lukte haar echter niet, en er was ook niemand die haar uit medelijden wilde doden. Ze had er genoeg van om nog langer voor anderen op zoek te gaan naar eten - er was toch nergens meer iets te vinden. De honger tastte haar ingewanden en haar ruggemerg aan, maar erger nog dan de honger was haar allesverterende waanzinnige woede. In haar waanzin en haar vertwijfeling vergreep zij zich aan de natuur. Ze had een baby, die nog aan de borst was. Ze greep het kind vast en zei: "Rampzalig kind, waarvoor zal ik je nog langer in leven houden? Het is oorlog, er is hongersnood, onze eigen mensen staan elkaar naar het leven. Als we het uithouden totdat de Romeinen komen, wacht ons de slavernij, en zolang ze er nog niet zijn, is er de honger. En de opstandelingen zijn nog erger. Kom, geef jij mij maar eens iets te eten. De opstandelingen zullen ervoor gestraft worden, de mensen hebben er een mooi verhaal aan, het is het enige dat nog aan de ellende van de joden ontbreekt." Ze sloeg haar zoontje dood, deed het kind in de pan en at de helft op. De andere helft dekte ze af en bewaarde ze. Onmiddellijk kwamen de opstandelingen er aan. Ze waren op de misdadige geur afgekomen en dreigden haar ter plekke te doden als ze niet op de proppen kwam met wat ze bereid had. Ze antwoordde dat ze een mooi stukje voor hen bewaard had en liet hun de restanten van haar kind zien. Toen de mannen dat zagen, bleven ze vol afgrijzen en ontzetting als aan de grond genageld staan. "Het is mijn eigen kind," zei ze, "en ik heb het zelf klaargemaakt. Eet er maar van, zelf heb ik al gegeten. Je hoeft je toch niet nog slapper te gedragen dan een vrouw? Medelijden hoef je ook niet te hebben. Dat heeft zijn moeder ook niet. Maar als jullie zo vroom zijn en niet willen accepteren wat ik je aanbied, laten we het er dan op houden dat ik jullie portie al op heb en dat het restant dus van mij is." Daarop gingen de mannen sidderend de deur uit. Dat was iets waartoe ze niet de moed hadden, en het was ook het enige waarvoor ze terugschrokken, al kostte het hun nog moeite genoeg dat voedsel aan de moeder te laten. De gruweldaad werd ogenblikkelijk overal in de stad bekend. Iedereen huiverde bij de gedachte dat hij het zelf gedaan zou kunnen hebben. De hongerenden wilden alleen nog maar dood. Ze prezen iedereen gelukkig die al gestorven was zonder ooit iets van al deze ellende gehoord en gezien te hebben. |
Hoewel de middeleeuwers geen greintje medelijden voelden voor de
Joden in Jeruzalem hadden zij dat kennelijk wel met de moeder en
haar kind. Bij Josephus dóódt de moeder haar kind, in
de Vengeance sterft het kind de hongerdood, waarna de moeder
niet goed weet wat met het dode kind te doen. Haar dienares stelt
dan voor om het kind dan maar op te eten, en als haar zoon doodgaat
ook hem op te eten. Natuurlijk weigert de koningin - in haar edele
inborst is geen plaats voor kannibalistisch opportunisme - maar als
een engel haar dit beveelt, gehoorzaamt zij alsnog aan de wil van
God, want het was immers voorspeld.
Bij Josephus is er geen sprake van de
uitkomst van een voorspelling: eens zal de/een moeder haar kind
opeten. Zijn horrorstory lijkt een demonstratie van waartoe razernij
de mens kan brengen. Woede - blinde woede - is een levensgevaarlijke
emotie, die alle grenzen overschrijdt. De middeleeuwse mens was
hiermee vertrouwd. In de Roman de la Rose worden 'woede' en
'nijd' als levensbedreigend geportretteerd, waarbij expliciet
vermeld wordt dat woede zelfs bloedverwanten niet spaart. De
woedende moeie (tante) van Mariken van Nieumeghen is - net als de
moeder van Josephus - een vrouw die door haar woede 'des duivels',
en dus tot alles in staat is. Marikens tante weigert haar nichtje
een veilige overnachting en maakt haar zodoende een potentieel
slachtoffer van een geweldsdelict. De moeder van Josephus gaat nog
verder en slaat de hand aan haar kind.
Het voorval komt ook de Romeinen ter
ore. Volgens Josephus reageerden zij als volgt:
| Het duurde niet lang of ook de Romeinen hoorden het bericht van deze tragedie. Sommigen weigerden het te geloven, anderen hadden medelijden, maar de meesten gingen er de Joden nóg meer door haten. Caesar wees ook voor deze daad alle verantwoordelijkheid tegenover God van de hand. Hij bezwoer dat hij de Joden vrede en zelfbeschikking had aangeboden en dat hij zich bereid had verklaard hun amnestie te verlenen voor al hun misdaden. Zij waren het geweest, die hadden gekozen voor conflict in plaats van consensus, voor oorlog in plaats van vrede, voor honger en gebrek in plaats van overvloed en welvaart. Zij waren ermee begonnen eigenhandig de Tempel in brand te steken. Wij hadden die voor hen willen beschermen. Zij waren er nu ook verantwoordelijk voor dat men zich op die manier van eten voorzag. Maar hij zou ervoor zorgen dat deze misdaad tegen de mensheid, waarvan een kind nu het slachtoffer was geworden, onder het puin van de stad toegedekt zou worden en dat de zon niet langer op de aarde zou hoeven neer te kijken naar een stad waar moeders zich op zo'n manier voedden. Meer dan bij de moeders paste zoiets bij de vaders. Die waren immers ondanks al die ellende gewoon blijven doorvechten. Terwijl hij dat alles zo de revue liet passeren, realiseerde hij zich dat hij te maken had met mannen die volstrekt vertwijfeld waren. Ze zouden voor geen enkele vorm van redelijkheid meer vatbaar zijn. Ze hadden alle leed al meegemaakt. Het was daarom niet te verwachten dat ze hierna nog van gedachten zouden veranderen. |
Ten tijde van het beleg van Jeruzalem was de overgrote meerderheid
van de Joden niet alleen overtuigd van de (spoedige) komst van de
Messias - vandaar dat zij doorvochten - maar ook de Apokalyps, het
einde der tijden, was het gesprek van de dag. De val van de heilige
stad en de verwoesting van de Tempel moet voor veel gelovige Joden
een zeker teken geweest zijn dat het einde der tijden nabij was.
Daarover waren in het verleden door profeten uitspraken gedaan. Het
ultieme zou gebeuren als het onmogelijke zou plaatsvinden: de
Messias zou opstaan als een maagd een kind zou baren, en het einde
der tijden zou daar zijn als de moeder haar kind zou opeten.
De moeder die haar kind doodt en opeet
is geen bedenksel van Josephus, maar ontleend aan het
Oudtestamentische Bijbelboek Lamentationes, de klaagzangen op
een eerdere ondergang van Jeruzalem - die van 587 v.C. door
Nebukadnezar - gedurende de Middeleeuwen aan Jeremias toegeschreven.
In de woorden van de Middelnederlandse Bijbelvertaler van 1360:
| "Hier volget Jeremias' geween, dat
men heet Trenos, dat hi hadde op die destructie van
Jherusalem, mit viere abceën.
- Joth. Der ontfermhertiger wive hande soden [kookten] haer kijnder, si worden haer spise in der bedroeftheit der dochter mijns volcs. [Vulgaat - 4:10 IOTH manus mulierum misericordium coxerunt filios suos facti sunt cibus earum in contritione filiae populi mei] |
| Zij waren er nu ook verantwoordelijk voor dat men zich op die manier van eten voorzag. Maar hij zou ervoor zorgen dat deze misdaad tegen de mensheid, waarvan een kind nu het slachtoffer was geworden, onder het puin van de stad toegedekt zou worden en dat de zon niet langer op de aarde zou hoeven neer te kijken naar een stad waar moeders zich op zo'n manier voedden. |
Literatuur: