| 0603.34 |
|
|
|
0603.b |
|
Col: 0603.35
Date: Fri, 31 Mar 2006 10:53:11 +0200
Column Willem Kuiper, no. 69:
Vrijdagochtend 24 maart, de Volkskrant: "Student uit
buitenland blijft weg: Nederland berucht om immigratiebeleid" -
"Gedreven ex-politicus Ria Beckers overleden" - "IJskap Groenland
smelt rap" - "Ook verkrachtingen op fregat. (Vakbond): bemanning
Tjerk Hiddes snoof op zee volop cocaïne". En daar midden
tussenin: "De ark is terug, hij ligt in de haven van Schagen."
|
| Johans grootste obstakel ligt echter dichter bij huis. Het is het klein bruggetje aan het einde van de kade, de poort naar de rest van de wereld. "Dat ding kan niet ver genoeg open. Ik kom er met het dak van de ark tegenaan," zegt hij ineens wat bezorgd. "Het is, volgens mij, de enige brug in heel Nederland die niet helemaal open kan." Dus de kans bestaat dat de ark nooit de haven van Schagen zal verlaten? Johan denkt even na en komt dan met een mogelijke oplossing. "Hij zou er alleen scheef doorheen kunnen. Daarom overweeg ik om aan één kant van het ruim een groot zeil vol te pompen met water, waardoor de ark schuin komt te liggen. Om eerlijk te zijn, zie ik daar best tegenop. Toch mag dat bruggetje geen spelbreker worden." |
| "Het es lichtere den kemel overtelidene dore der naelden
gat dan den rike in te gane in trike der hemele!" Het evangelie van Matteus, hoofdstuk 19 in de Zuidmiddelnederlandse Bijbelvertaling van ca. 1380-1400, ed. CD-ROM Middelnederlands. |
| 1695. Door het oog van een naald,
d.i. ternauwernood, nauwelijks, vooral in verbinding met het wkw.
kruipen, in den zin van ternauwernood aan een groot gevaar
ontkomen. Zie Tuinman I, 9: 't Is door 't oog van een naald
gekropen, dat zegt men van iets dat'er ter naauwer nood door
geraakt is; zoo ook bl. 325; Harreb. II, 113 a; Rutten, 150
a: door 't gat van eene naald kruipen, er gelukkig
afkomen; Waasch Idiot. 450 b: deur de oog van een
naald gekropen zijn, aan een groot gevaar ontsnapt zijn;
Schuermans, 401 a; Antw. Idiot. 843. De uitdrukking
herinnert aan Matth. XIX, 24, waar Jezus zegt, dat het
gemakkelijker is voor een kemel om door het oog van een naald te
gaan, dan voor een rijke om in den hemel te komen. Men zal hier
moeten denken aan den zes duim langen naald met een zeer lang oog,
dien de kameeldrijvers gebruiken om hunne tuigen te herstellen
(Bijb. Wdb. II, 607). Volgens het Ndl. Wdb. IX, 1359
is 'waarschijnlijk oorspronkelijk bedoeld, dat iemand in zijn angst
iets heeft gedaan, waartoe men in gewone omstandigheden niet in
staat is. Vgl. Mar. v. Nijm. 236: Hi (een duivelskunstenaar)
soude door die ooghe van eender naelde den viant (duivel) wel doen
cruypen teghen sinen danck (zin). In het Fransch zegt men van
iemand, die zeer verlegen is, on le ferait passer par le trou
d'une aiguille; in het Duitsch in toepassing op iemand dien men
bang maakt einen durch ein Nadelöhr jagen. Iemand is dus
"door het oog van een naald gekropen" uit vrees voor den dood die
hem wilde grijpen. F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. Ed. DBNL. |
De Zondvloed was geen waterloopkundig experiment, en evenmin een natuurramp als de tsunami van ruim een jaar geleden. De zondvloed was een goddelijke straf voor menselijk wangedrag. Waaruit dat wangedrag bestond, daarover is het bijbelboek Genesis uiterst vaag:
| Mer doe God sach dat der menschen malicie vele was inder
erden, ende alt ghepeyns vander herten was verstaende in quade
tallen tiden, soe waest hem leet dat hi den mensche ghemaect hadde
inder erden. Bijbel van 1360, ed. CD-ROM Middelnederlands |
| Een goet man, hiet Medodius, | ||||||||||||||||||||||||||||||||
| die hem dor Gode liet doot slaen, | ||||||||||||||||||||||||||||||||
| 1100 | lach in eenen carker ghevaen. | |||||||||||||||||||||||||||||||
| Hi bat Gode in sinen sin, | ||||||||||||||||||||||||||||||||
dat Hi heme dat beghin
| | | van erderike toghen wilde. | | | Ende God horde'ne, die milde. | 1105 | | Hi bescreef dat doe plaghen | | | die quade liede, in dien daghen, | | | te verkerne der naturen zeden, | | | want si boven ligghen deden | | | de vrouwen, ende selve onder laghen. | 1110 | | Hier omme wildse Onse Here plaghen, | | | ende hiet Noë maken die arke, | | | die goet was van ghewarke. | |
Medodius is Methodius van Olympus, bisschop en martelaar, gestorven
op 18 september in het jaar 311. Hij wordt als 83e auteur genoemd in
Hiëronymus' catalogus De viris illustribus.
Ja, u las het goed. Dat staat er
inderdaad: God wilde de mens straffen omdat de mannen niet meer
boven lagen, maar van de vrouwen verlangden dat die bovenop hen
gingen liggen!
Methodius' verklaring van de oorzaak van de Zondvloed vindt men in
terug in de Historia scolastica (ca. 1171) van magister
Pierre le Mangeur (Petrus Comestor) en in het Speculum
historiale (ca. 1256) van broeder Vincent van Beauvais. Comestor
vindt hem "diffusius [...] dicens" dat wil zeggen (nogal) duister
formulerend.
In het kort komt het erop neer dat
Caïn en Seth, de zonen van Adam, op bevel van hun vader
gescheiden van elkaar gingen wonen. Caïn keerde terug naar de
vlakte waar hij Abel gedood had, Seth ging op een berg in de buurt
van het Paradijs wonen. Ook Seth verbood zijn zonen en kleinzonen om
zich te mengen met de dochters en kleindochters van Caïn.
Tevergeefs, de kleindochters van Caïn waren even slecht als
mooi - of andersom - en op den duur onweerstaanbaar. Deze verboden
verbintenis leverde onmensen op: reuzen. Natuurlijk stonden deze
hoogmoedige giganten op tegen hun Schepper, een tafereel dat sterk
lijkt op de strijd die de Griekse Gyganten voerden tegen Zeus, die
zich op de Olympus verschanst had en zich met bliksemschichten
verdedigde.
Maar gedurende de Middeleeuwen was men
er op gezag van Methodius van overtuigd dat God de wereld niet onder
water zette om van die reuzen af te komen. De werkelijke aanleiding
was het gedrag van de kleindochters van Caïn, die hij "mulieres
in vesania versae" noemt: vrouwen die in een staat van razernij
verkeren. Die razernij uitte zich in seksueel wangedrag. Allereerst
zijn zij overspelig (en incestueus) door de broers van hun
echtgenoten te misbruiken. Vervolgens geven de kleinzonen van
Caïn zich over aan mannen onder elkaar. Maar wat de deur dicht
doet, is dat deze kleindochters van Caïn dermate van God los
zijn dat zij boven op de kleinzonen van Seth kruipen.
Deze analyse - girls on top - van de
aanleiding tot de Zondvloed zegt niets over God en alles over
Methodius. Die wist uit ervaring hoe de fine fleur van het
(Oost)Romeinse Rijk zich gedroeg, alsook hoe machtig en verdorven de
vrouwen aan het hof waren. Ook waren die vrouwen bijzonder bedreven
in anticonceptie, zodat zij zich ongelimiteerd konden overgeven aan
de dienst van Venus, en desondanks hun nageslacht beperken tot
slechts één erfgenaam. Wat Methodius er over de
welgevormde ruggen van de kleindochters van Caïn in wil
stampen, is dat de levenswijze van het milieu waaruit hij voortkwam,
doodzondig was in de ogen van zijn God, en dat Hij in het verleden
de hele wereld onder water had gezet om een einde aan dit soort
perverse praktijken te maken. Men was dus gewaarschuwd!
Maar waar had ik het eigenlijk over? O ja, over het Oog van de Naald
en de Ark van Johan.
Toen ik op het Internet op zoek ging
naar de degelijkheid van de duiding van het Oog van de Naald als een
poort in de muur van Jeruzalem - religieuze zaken zijn uitzonderlijk
goed/compleet aanwezig op Internet - kwam ik erachter dat deze
verklaring een mythe is. Hij hoort thuis in het rijtje
onmogelijkheden: de moeder zal haar kind opeten - de splinter in het
oog van de ander en de balk in het eigen oog - de maagd die een kind
zal baren.
De kameel is het grootste dier dat de
Joodse gemeenschap met eigen ogen kon waarnemen. Het oog van de
naald was in de Joodse beeldspraak de exemplarisch kleinste plek op
aarde: voor twee vrienden is het oog van de naald groot genoeg, maar
voor twee vijanden zelfs de wereld niet! Kortom, ik heb er alle
vertrouwen in dat Johan Huibers deze hindernis neemt. En anders moet
hij zich maar laten inspireren door Alexander de Grote, toen die
eens in de knoop zat.
Wie denkt dat deze Noach de Tweede - hoevelen zullen hem al zijn
voorgegaan zonder dat wij dat weten? - tevreden is als zijn ark de
hindernis van het Schager kippebruggetje genomen heeft en koers
gezet heeft naar de wereldzeeën, vergist zich. Uitgerekend in
mijn woonplaats Zaandam heeft hij een loods op het oog waar hij de
ark op ware grootte wil nabouwen. Alsjeblieft zeg! Zelfs Czaar Peter
de Grote, die hier nog in de leer geweest is, heeft zich dat niet in
zijn hoofd gehaald.
Maar hoe groot was nou eigenlijk die Ark
van Noë/Noach? Dat weten wij niet. De getallen in
Genesis zijn niet reëel, maar symbolisch, en afgeleid
van de Assyrische astronomie. Een getal is een aspect/facet van de
Schepping: door de getallen te begrijpen, krijg je een dieper
inzicht in Gods bedoeling(en) met de wereld. Jezus had twaalf
apostelen, niet omdat hij er niet meer kon krijgen, maar omdat er
twaalf windstreken zijn, en Gods woord over de hele wereld
verkondigd moest worden, zodat niemand kon zeggen: nooit van
gehoord...
Volgens Genesis, hoofdstuk 6,
regel 15 waren de door God verordonneerde maten: lengte 300 el,
breedte 50 el en hoogte 30 el. So far so good. Maar hoe lang is een
el? Bij de Romeinen - Hiëronymus, de vertaler van de
Vulgaat was een Romein - was een cubitus even lang als
anderhalve pedes (voet). Deze maten waren afgeleid van het
ideale lichaam. Dus als een voet 30 centimeter gemeten wordt dan is
een el 45 centimeter.
In de loop der jaren echter heeft men de
el niet meer beschouwd als de lengte van de onderarm, maar van de
gehele arm, met als gevolg dat hij uitgroeide tot 69 centimeter. In
1820 heeft men hier te lande het metrieke stelsel ingevoerd en
eenheid geschapen in de chaos van maten die in gebruik was. Elke
stad had een andere el, een andere duim, een andere pint enzovoort.
Bij die hervorming werd de lengte van de el bepaald op 1 meter.
In feite hangt het er dus helemaal vanaf
hoe groot Noë's voeten waren. Hij heeft - gehoorzaam als hij
was, en zoals toen en gedurende de Middeleeuwen nog gebruikelijk was
- de lengte van de ark afgepast met zijn eigen voeten. Mijn voeten
meten 27 centimeter (maat 44/45). Een Kuiperse el zou dus circa 41
centimeter lang zijn. Maal 300 is dat 123 meter.
Het zal u niet verbazen dat middeleeuwse geesten die wel eens een
zeewaardig schip voorbij hadden zien varen, moeilijk konden geloven
dat Noë de hele fauna in een schuit van 300 cubitus kwijt kon.
Natuurlijk twijfelden zij niet aan het verhaal zelf, maar
zochten zij de fout in de getallen. Zij wisten immers uit ervaring
hoe gevoelig getallen voor fouten waren.
Helaas, ook de 'alwetende' (Flavius)
Josephus had het over driehonderd ellen, en ook de andere maten
klopten. Dat liet maar één uitweg open: ten tijde van
Noë had men een andere el. Volgens Rabanus (Maurus, gest. 856)
was die el 7 tot 9 keer langer dan de negende-eeuwse el. Deze
mededeling was volstrekt geloofwaardig, die mensen toen werden
immers ook 7 tot 9 keer ouder dan ten tijde van Rabanus (in
kloosters) gebruikelijk was.
Zo kon het gebeuren dat 'onze' Jacob,
die als Bruggeling en als inwoner van de havenplaats Merlant een
ervaringsdeskundige was voor wat betreft de grootte van schepen, op
gezag van Rabanus (zonder die overigens te noemen) kon beweren:
| Hare ghescelpen was aldus: | ||
| lanc was soe .ccc. cubitus. | ||
| 1115 | - elc cubitus in geometrie | |
| heft .ix. voete vrie - | ||
| vijftech cubitus was soe hooch, | ||
| scrijft Moyses, di'er niet omme en looch, | ||
| .xxx. cubitus was soe wijt. | ||
| 1120 | Soe voerder up wart - t'alre tijt - | |
| so soe emmer naude ende loec. | ||
| In't upperste so ne was soe oec | ||
| maer .i. cubitus wijt ende lanc. | ||
| Onder in den nedersten ganc | ||
| 1125 | viercante. [...] |
---
Links: