0603.33 Terug
Vooruit 0603.35

Lit: 0603.34

Date: 27 maart 2006
From: P.J. Verkruijsse <p.j.verkruijsse@uva.nl>
Subject: Lit: 0603.34: Pas verschenen: Paul J. Smith. Het schouwtoneel der dieren. (Hilversum, 2006)

Pas verschenen

Paul J. Smith. Het schouwtoneel der dieren. Embleemfabels in de Nederlanden (1567-ca. 1670). Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2006 (Zeven Provinciënreeks, 24). 124 blz.; ills.; EUR 13,00; isbn 90-6550-855-4.
De fabels uit de oeroude traditie van Aesopus werden vanaf de Middeleeuwen steeds mooier uitgegeven. Een mijlpaal in deze ontwikkeling waren de 'Warachtighe fabulen der dieren' (Brugge 1567), gedicht door Eduard de Dene en geïllustreerd door Marcus Gheeraerts de Oude. Dit werk bracht de aesopische fabel in verband met de recente mode van de emblematiek en stond daarmee aan de basis van de zogenaamde 'embleemfabel', een genre dat een korte bloei kende in de eerste helft van de zeventiende eeuw. Hoogtepunten waren Sadelers 'Theatrum morum' (1608), Vondels 'Vorsteliicke warande der dieren' (1617), Vande Vennes 'Woudt van wonderlicke Sinne Fabulen' (1632), De la Courts 'Sinryke fabulen' (1685) en de fabelpamfletten omstreeks 1670.

Dit 24e deel in de Zeven Provinciënreeks biedt een overzicht van de ontwikkeling en (internationale) doorwerking van de embleemfabel, met speciale aandacht voor de genrespecifieke vormen van imitatie en woord-beeld-relaties. Het boek bevat voor een groot deel reeds eerder door Smith (en Dirk Geirnaert) in artikelvorm gepubliceerd en nu geactualiseerd materiaal. Het eerste hoofdstuk geeft een historisch overzicht van het ontstaan van dit bimediale genre, waarvan de afbakening niet zonder problemen is, en gaat in op de Vlaamse grondleggers daarvan: Marcus Gheeraerts en Eduard de Dene. Hoofdstuk 2 behandelt in chronologische volgorde de fabelbundels die voor de Nederlandse situatie belangrijk zijn. Hoofdstuk 3 biedt een nader inzicht in de ontwikkeling van het genre via de titelprenten van de bundels. Hoofdstuk 4 en 5 gaan in op de vaak problematische woord-beeld-relaties, dit naar aanleiding van de ontwikkelingsgang van twee afzonderlijke fabels door de eeuwen heen: 'Het dronken Hert' en 'De Slang en de Vijl'. Hoofdstuk 6 is gewijd aan de pamflettaire vormen van de embleemfabel met speciale aandacht voor de politieke propagandastrijd omstreeks 1672. Hoofdstuk 7 bespreekt de doorwerking van het genre van de embleemfabel onder meer in de beeldende kunst.

Smith besteedt nogal wat aandacht aan de boekhistorische aspecten van het genre: behalve het hoofdstuk over de titelprenten zijn er voortdurend opmerkingen over de omzwervingen van koperplaten, vooral die van Gheeraerts. De bibliografie bevat een chronologische lijst van de ruim dertig besproken fabelbundels en een indrukwekkend overzicht van secundaire literatuur, waarin zeker ook de vele publicaties over een lange reeks van jaren van de auteur van dit boek garant staan voor kwaliteit. Een namenindex ontsluit het geheel.

Piet Verkruijsse


[Dit nummer]