|
Col: 0602.20
Date: Tue, 31 Jan 2006 15:46:01 +0100
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.ru.nl>
Subject: Col: 0602.20: Linguïstisch Miniatuurtje CIX: Leven met een grammaticale handicap
Linguïstisch Miniatuurtje CIX: Leven met een grammaticale handicap
Als je niets van grammatica weet, ben je in zekere zin gehandicapt.
"Grammatically challenged," zouden de Amerikanen zeggen. Je hebt
natuurlijk wel een taalgevoel, want dat heeft iedere taalgebruiker,
maar je kunt er niets mee. Hoe subtiel je intuïties ook zijn
over de betekenis of de natuurlijkheid van een taaluiting, zonder de
beheersing over een basaal begrippenapparaat kun je die niet onder
woorden brengen. Je moet je behelpen met vage benaderingen van wat je
bedoelt. In het beste geval levert dat onduidelijkheid op, maar
meestal onzin.
Zo heb ik met verbazing de reacties zitten lezen op een aflevering
van de rubriek Woordhoek van Ewoud Sanders in de NRC. De
auteur had een eigenaardigheid opgemerkt in het taalgebruik van zijn
jongste zoon. Die gebruikte het woord zitten in zinnen als
Ik zat net te lopen naar school, en zelfs in Wat zit jij
eigenlijk aan het doen?. Die observatie was voor hem aanleiding
tot een vergaande taalsociologische speculatie, dat het woord
zitten zou zijn "doorgedrongen" in de taal vanwege de
toenemende welvaart: kinderen zouden teveel zitten. Achter de pc,
achter de PlayStation, en dat zou je weerspiegeld zien in de taal.
Sanders zelf had vervolgens nog wat zitten Googelen en daarbij was
hij tot de ontdekking gekomen dat zit te denken veel meer
voorkomt dan lopen te denken. Zijn indruk was dat zitten te
denken "een eufemistische constructie" is, die "veel minder
direct" is. Waarop hij toevoegt, in een formulering die zichzelf
onderstreept: "en mensen zijn liever niet al te direct."
De lezersreacties op deze column zijn voorspelbaar. De een kent de
constructie "uit mijn jeugd in Brabant", de ander meent stellig dat
"de overbodige inlassing van zitten te [...] uit het Vlaams"
stamt. Een derde merkt op dat het in zijn jeugd vooral in Drente
voorkwam, gevolgd door een lezer die "meer dan zestig jaar terug" in
Baarn "kreten van dit soort" opgevangen heeft. Natuurlijk is er ook
iemand die "het vooroorlogse Nederlands Indië" erbij haalt, en
ten slotte constateert een lezer dat er "in heel Amsterdam [...] veel
gezeten [wordt] terwijl niemand zit".
Hoe is die constructie dan ontstaan? Ook dat had ik van tevoren
kunnen raden. Het ligt aan "de aanwezigheid van allochtone kinderen
op scholen" die "hardnekkige fouten" maken. En "ook de invloed van al
of niet beroemde rappers kan hier een rol spelen". Dat die meer dan
zestig jaar terug in Baarn of Drente, en zelfs in heel Amsterdam nog
nauwelijks aangetroffen werden is een observatie die waarschijnlijk
nauwelijks indruk maakt.
Nou is het bepaald niet mijn bedoeling om Sanders en zijn lezers
belachelijk te maken. Ik ben al blij dat er mensen zijn die aandacht
voor deze kwesties hebben. Ik constateer alleen dat niemand de
grammaticale basiskennis heeft om te begrijpen, of om zelfs maar te
beschrijven wat hier aan de hand is. Dat zeg ik niet in
verwijtende zin (al vind ik dat Sanders als deskundige wel wat kort
door de bocht gaat), want als er al mensen schuldig zijn aan deze
wijdverbreide grammaticale handicap dan zijn het de taalkundigen, die
er in de afgelopen decennia blijkbaar niet in geslaagd zijn om de
beschikbare kennis algemeen te maken. En om helemaal eerlijk te zijn:
Sanders citeert in de reacties op zijn rubriek ook uitgebreid de
deskundigen, die over het algemeen goed weten hoe het zit (al leggen
ze het ook hier niet allemaal even duidelijk uit).
Hoe zit dat dan met zitten? Is dat wel in een paar woorden uit
te leggen? Ik denk het wel. Zitten hoort, samen met
lopen, staan, liggen en hangen tot de
zogeheten posture verbs, de werkwoorden van lichaamshouding.
Die lichaamshouding moet je heel ruim zien, want het gaat zeker niet
altijd om een menselijk of zelfs dierlijk lichaam, maar meer over,
zoals dat heet, de "oriëntatie in de ruimte". Bij een verticale
oriëntatie hoort staan (en hangen), bij een
horizontale oriëntatie liggen. Lopen is ook
verticaal, maar geeft vooral beweging aan. Niet alleen mensen en
dieren lopen, ook water loopt, een klok loopt. De betekenis van deze
werkwoorden is beperkt tot één of twee
betekenisaspecten. Zitten is van al deze werkwoorden de
standaardkeuze. Bij alles wat zich in iets anders bevindt gebruik je
zitten: er zit iets in mijn kopje, er zitten appels
in deze mand. Maar ook er zit iets tegen de muur, en
wat je daar zegt, daar zit iets in. Of er zit iets in de
lucht. Suiker ligt op de tafel maar zit in een pak.
Allemaal zitten, zonder dat er ook maar in de geringste mate
sprake is van een houding die te vergelijken is met een menselijke
zittende houding.
De zelfstandige betekenis van deze werkwoorden is zo zwak, dat ze in
sommige gevallen bijna alleen maar zijn betekenen. Dat is echt
niet iets van de laatste jaren. Al in 1706 signaleerde Arnold Moonen
in zijn grammatica (bij de werkwoorden die een Gestaltenis
uitdrukken) zinnen als de zaeken staen verwart en ik zitte
benaeut. Ook Den Hertog schaart in 1892 staan,
zitten en liggen onder de koppelwerkwoorden, met
voorbeelden als in de war zitten en verlegen zitten.
Dat die specifieke vormen niet meer zo frequent zijn, doet er niet
zoveel toe. Het punt is dat de constructie met zitten als
koppelwerkwoord al oeroud is.
Er is één constructie met die houdingswerkwoorden die
wat jonger lijkt, maar dan praten we toch al gauw over zo'n 300
á 400 jaar oud. Het gaat om de constructie met te
gevolgd door een heel werkwoord, een infinitief (zitten te
slapen). Die vorm moet ergens na de middeleeuwen zijn
ontstaan uit een constructie met en(de) (sit ende
rust). Hoe dan ook, Justus van Effen had het al in 1723 over een
kind dat sit te spelen. En Jan Jansz. Starter schreef in 1621
over Cupido die sit te proncken. Ook toen waren al of niet
beroemde rappers dun gezaaid, en de jeugd zat nog niet massaal achter
de PlayStation. En nergens blijkt een relatie uit tussen het gebruik
van zitten, liggen, staan, of lopen en de
menselijke activiteiten in die tijd.
Waarom klinken de door Sanders geobserveerde voorbeelden dan zo gek?
Want, laten we wel wezen, er is wel iets geks met ik zat net te
lopen naar school en Wat zit jij aan het doen?. De
constructie met zitten en aan het is zeker
ongebruikelijk. Standaard kiest het Nederlands hier voor het
koppelwerkwoord zijn. De meerwaarde van zitten is hier
onduidelijk, zeker met handhaving van dat gekke aan het. Het
ligt eerder voor de hand om bij gebruik van zitten ook aan
het te vervangen door te. Ik denk dan ook dat deze
observatie een toevallige misser is, die weinig kans maakt om in de
taal opgenomen te worden.
En hoe zit het met dat zitten te lopen? Ik zou denken dat de
standaardkeuze bij een bewegingswerkwoord lopen moet zijn. Als
het werkwoord zelf dan al lopen is, zou je ik liep net te
lopen naar school krijgen. Dat is weer gek vanwege dat dubbele
lopen. Dus neemt het zoontje zijn toevlucht tot het standaard
houdingswerkwoord zitten.
Maar waarom zou je überhaupt zo'n houdingswerkwoord willen
toevoegen? Is dat niet overbodig? Kun je niet beter zeggen Ik liep
net naar school, en Ik denk in plaats van Ik zit te
denken. Heeft Sanders niet gewoon gelijk dat dat allemaal
"eufemistisch" en "minder direct" is? Ik denk het niet. Zoals de
deskundigen opmerken is hier sprake van een duratief
betekenisaspect, ruwweg te omschrijven met "bezig zijn met". Waarin
verschilt "bezig zijn met denken" met "denken"? Dat is eenvoudig te
zien in het volgende voorbeeld. Als je zegt ik denk dat ik een
wereldreis wil maken, dan geef je aan dat je denkproces is
afgerond met als resultaat dat je iets wilt (maar er nog niet
helemaal zeker van bent). Zeg je daarentegen ik zit te denken dat
ik een wereldreis wil maken dan bedoel je dat je denkproces nog
volop gaande is. Dat is het duratieve aspect (dat ongeveer
overeenkomt met de Engelse progressive).
Er is dus helemaal niets indirects aan die constructie. Integendeel,
hij is juist zeer precies. In een wereld waarin het van het grootste
belang is om heel nauwkeurig aan te geven in wat voor stadium je
gedachtevorming zich bevindt is het bitter noodzakelijk om deze
grammaticale middelen daarvoor te gebruiken.
Het is bepaald betreurenswaardig dat goedbedoelende taalcritici dit
soort uiterst efficiënte grammaticale constructies beschimpen
met flauwe verwijzingen naar zittende lichaamshoudingen, en dat ze
kinderen die klagen Ze zitten me te pesten belachelijk maken
met de toevoeging Als ze zitten loop je toch gewoon rustig
weg? De grammaticale handicap die de critici daarmee
tentoonspreiden staat in schril contrast met de strengheid waarmee ze
anderen menen te moeten berispen.
Peter-Arno Coppen
|