0601.27 Terug
Vooruit 0601.b

Col: 0601.28

Date: Mon, 30 Jan 2006 00:39:01 +0100
From: Willem Kuiper <wkuiper@xs4all.nl>
Subject: Col: 0601.28: Column Willem Kuiper, no. 68: Overspel wordt hier niet op prijs gesteld

Column Willem Kuiper, no. 68:
Overspel wordt hier niet op prijs gesteld

Nu het Repertorium van Eigennamen in Middelnederlandse Literaire Teksten - althans voor wat betreft de epiek, waar het oorspronkelijk allemaal om te doen was - zijn voltooiing nadert, houd ik mij in daluren bezig met het afhechten van losse eindjes. In beginsel zijn alle Middelnederlandse epische teksten niet alleen geëxcerpeerd, maar ook vergeleken met de (Oudfranse) bronteksten, voor zover aanwezig of overgeleverd. Dat daarbij verschillen aan het licht komen die je (bijna) niet voor mogelijk houdt, bleek bijvoorbeeld uit de fragmenten van Jourdein van Blavies. Alleen de eigennamen van de hoofdpersonen en een deel van de loop van het verhaal werden in tact gelaten. De ruimte die zo vrijkwam, werd opgevuld met eigennamen en verhaalstof die de 'vertaler' mogelijk in boekvorm bezat, maar waarschijnlijker uit zijn herinnering putte.
    Een andere haast onherkenbaar veranderde bewerking van een Oudfranse tekst is Die borchgrave van Couchi, door zijn onbekendheid - ook geen lemma in Van Aiol tot de Zwaanridder - wel eens verward met Die borchgravinne van Vergi. Het Oudfranse origineel speelt zich af in het laatste kwart van de twaalfde eeuw, maar zal - naar men aanneemt - ontstaan zijn in de beginjaren van de regering van de Franse koning Philip le Bel (1285-1314). Over de identiteit van de auteur Jakemés is niet veel meer bekend dan dat hij uit Picardië kwam. En dat wilde hij weten ook! Jakemés situeert zijn roman in de geografische realiteit van Noord-Frankrijk en creëerde zo een feest der herkenning. Dat effect werd versterkt door het introduceren van contemporaine familienamen, zoals dat later ook gedaan werd door de auteur van De Grimbergse Oorlog. Het adellijke publiek hoorde zichzelf voortdurend noemen en zal dat zeer gewaardeerd hebben.
    In zijn roman incorporeerde Jakemés een aantal hoofse liederen die gecomponeerd zouden zijn door de hoofdpersoon van de roman, de Châtelain de Couchy. Natuurlijk is dit epische concentratie, maar wat doet dat ertoe? Het verhaal zelf - een uitwerking van het motief le coeur mangé - lijkt evenals de thematiek van de liederen afkomstig uit Occitanië:

      Een arme en dus ongehuwde, maar knappe en zeer getalenteerde ridder, Renaud geheten - hier châtelain (kasteelheer) van Couchy - is de ster van de toernooien die met grote regelmaat gehouden worden in de regio rond Saint-Quentin in Vermendois. Hoeveel toekijkende dames op de eretribune verliefd op hem zijn, vertelt het verhaal niet, maar onder hen bevindt zich de vrouwe van Vermendois, de zuster van de heer van Fayel. Het toeval wil dat de ridder verliefd is op de vrouwe van Fayel, die zich daarvan absoluut niet bewust is. Als de ridder zijn liefde niet langer voor zich kan houden zonder eraan te sterven, zoekt hij de vrouwe van Fayel op en bekent haar zijn liefde. Dat dit gesprek kan plaatsvinden komt omdat de heer van Fayel er geen ridderlijke leefwijze op na houdt. De man is constant in rechtszaken verwikkeld, zowel voor zichzelf als voor familieleden, en is daardoor vaak van huis. Natuurlijk weigert de vrouwe van Fayel in te gaan op de liefdesverklaring van de ridder. Aanvankelijk omdat zij de monogamie zelve is, maar daarna omdat zij bezorgd is voor haar reputatie... Kan zij deze ridder wel vertrouwen? Is zijn liefde oprecht?! Nadat zij de ridder heeft blootgesteld aan beproevingen en vernederingen die een niet door de ware liefde geïnspireerde ridder nooit zou hebben kunnen verdragen, bezwijkt ook zij voor de macht van de God van de Liefde.
    Hoewel de ridder en de dame van Fayel er alles aan doen om hun liefde geheim te houden verraadt de ridder zich in gezelschap met zijn ogen. De dame van Vermendois volgt zijn blik en ziet dat haar schoonzus, de dame van Fayel, de vrouw is die het hart van de ridder gestolen heeft. Zij geeft een dienaar de opdracht de ridder als een teek op de huid te zitten om er zo achter te komen hoe, waar en wanneer zij elkaar ontmoeten. Deze opzet slaagt. Als de ridder weer eens een nachtelijke visite brengt, wordt hij opgewacht door de gewaarschuwde heer van Fayel, die zogenaamd weg was maar in het geniep was teruggekeerd. Isabelle, de vertrouwelinge van de vrouwe van Fayel, die de ridder binnen wilde laten offert zich op door te beweren dat de ridder haar geliefde is. De heer van Fayel gelooft dit niet, maar kan niet bewijzen dat de ridder voor zijn echtgenote kwam.
    Vanaf dat moment is de sfeer in huize Fayel te snijden. De heer van Fayel weet dat hij door zijn echtgenote bedrogen wordt, maar zij geeft geen krimp, ontkent alles en verdraagt zijn jaloezie als een tweede Griseldis. Ondertussen gaan zowel de ridder als de vrouwe van Fayel door met hun liefdesrelatie en slagen zij erin door list en bedrog elkaar te blijven ontmoeten.
    Dan bedenkt de heer van Fayel een lumineus plan. Hij kondigt aan op kruistocht te gaan en wil dat zijn vrouw hem vergezelt. De ridder besluit op haar verzoek dan ook het kruis aan te nemen. Dankzij een optreden op een toernooi in Engeland krijgt hij een invitatie om Richart Coeur de Lion te vergezellen op diens gewapende pelgrimage naar het Heilig Land. Zodra de heer van Fayel daar weet van krijgt, meldt hij zich ziek en verklaart hij zich bereid zijn afwezigheid financieel te compenseren. Hij komt ermee weg.
    De ridder vecht twee jaar in het Heilig Land de sterren van de Hemel totdat hij door een giftige pijl geveld wordt. Hij laat zich terugvaren maar sterft in Brindisi. Voordat hij zijn laatste adem uitblaast, laat hij een afscheidsbrief schrijven, en geeft hij opdracht om direct na zijn dood zijn hart uit zijn borst te laten halen en dat samen met die brief naar de vrouwe van Fayel te brengen.
    De heer van Fayel onderschept de bode en dwingt hem opening van zaken te geven. Daarna brengt hij het hart van de ridder naar de keuken en geeft opdracht dit zo smakelijk mogelijk te bereiden en aan zijn echtgenote voor te zetten. Als de vrouwe van Fayel enthousiast reageert op de culinaire traktatie die haar is opgediend, vertelt haar echtgenoot wat zij gegeten heeft. Als hij ten bewijze de begeleidende brief voorleest, trekt zij zich terug in haar eigen vertrek en sterft daar van verdriet.
    De heer van Fayel gaat uit vrees voor wraak van de machtige(r) familie van zijn echtgenote twee jaar lang op pelgrimage naar het Land van Overzee. Eenmaal terug koopt hij het ongenoegen van zijn schoonfamilie af en leefde nog kort en ongelukkig.
Vermoedelijk in de loop van de vijftiende eeuw werd dit tragische verhaal ontrijmd. Daarbij verdwenen de liederen en veel streekgebonden persoons- en plaatsnamen. Alle aandacht gaat uit naar de essentie van de roman: de liefde tussen de châtelain van Couchy en de vrouwe van Fayel. Deze prozaroman bleef bewaard in een papieren handschrift uit de jaren '60 van de vijftiende eeuw, dat verlucht werd door Jean de Wavrin, de Mozart onder de vijftiende-eeuwse miniatuurschilders.

Als je de fragmenten van de Middelnederlandse bewerking vergelijkt met het origineel dan blijkt dat het met deze bewerking nog beroerder gesteld is dan met bovengenoemde Jourdein van Blavies. Die leek tenminste nog op het origineel. Die borchgrave van Couchi heeft zelfs de naam van de hoofdpersoon niet meer gemeen met de brontekst! Renaud c.q. Regnauld is veranderd in Dominicus. Bepaald geen naam voor een ridder. De anonieme vrouwe van Fayel heet 'bij ons' Beatrijs. Ook speelt de Middelnederlandse tekst zich af tijdens de regering van Lodewijk de Vrome en Karel de Kale, dus rond het midden van de negende eeuw. Vervelend is dat wij dankzij de Franse Couchy wél weten wat hij weggelaten heeft, maar door de fragmentarische Middelnederlandse overlevering niet weten wat hij heeft toegevoegd... Dat laatste is eigenlijk veel belangrijker, want dat geeft ons inzicht in zijn literaire horizon, zijn intentie en werkwijze.

Hoe bestaat het dat een - ook hier te lande - zo bekend verhaal als de Châtelain de Couchy zo gemutileerd kon worden terwijl de vergelijkbare Châtelaine de Vergi zowel getrouw vertaald (fragment Gent) als getrouw bewerkt (handschrift van Hulthem) werd? Ik kan geen andere verklaring bedenken dan dat de buitenechtelijke verhouding van de châtelaine zo onderbelicht blijft dat men zich - ook in de vakliteratuur - heeft afgevraagd of zij nu wel of niet gehuwd is? Natuurlijk is zij gehuwd! Om te beginnen kan een ongehuwde vrouw moeilijk een châtelaine genoemd worden, want strikt genomen betekent dat: echtgenote van een châtelain. Een ongehuwde vrouw wordt aangeduid met joncvrouwe. Maar er is nóg een bezwaar tegen een ongehuwde status van de châtelaine: zij zou volgens de liefdestheorie van die dagen nooit in staat geweest zijn tot een dergelijke liefdesrelatie als zij niet gehuwd was. Het huwelijk heeft van haar een femme mal mariée gemaakt. Geen ongelukkig gehuwde vrouw omdat haar huwelijk slecht was, maar ongelukkig omdat zij gehuwd was.

Gedurende de Middeleeuwen was een huwelijk meer uitzondering dan regel. Alleen die families die behoefte hadden aan een wettige erfgenaam om de dynastie voort te zetten huwden een zoon of dochter uit. Met eros en agape, liefde of vrije partnerkeuze had dit alles niets te maken. Het was een puur feodaal contract tussen twee families met als zakelijk oogmerk het overdragen van grond en dus macht aan nazaten.
    Deze aristocratische huwelijkspolitiek kende naast winnaars ook verliezers. Men kon als zoon nog zo competent zijn, zonder familiekapitaal was men kansloos. Hetzelfde gold voor dochters. Zonder bruidsschat waren zij gedoemd ongehuwd te blijven. Maar gehuwd waren zij gedoemd tot curatele. Haar baarmoeder werd streng bewaakt! Deze niet eenzame opsluiting werd van tijd tot tijd opgeschort voor het bijwonen van feesten. Zoals nu tennissers de wereld rondreizen om in grand slams geld en roem te vergaren, zo was er toen een rondreizend circus van aristocratische jonge mannen dat in toernooien naam en faam wenste te maken, om zo de sprong naar de maatschappelijke elite der gehuwden te kunnen maken. Deze toernooien werden druk bezocht door aristocratische vrouwen, gehuwd en ongehuwd, die hun voorkeur voor een van de deelnemers konden laten blijken door het schenken van een kledingstuk dat de ridder aan zijn lans, helm of schouder kon bevestigen. Dan kon iedereen zien: deze ridder strijd voor de eer van een vrouw! Wie die vrouw was, was geheim... Tenzij de vrouw het zich kon veroorloven de monde te laten weten welke ridder haar favoriet was door het en plein public accepteren van een geschenk als bijvoorbeeld een door haar ridder buitgemaakt paard.
    De châtelain van Couchy behoorde tot de absolute toernooi-top en kon zich zodoende koesteren in de aandacht van tal van adellijke vrouwen die zich voldoende verveelden om zich af te vragen of die ridder in bed net zo goed was als op het toernooiveld. Uit niets blijkt dat hij relaties met één of meer van dit soort fans onderhield. Integendeel, zijn hart gaat uit naar een vrouw die in het geheel niet geïnteresseerd is in deze wereld van geweld, glamour en lust. Hoe zij elkaar ontmoet hebben vertelt het verhaal niet, dat mogen wij zelf verzinnen. Het is 'in medias res'.

Met de châtelaine van Vergi moet iets vergelijkbaars gebeurd zijn. Ooit ontmoette zij een ridder van haar neef de hertog van Bourgondië, en van het een kwam het ander... Dit keer gaat niet alle aandacht uit naar de moeilijkheden die het minnend paar ondervindt om elkaar te (blijven) ontmoeten, maar naar een ander vast bestanddeel in dit type verhaal: een jalourse rivale. Zodoende lijkt het alsof de Châtelaine de Vergi over vier mensen gaat. De vijfde persoon, de châtelain van Vergi, wordt doodgezwegen.
    Dankzij deze verdwijntruc worden wij uitgenodigd de relatie tussen de châtelaine en de ridder niet te interpreteren als een buitenechtelijke overspelige relatie. Het is net alsof de châtelaine een superieure muurbloem is, een vrouw van wie niemand verwacht dat zij er een minnaar op na houdt, maar ondertussen!

Dat de châtelain van Couchy en de vrouwe van Fayel - ondanks hun oprechte en onbaatzuchtige liefde - zich schuldig maken aan echtbreuk en overspel wordt nergens verdoezeld. De geliefden zijn zich heel goed bewust dat zij zondigen, maar volharden in hun gedrag omdat zij niet anders willen én kunnen. Hun liefde dwingt hen hiermee door te gaan, ondanks het gevaar dat zij lopen. Dit komt niet omdat zij zo zwak zijn dat zij de verleiding niet kunnen weerstaan, maar integendeel omdat zij zo sterk zijn dat zij kunnen gehoorzamen aan de macht van de liefde. Want liefde is lijden!: "Honderd smarten tegenover slechts één vreugde."

Als je de Middelnederlandse vertalingen/bewerkingen van de Oudfranse literatuur legt naast de bronteksten dan zie je doorgaans een verschil in artisticiteit en mentaliteit. De Franse teksten zijn eleganter, eloquenter, elitairder, hiërarchischer en explicieter dan de Middelnederlandse bewerkingen. Die zijn in de regel vager, zwart-witter, nivellerender, idealiserender en preutser. Ik weet dat ik mij op glad ijs beweeg, maar in deze tijd van het jaar mag dat: de Middelnederlandse epiek lijkt primair geschreven te zijn voor (nog) ongehuwde jongens en meisjes. De Oudfranse bronteksten hebben als primair publiek gehuwde mensen. Ook als die over adolescenten gaan.
    Terwijl een geletterd Frans publiek gecharmeerd lijkt van ongefilterde passie, overheerst in de Middelnederlandse letterkunde de pedagogische toon en de maatschappelijke relevantie. De helden hebben een voorbeeldfunctie en mogen dus geen gedrag vertonen dat daarmee in strijd is. Seks is tot daar aan toe, maar echtbreuk en overspel zijn taboe. Dus geen Tristan en Isolde, Châtelain de Couchy en grote reserve ten opzichte van de liefde tussen Lancelot en koningin Genièvre. Eigenlijk vindt men het maar niets. En vandaar ook het grote verschil in reputatie tussen Walewein en Lancelot. Onze Walewein is absoluut superieur aan de echtbreker Lancelot - ook trouwens aan zijn Oudfranse twee-eiige tweelingbroeder Gauvain. Niet voor niets werd een van de Middelnederlandse vertalingen van de Lancelot en prose doorschoten met romans, waarin Walewein de held van het verhaal is: de Lancelot-compilatie. Je vraagt je af met welke romans de compilator het verloren gegane eerste deel van de compilatie gelardeerd heeft...
    In (sommige van) de ingelaste romans wordt bovendien expliciet en impliciet kritiek uitgeoefend op de weliswaar niet in het Middelnederlands bewaard gebleven - en mogelijk ook niet in het Middelnederlands vertaalde - maar wel degelijk bekende Tristan en Isolde. Overspel wordt hier niet in op prijs gesteld. Op de Middelnederlandse straat spreekt men monogaams.


[Dit nummer][Archieven Kuiper]