0512.42 Terug
Vooruit 0512.b

Col: 0512.43

Date: Fri, 30 Dec 2005 14:37:47 +0100
From: Willem Kuiper <wkuiper@xs4all.nl>
Subject: Col: 0512.43: Column Willem Kuiper, no. 67: Jacob en Leobius

Column Willem Kuiper, no. 67:
Jacob en Leobius

In een vorige column heb ik u verteld dat er twee verschillende teksten zijn met dezelfde titel Die Destructie van Jherusalem. De oudste werd door Geraert Leeu nog te Gouda gedrukt in het jaar 1482. Volgens het colophon is de tekst in 1361 uit het Latijn vertaald:
      Nu heb's danc Jhesus Cristus, ende Maria, sine ghebenedide moeder, die mi soe langhe ghespaert heeft, dat ic't tot enen eynde ghebrocht hebbe: dye historie ende 't werc van der Bybelen ende van den Joden yesten, die't beghin ende een figuer waren van den kersten volc, t'hent die Joden haren naem verloren ende haer hulde mit Gode, ende dat die heylighe kerck te wassen ende voertganc begonde te hebben bi den heylighen apostolen predicacie, dit werc eynde uten Latijn in Duutsch te maken, in't jaer Ons Heren, doe men screef MCCC ende LXI [1361], op sinte Jan Baptisten avont [24 juni], als alle kersten luden in blijscappen ende in vroechden pleghen te wesen in der eren sijnre gheboorten. Ende van den beghinne van der werelt tot desen daghe toe waren leden V dusent VI hondert ende VIIJ [5608] jaer ende neghen maent. God si gheloeft. AMEN!
Binnen de Neerlandistiek lijkt er een communis opinio te bestaan dat deze proza-Destructie van Jherusalem in wezen niets anders is dan een ontrijmde versie van Jacob van Merlants Wrake van Jherusalem. Wie dat het eerst heeft opgemerkt, weet ik nog niet, maar het kan Luc. Debaene geweest zijn, de auteur van het standaardwerk De Nederlandse volksboeken. Knuvelder neemt dit oordeel over, verwijst echter niet naar Debaene, maar naar een artikel van J. de Baets OP, dat ik hoog op mijn leeslijstje heb staan. Mijns inziens getuigt Knuvelders typering "niet veel meer dan een bewerking in proza" van onderschatting van de grote waarde van deze Leeu-druk. Ik ben dus heel benieuwd of hij hier zelf opgekomen is of dat hij hierin de dominicaan De Baets volgt...
    De enige die het bij mijn weten oneens is met het vaderschap van Jacob is onze oosterbuur Wolfgang Bunte, die zich intensief heeft beziggehouden met het thema Joden in relatie tot de Nederlandse literatuur van de Middeleeuwen tot en met Vondel:
      Meines Erachtens ist das vorliegende Werk eine durchaus selbständige Arbeit von eigenem Rang. Sie könnte möglicherweise so zustandegekommen sein: Neben dem Werk Maerlants hatte der Autor auch eine lateinische Übersetzung zur Hand und konnte seinen (Übertragungs-)Text mit ihrer Hilfe kontrollieren. So kann also in einem gewissen Sinn als wahr gelten (und braucht nicht als Prahlerei ausgelegt zu werden), dass der Autor "aus dem Lateinischen" übersetzt habe. Er folgt also dem Maerlant'schen Text sozusagen kritisch mit der lateinischen Übersetzung in der Hand.
Bunte echter is geen historisch-letterkundige maar een theoloog. Misschien dat hij daarom gelooft wat er gedrukt staat... Een filoloog - en zeker iemand die is opgeleid in de geest van Hellinga - gelooft niet zonder meer in wát er staat, maar vraagt zich af: Wáárom staat er wat er staat? Het gaat er niet zo zeer om wat de auteur zegt als wel wat de auteur wil zeggen. Moeten wij, met andere woorden, de mededeling "uten Latijn" letterlijk nemen of figuurlijk?
    Inmiddels heb ikzelf ruim 5000 regels van de ca. 7700 regels van de Wrake van Jherusalem woord-voor-woord vergeleken met de Destructie van Jherusalem, en ik kan tot geen andere conclusie komen dan dat de verantwoording "uten Latijn" niet letterlijk genomen mag worden. De man die dit schreef, bedoelde te zeggen dat de bron van Jacob geen volkstalige - lees: Franse, en dus onware - was, maar een Latijnse, en dus waarachtige! Het is een waarheidstopos.

Bij vergelijking van de Vorsterman-Destructie van Jherusalem met de Oudfranse Vengeance de Nostre-Seigneur viel mij op dat het laatste hoofdstuk van de Destructie niet ontleend is aan de brontekst. Vorsterman heeft het zonder bronvermelding overgenomen uit de Destructie van Geraert Leeu. Daarin vinden wij namelijk exact dezelfde tekst terug als het begin van hoofdstuk 67:

      ¶ Hoe lang Jherusalem ghestaen hadde ¶ Cap lxvi[j]
 
JHerusalem wort aldus ghewonnen opten achten dach van speelmaent, daer nu Onser Vrouwen dach Nativitas [8 september] op is. Ende hier voer was Jherusalem noch vijf werven ghewonnen, want na dat die Joden Jherusalem gesticht hadden, dat Nabugodonosor destrueerde, so wan't Asotos, die coninc van Egipten. Ende daer na Anthiochus Epiphanes. Daer nae quam Pompeyus van Romen, ende wan't oec. Daer nae Herodes met den heer van Romen. Mer alder eerst wan't Nabugodonosor, die coninc van Babilonien, ende destrueerd'et doe't ghestaen hadde MCCCC ende XL [1440] jaer VIIJ maende ende VI daghen. Melschisedech, die Goods pape was, die stichte eerst Jherusalem, mer die Chananeen drev'en daer uut. Hier na quam een coninc die Leobius hiet, ende vermaecte dit Jherusalem datt'er Joden principael stat was. Ende na dien datse Leobius stichte over IIIJ hondert ende LXXX [480] jaer, so destrueerdse Nabugodonosor. Ende van Leobius tiden tot datse Tytus destrueerde, waren gheleden M ende LXIJ [1062] jaer. Ende van Jherusal[em] eerst gemaect was tot datse Titus ende die Romeynen dus altemael destrueerden, waren gheleden IIIJ dusent ende LXXIJ [4072] jaer. Dus wort Jherusalem al ghedestrueert om't grote bloet datt'er uutghestort wort van den heylighen. Want daer mede hadden si dat verdient. [...]
Vergelijken we dit met wat Jacob in Die Wrake van Jherusalem schreef - ik bespaar u het citaat, het is 'onleesbaar' - dan blijkt dit zo'n beetje woordelijk overeen te stemmen. Zal wel toeval zijn... Omdat Die Destructie van Jherusalem van Willem Vorsterman beschouwd kan worden als epiek in de ruimere zin van het woord, heb ik van deze tekst de afgelopen weken een werkeditie gemaakt, en op basis daarvan een index op de eigennamen voor het REMLT. Daarbij stuitte ik op een paar curieuze gevallen, het meest curieuze in bovenstaand citaat.

In bovenstaande opsomming van veroveraars van Jherusalem staat een naam die u tevergeefs zult zoeken in enig naslagwerk: die van de Joodse koning Leobius.
    In zijn editie van de Rymbybel (1858-1859) editeert kanunnik David Leobeus en annoteert dat hier de verovering van Jherusalem door koning David bedoeld wordt, zoals beschreven in II Samuel 5, en hij verwijst daarbij naar Josephus. Dat David voor Leobeus koos en niet voor Leobius komt door zijn (foutieve) keuze voor het zogeheten handschrift B (Berlijn) als beste handschrift. In een voetnoot vermeldt hij de alternatieve spellingen Leobius (handschrift C) en Leobus (handschrift D). Handschrift C - Brussel KB, Hs. 15001, diplomatisch uitgegeven door M. Gysseling in het literaire Corpus Gysseling - staat mijns inziens het dichtst bij het verloren gegane archetype, het begin van de handschriftelijke overlevering: Handschrift C is een buitenbeentje, met hele rare verschrijvingen, maar doorgaans foutloos in het spellen van de eigennamen, wat nogal bijzonder is. Als Middelnederlandse kopiisten ergens moeite mee hadden dan waren dat de namen van mensen, steden en landen die zij niet kenden.
    Of Leobius destijds een bekende naam was, durf ik niet te zeggen, maar dat deze spelling niet alleen in het dertiende-eeuwse handschrift C voorkomt, maar ook in beide proza-Destructies, kan geen toeval zijn.
    Dat Leobius inderdaad de juiste spelling is, bleek uit welgeteld twee Google hits. De ene Leobius was een hedendaagse persoonsnaam, de andere Leobius kwam voor in een brief van de Duitse Humanist Heinrich Bebel (1472/73-1518) in een passage over de betekenis van de naam Jeruzalem.

Dat koning Leobius fout is en dat koning David bedoeld wordt, bewijst kanunnik David met een Latijns citaat uit Flavius Josephus. Hij wordt hierin gevolgd door Petra Berendrecht, die in haar proefschrift - een boek dat ik koester - over de omgang van Jacob met zijn Latijnse bronnen deze casus bespreekt:

      Met deze koning is David bedoeld; zal Maerlant dat beseft hebben? Als hij wist dat Leobius en David een en dezelfde persoon zijn, is het vreemd dat hij niet (ook) de naam David noemt, al was het alleen maar ter verduidelijking voor zijn publiek. Het vermoeden rijst dat Maerlant niet wist wie met Leobius bedoeld werd.
Jacob en iets niet weten...
    Kanunnik David meende te weten waar Jacob de naam Leobius gevonden had: in een additio (aanvulling) op hoofdstuk 46 'De victoria Abrae, et occursu Melchisedech' van Petrus Comestors Historia scholastica, dat handelt over het Bijbelboek Genesis:
      Josephus in fine libri sui ait: ®Potentissimus Chananaeorum, qui lingua patria justus rex appellatus est, primus Deo sacerdotium, vel sacrificium exhibuit, et fanum aedificavit, et urbem quam Jerosolymam dixit. Cum autem Solyma vocaretur, Chananaeis post ea expulsis primus Judaeorum in ea Leobius, vel Theobitus regnavit.¯
 
Josephus zegt aan het einde van zijn boek: "De machtigste van de Chanaänieten, die in de taal van zijn vaderland 'de rechtvaardige koning' genoemd wordt, was de eerste van de priesters voor God, die een offer bracht en een tempel bouwde, en die de stad Jerusalem noemde. Toen zij nog Salem heette, heerste in haar Leobius alias Theobitus als eerste/voornaamste der Joden, nadat hij de Chanaänieten eruit verdreven had." [mijn vertaling, WK]
Zou Jacob zo eigenzinnig geweest zijn om de naam van de grote koning David te vervangen door die van de onbekende koning Leobius alias Theobitus? Bijvoorbeeld om zijn grondige kennis van Comestor te etaleren, opgedaan tijdens zijn vertaling/bewerking van de Historia scholastica, de tekst die voorafgaat aan de Wrake van Jherusalem en die verkeerdelijk de Rijmbijbel genoemd wordt.

In de moderne vertaling van Meijer en Van Wes van De Joodse Oorlog staat deze passage aan het einde van boek VI (van de VII), hoofstuk 10:

      [438] Ze [Jeruzalem] was oorspronkelijk gesticht door een Kanaänitische hoofdman, die in zijn moedertaal een naam had die vertaald kan worden met 'Rechtvaardige Koning' [=Melchizedek, koning van Salem (Genesis XIV, 18)]. Dat was hij ook inderdaad. Daarom was hij ook de eerste geweest die als priester voor God was opgetreden. Hij had ook de eerste Tempel gebouwd. Hij had de naam van de stad - vóórdien Solyma - veranderd in 'het Heilige Solyma', Hiërosolyma, Jeruzalem. [439] Het volk van de Kanaänieten was later verdreven door David, de koning van de Joden. Hij had er zijn eigen volk gevestigd.
Maar Comestor schreef "in fine libri sui" d.i. aan het einde van zijn boek, waarmee hij niet het einde van boek VI bedoelde, maar boek VII.
    Kanunnik David heeft voor de Historia scholastica gebruik gemaakt van een druk uit 1513 (Parijs, Joannes Frelon) en "waer 't noodig was, met de nauwkeuriger uitgave van Basel, 1486." Voor De Joodse Oorlog echter gebruikte hij "de groote editie van Havercamp, met den griekschen tekst en de latynsche vertaling van Hudson, by Wetstein, enz. 1726, twee Deelen in-folio." De aap uit de mouw! Kanunnik David gebruikte geen middeleeuws Latijnse vertaling zoals Jacob die onder ogen had, maar een 'moderne' Latijnse vertaling. Waarom raadpleegde hij geen middeleeuwse druk met een 'oude' vertaling?!

De Joodse Oorlog van Josephus werd gedurende de Oudheid twee keer vanuit het Grieks in het Latijn vertaald. De oudste vertaling - vervaardigd vóór Boëtius (ca. 480-ca. 525) - staat op naam van pseudo-Hegesippus en is sterk ingekort. De jongste vertaling - ná Boëtius en mogelijk uit de kring van Cassiodorus (ca. 490-ca. 585) - wordt toegeschreven aan (pseudo-)Ruffinus van Aquileia en is (voor zo ver mij bekend) integraal. Van de eerste vertaling bestaat slechts een krammenakkige editie (Marburg 1864), van de tweede in het geheel géén. Onbegrijpelijk dat van de Latijnse vertaling van zo'n belangrijke tekst, die beeldvormend geweest is voor de tien erop volgende eeuwen, geen moderne editie bestaat!
    Op de website van de Bibliothèque National de France kun je onder Gallica allerlei belangrijke teksten in facsimile vinden. De kwaliteit laat te wensen over - het zijn slechts digitale fotokopieën zonder OCR - maar de tekst is leesbaar en afdrukbaar. Aldaar kan men een exemplaar van De bello iudaeico downloaden gedrukt door Albertinus Vercellensis (Venetië, 1499). Niet aan het slot van het zesde boek, maar ergens in het zevende en laatste boek - op CCLIII recto van de CCLX bladen - lezen wij:

      Primus autem conditor eius fuerat chananeorum potentissimus qui patria lingua iustus appellatus est rex. Erat quippe talis ideoque sacerdotum deo primus exhibuit et phano primum aedificato hyerosolimam ciuitatem uocauit cum ante solyma uocaretur chananeorum quidem populo rex iudaeorum leobius pulso colendam suo tradidit: et cccclxiiii anno post ac mensibus tribus a babyloniis euersa est. a rege autem leobio qui primus iudaeus in ea regnavit usque ad id quod Titus fecit excidium anni .mille. clxxiiii.
Jacob heeft zich dus niet vergist, hij heeft zijn bron getrouw gevolgd toen hij vertaalde:
      Dar na dreef vd die chananeen,
      van der iueden coninghe een,
      hiet leobius, ende maecte dat
7105     der iueden principale stad.
Vraag blijft: wie heeft ooit op basis van wat deze Leobius vel Theobitus bedacht?


[Dit nummer][Archieven Kuiper]