0603.34 Terug
Vooruit 0603.b

Col: 0603.35

Date: Fri, 31 Mar 2006 10:53:11 +0200
From: Willem Kuiper <wkuiper@xs4all.nl>
Subject: Col: 0603.35: Column Willem Kuiper, no. 69: De ark van Johan

Column Willem Kuiper, no. 69:
De ark van Johan

Vrijdagochtend 24 maart, de Volkskrant: "Student uit buitenland blijft weg: Nederland berucht om immigratiebeleid" - "Gedreven ex-politicus Ria Beckers overleden" - "IJskap Groenland smelt rap" - "Ook verkrachtingen op fregat. (Vakbond): bemanning Tjerk Hiddes snoof op zee volop cocaïne". En daar midden tussenin: "De ark is terug, hij ligt in de haven van Schagen."

Ark van Johan
Foto: Joost van den Broek

Een kleurenfoto van ruim 24 x 15 cm met daarop een dynamisch bewolkte hemel, daaronder de in het zonlicht glanzende Ark van Johan tegen een decor van een deprimerend Schagens industrieterrein aan de oever van een zijarm van het Noordhollands Kanaal, verdrijft al het overige nieuws naar de achtergrond. Ten onrechte! Immers als die ijskap van Groenland blijft doorsmelten dan wacht ook ons een zondvloed, en dan is het maar te hopen dat het er op de dan te bouwen ark niet aan toegaat als op de Tjerk Hiddes en soortgelijke fregatten, want dan geraak je van de regen in drup...
    De begeleidende tekst vertelt ons dat de "onbekommerde evangelist" Johan Huibers dertien jaar geleden het plan opvatte de Ark van Noach na te bouwen. Twee jaar geleden leende de bank hem 2 ton en vorig jaar begon hij met het zagen van 1200 bomen. Sindsdien timmert hij dagelijks, in weekenden geholpen door een MTS'er, aan een replica op halve grootte van de Ark van Noach. De Ark van Johan meet 'slechts' zeventig meter lang, bij tien meter breed en bijna dertien meter hoog. Zonder bouwtekening - wat objectief gezien geen bezwaar mag heten, immers Noach deed het ook zonder.

Tot op heden dient zich maar één echt probleem aan. Ik citeer uit een EO-interview d.d. 5 januari 2006, dat ik op Internet vond:

      Johans grootste obstakel ligt echter dichter bij huis. Het is het klein bruggetje aan het einde van de kade, de poort naar de rest van de wereld. "Dat ding kan niet ver genoeg open. Ik kom er met het dak van de ark tegenaan," zegt hij ineens wat bezorgd. "Het is, volgens mij, de enige brug in heel Nederland die niet helemaal open kan." Dus de kans bestaat dat de ark nooit de haven van Schagen zal verlaten? Johan denkt even na en komt dan met een mogelijke oplossing. "Hij zou er alleen scheef doorheen kunnen. Daarom overweeg ik om aan één kant van het ruim een groot zeil vol te pompen met water, waardoor de ark schuin komt te liggen. Om eerlijk te zijn, zie ik daar best tegenop. Toch mag dat bruggetje geen spelbreker worden."
Onbedoeld en ongewild dramatiseert Johan Huibers de bijbelse beeldspraak:
      "Het es lichtere den kemel overtelidene dore der naelden gat dan den rike in te gane in trike der hemele!"

Het evangelie van Matteus, hoofdstuk 19 in de Zuidmiddelnederlandse Bijbelvertaling van ca. 1380-1400, ed. CD-ROM Middelnederlands.

Bij dat oog en die naald denkt men aan het oog van een naald, waarmee men naait. Zie wat Stoett hierover meldt:
      1695. Door het oog van een naald, d.i. ternauwernood, nauwelijks, vooral in verbinding met het wkw. kruipen, in den zin van ternauwernood aan een groot gevaar ontkomen. Zie Tuinman I, 9: 't Is door 't oog van een naald gekropen, dat zegt men van iets dat'er ter naauwer nood door geraakt is; zoo ook bl. 325; Harreb. II, 113 a; Rutten, 150 a: door 't gat van eene naald kruipen, er gelukkig afkomen; Waasch Idiot. 450 b: deur de oog van een naald gekropen zijn, aan een groot gevaar ontsnapt zijn; Schuermans, 401 a; Antw. Idiot. 843. De uitdrukking herinnert aan Matth. XIX, 24, waar Jezus zegt, dat het gemakkelijker is voor een kemel om door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke om in den hemel te komen. Men zal hier moeten denken aan den zes duim langen naald met een zeer lang oog, dien de kameeldrijvers gebruiken om hunne tuigen te herstellen (Bijb. Wdb. II, 607). Volgens het Ndl. Wdb. IX, 1359 is 'waarschijnlijk oorspronkelijk bedoeld, dat iemand in zijn angst iets heeft gedaan, waartoe men in gewone omstandigheden niet in staat is. Vgl. Mar. v. Nijm. 236: Hi (een duivelskunstenaar) soude door die ooghe van eender naelde den viant (duivel) wel doen cruypen teghen sinen danck (zin). In het Fransch zegt men van iemand, die zeer verlegen is, on le ferait passer par le trou d'une aiguille; in het Duitsch in toepassing op iemand dien men bang maakt einen durch ein Nadelöhr jagen. Iemand is dus "door het oog van een naald gekropen" uit vrees voor den dood die hem wilde grijpen.

F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. Ed. DBNL.

Grappig dat een zo oude uitdrukking, die zo is blijven voortleven zo slecht begrepen wordt. Het gaat namelijk niet om een echte naald, want daar kan inderdaad geen kameel doorheen. Het Oog van de Naald is een poort in de muur van het Nieuwtestamentische Jeruzalem, die zo eng en laag was, dat een kameel er alleen maar doorheen kon als alle bagage eraf gehaald werd en hij dan ook nog eens door de knieën ging. Een prachtig beeld! Evenzo moest de rijke man al zijn bezittingen weggeven en zijn buik inhouden wilde hij een kans maken de hindernis van de Hemelpoort te nemen.
    Dat is een hele revolutionaire boodschap! De God van het Oude Testament is er een van: Wie niet horen wil, moet voelen! De Oudtestamentische ordehandhaving is gebaseerd op het goede belonen en het kwade straffen. Met andere woorden, als iemand rijk is dan is dat een beloning voor goed gedrag. En als iemand arm is dan is dat een straf voor wangedrag. Met deze visie wordt door Jezus in het evangelie van Matteus radicaal gebroken: rijkdom is absoluut geen vrijgeleide naar de Hemel. Integendeel! En dat is minstens net zo spectaculair als te zien hoe een kameel zich door het oog van een naald wurmt.

De Zondvloed was geen waterloopkundig experiment, en evenmin een natuurramp als de tsunami van ruim een jaar geleden. De zondvloed was een goddelijke straf voor menselijk wangedrag. Waaruit dat wangedrag bestond, daarover is het bijbelboek Genesis uiterst vaag:

      Mer doe God sach dat der menschen malicie vele was inder erden, ende alt ghepeyns vander herten was verstaende in quade tallen tiden, soe waest hem leet dat hi den mensche ghemaect hadde inder erden.

Bijbel van 1360, ed. CD-ROM Middelnederlands

Wie echter Jacobs Scolastica in Dietschen (Rijmbijbel) hierover raadpleegt, leest:
      Een goet man, hiet Medodius,
      die hem dor Gode liet doot slaen,
1100     lach in eenen carker ghevaen.
      Hi bat Gode in sinen sin,
      dat Hi heme dat beghin
      van erderike toghen wilde.
      Ende God horde'ne, die milde.
1105     Hi bescreef dat doe plaghen
      die quade liede, in dien daghen,
      te verkerne der naturen zeden,
      want si boven ligghen deden
      de vrouwen, ende selve onder laghen.
1110     Hier omme wildse Onse Here plaghen,
      ende hiet Noë maken die arke,
      die goet was van ghewarke.

Medodius is Methodius van Olympus, bisschop en martelaar, gestorven op 18 september in het jaar 311. Hij wordt als 83e auteur genoemd in Hiëronymus' catalogus De viris illustribus.
    Ja, u las het goed. Dat staat er inderdaad: God wilde de mens straffen omdat de mannen niet meer boven lagen, maar van de vrouwen verlangden dat die bovenop hen gingen liggen!

Methodius' verklaring van de oorzaak van de Zondvloed vindt men in terug in de Historia scolastica (ca. 1171) van magister Pierre le Mangeur (Petrus Comestor) en in het Speculum historiale (ca. 1256) van broeder Vincent van Beauvais. Comestor vindt hem "diffusius [...] dicens" dat wil zeggen (nogal) duister formulerend.
    In het kort komt het erop neer dat Caïn en Seth, de zonen van Adam, op bevel van hun vader gescheiden van elkaar gingen wonen. Caïn keerde terug naar de vlakte waar hij Abel gedood had, Seth ging op een berg in de buurt van het Paradijs wonen. Ook Seth verbood zijn zonen en kleinzonen om zich te mengen met de dochters en kleindochters van Caïn. Tevergeefs, de kleindochters van Caïn waren even slecht als mooi - of andersom - en op den duur onweerstaanbaar. Deze verboden verbintenis leverde onmensen op: reuzen. Natuurlijk stonden deze hoogmoedige giganten op tegen hun Schepper, een tafereel dat sterk lijkt op de strijd die de Griekse Gyganten voerden tegen Zeus, die zich op de Olympus verschanst had en zich met bliksemschichten verdedigde.
    Maar gedurende de Middeleeuwen was men er op gezag van Methodius van overtuigd dat God de wereld niet onder water zette om van die reuzen af te komen. De werkelijke aanleiding was het gedrag van de kleindochters van Caïn, die hij "mulieres in vesania versae" noemt: vrouwen die in een staat van razernij verkeren. Die razernij uitte zich in seksueel wangedrag. Allereerst zijn zij overspelig (en incestueus) door de broers van hun echtgenoten te misbruiken. Vervolgens geven de kleinzonen van Caïn zich over aan mannen onder elkaar. Maar wat de deur dicht doet, is dat deze kleindochters van Caïn dermate van God los zijn dat zij boven op de kleinzonen van Seth kruipen.
    Deze analyse - girls on top - van de aanleiding tot de Zondvloed zegt niets over God en alles over Methodius. Die wist uit ervaring hoe de fine fleur van het (Oost)Romeinse Rijk zich gedroeg, alsook hoe machtig en verdorven de vrouwen aan het hof waren. Ook waren die vrouwen bijzonder bedreven in anticonceptie, zodat zij zich ongelimiteerd konden overgeven aan de dienst van Venus, en desondanks hun nageslacht beperken tot slechts één erfgenaam. Wat Methodius er over de welgevormde ruggen van de kleindochters van Caïn in wil stampen, is dat de levenswijze van het milieu waaruit hij voortkwam, doodzondig was in de ogen van zijn God, en dat Hij in het verleden de hele wereld onder water had gezet om een einde aan dit soort perverse praktijken te maken. Men was dus gewaarschuwd!

Maar waar had ik het eigenlijk over? O ja, over het Oog van de Naald en de Ark van Johan.
    Toen ik op het Internet op zoek ging naar de degelijkheid van de duiding van het Oog van de Naald als een poort in de muur van Jeruzalem - religieuze zaken zijn uitzonderlijk goed/compleet aanwezig op Internet - kwam ik erachter dat deze verklaring een mythe is. Hij hoort thuis in het rijtje onmogelijkheden: de moeder zal haar kind opeten - de splinter in het oog van de ander en de balk in het eigen oog - de maagd die een kind zal baren.
    De kameel is het grootste dier dat de Joodse gemeenschap met eigen ogen kon waarnemen. Het oog van de naald was in de Joodse beeldspraak de exemplarisch kleinste plek op aarde: voor twee vrienden is het oog van de naald groot genoeg, maar voor twee vijanden zelfs de wereld niet! Kortom, ik heb er alle vertrouwen in dat Johan Huibers deze hindernis neemt. En anders moet hij zich maar laten inspireren door Alexander de Grote, toen die eens in de knoop zat.

Wie denkt dat deze Noach de Tweede - hoevelen zullen hem al zijn voorgegaan zonder dat wij dat weten? - tevreden is als zijn ark de hindernis van het Schager kippebruggetje genomen heeft en koers gezet heeft naar de wereldzeeën, vergist zich. Uitgerekend in mijn woonplaats Zaandam heeft hij een loods op het oog waar hij de ark op ware grootte wil nabouwen. Alsjeblieft zeg! Zelfs Czaar Peter de Grote, die hier nog in de leer geweest is, heeft zich dat niet in zijn hoofd gehaald.
    Maar hoe groot was nou eigenlijk die Ark van Noë/Noach? Dat weten wij niet. De getallen in Genesis zijn niet reëel, maar symbolisch, en afgeleid van de Assyrische astronomie. Een getal is een aspect/facet van de Schepping: door de getallen te begrijpen, krijg je een dieper inzicht in Gods bedoeling(en) met de wereld. Jezus had twaalf apostelen, niet omdat hij er niet meer kon krijgen, maar omdat er twaalf windstreken zijn, en Gods woord over de hele wereld verkondigd moest worden, zodat niemand kon zeggen: nooit van gehoord...
    Volgens Genesis, hoofdstuk 6, regel 15 waren de door God verordonneerde maten: lengte 300 el, breedte 50 el en hoogte 30 el. So far so good. Maar hoe lang is een el? Bij de Romeinen - Hiëronymus, de vertaler van de Vulgaat was een Romein - was een cubitus even lang als anderhalve pedes (voet). Deze maten waren afgeleid van het ideale lichaam. Dus als een voet 30 centimeter gemeten wordt dan is een el 45 centimeter.
    In de loop der jaren echter heeft men de el niet meer beschouwd als de lengte van de onderarm, maar van de gehele arm, met als gevolg dat hij uitgroeide tot 69 centimeter. In 1820 heeft men hier te lande het metrieke stelsel ingevoerd en eenheid geschapen in de chaos van maten die in gebruik was. Elke stad had een andere el, een andere duim, een andere pint enzovoort. Bij die hervorming werd de lengte van de el bepaald op 1 meter.
    In feite hangt het er dus helemaal vanaf hoe groot Noë's voeten waren. Hij heeft - gehoorzaam als hij was, en zoals toen en gedurende de Middeleeuwen nog gebruikelijk was - de lengte van de ark afgepast met zijn eigen voeten. Mijn voeten meten 27 centimeter (maat 44/45). Een Kuiperse el zou dus circa 41 centimeter lang zijn. Maal 300 is dat 123 meter.

Het zal u niet verbazen dat middeleeuwse geesten die wel eens een zeewaardig schip voorbij hadden zien varen, moeilijk konden geloven dat Noë de hele fauna in een schuit van 300 cubitus kwijt kon. Natuurlijk twijfelden zij niet aan het verhaal zelf, maar zochten zij de fout in de getallen. Zij wisten immers uit ervaring hoe gevoelig getallen voor fouten waren.
    Helaas, ook de 'alwetende' (Flavius) Josephus had het over driehonderd ellen, en ook de andere maten klopten. Dat liet maar één uitweg open: ten tijde van Noë had men een andere el. Volgens Rabanus (Maurus, gest. 856) was die el 7 tot 9 keer langer dan de negende-eeuwse el. Deze mededeling was volstrekt geloofwaardig, die mensen toen werden immers ook 7 tot 9 keer ouder dan ten tijde van Rabanus (in kloosters) gebruikelijk was.
    Zo kon het gebeuren dat 'onze' Jacob, die als Bruggeling en als inwoner van de havenplaats Merlant een ervaringsdeskundige was voor wat betreft de grootte van schepen, op gezag van Rabanus (zonder die overigens te noemen) kon beweren:

     Hare ghescelpen was aldus:
      lanc was soe .ccc. cubitus.
1115     - elc cubitus in geometrie
      heft .ix. voete vrie -
      vijftech cubitus was soe hooch,
      scrijft Moyses, di'er niet omme en looch,
      .xxx. cubitus was soe wijt.
1120     Soe voerder up wart - t'alre tijt -
      so soe emmer naude ende loec.
      In't upperste so ne was soe oec
      maer .i. cubitus wijt ende lanc.
      Onder in den nedersten ganc
1125     viercante. [...]
Volgens Jacob was de ark dus minstens 9 x 123 = 1107 meter lang, van onderen vierkant, en liep hij naar voren en naar boven in een punt toe, wat - als u het mij vraagt - meer in de richting komt.

---

Links:


[Dit nummer][Archieven Kuiper]