0604.23 Terug
Vooruit 0604.25

Rec: 0604.24

Date: 31 maart 2006
From: elisabeth meyer <lillymeyer@hotmail.com>
Subject: Rec: 0604.24: Recensie door Elisabeth Meyer van: Het Gaesdonckse-traktatenhandschrift. (Hilversum 2005)

Recensie

Het Gaesdonckse-traktatenhandschrift. Olim hs. Gaesdonck, Collegium Augustinianum, ms. 16. Diplomatische editie op basis van foto's uit de Titus Brandsmacollectie bezorgd door Marinus K.A. van den Berg met een beschrijving en een codicologische reconstructie van de bron door Hans Kienhorst. Hilversum, 2005 (Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden, IX). 373 blz.; ills.; EUR 30,00; isbn 90-6550-787-6.
Met het 'Gaesdonckse-traktatenhandschrift' is deel IX van de in 1994 begonnen en inmiddels bekende reeks Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden (MVN) verschenen (deel X is al sinds 2004 verkrijgbaar, de nummering richt zich naar de volgorde van planning). Het zijn deel voor deel door uitgeverij Verloren goed verzorgde en tevens mooi ogende boeken, gebonden in linnen, met stofomslag en leeslint; met gemiddeld bijna één deel per jaar zeker ook een levendige reeks. Wie echter geïnteresseerd is in de andere publicaties uit deze serie, kan hierover helaas geen informatie in het pas verschenen boek vinden - (hoewel de samenstelling van reeksen toch bijna net zo interessant is als die van verzamelhandschriften!). Ik verwijs daarom naar de website van het Huygens Instituut, onder welks auspiciën deze reeks verschijnt: http://www.huygensinstituut.knaw.nl (Projecten-Middeleeuwen-MVN). Dit is trouwens het laatste deel van de MVN dat uitsluitend als gedrukte publicatie verkrijgbaar is. Alle navolgende uitgaven zullen (ook) in digitale vorm verschijnen, bovendien zullen er dan ook kritische tekstedities volgen. Ook hierover is meer informatie op bovengenoemde website te vinden.

'Het Gaesdoncksche-traktatenhandschrift' is, tenminste wat de handschriftelijke overlevering betreft, een bijzondere uitgave: er ligt namelijk een codex aan ten grondslag die niet meer bestaat. Het middeleeuwse verzamelhandschrift zelf is tijdens WO II, in 1944, bij de bombardementen op Münster - waar het juist uit veiligheidsoverwegingen naartoe werd gebracht(!) - verbrand. Dat deze editie nu toch mogelijk is, danken we aan een initiatief van de karmeliet prof. dr. Titus Brandsma, die als expert op het gebied van de Nederlandse mystiek in de jaren dertig van de vorige eeuw foto's liet maken van werken met zuiver godsdienstige ofwel geestelijke inhoud. De huidige uitgave is op deze foto's gebaseerd. Het feit dat met deze editie een handschrift bijna letterlijk als een feniks uit de as herrijst, mag wellicht al voldoende reden zijn voor opname in de MVN-reeks. Toch zou een wat meer uitgebreide motivatie voor deze uitgave verhelderend geweest zijn dan (o.a.) gegeven is in het Woord vooraf: 'Het handschrift is bijzonder wegens de mystieke traktaten die erin staan' (p. 8). Er bestaan immers relatief veel Middelnederlandse verzamelhandschriften.

Kort iets over de historie van het verloren handschrift. Hiervoor wil ik graag allereerst verwijzen naar de uiterst compacte, informatieve samenvattingen in het Duits en Engels achter in het boek (p. 368-371) en zelfs aanbevelen om deze als introductie tot de editie te lezen. Het papieren handschrift in octavoformaat is ongeveer tussen de jaren 1550-1570 in het Arnhemse regularissenklooster St. Agnes ontstaan. Tijdens de onrustige periode van de Reformatie werd het verzamelhandschrift ondergebracht in het net over de Duitse grens gelegen klooster Gaesdonck, dat sedert 1430 deel uitmaakte van de Congregatie van Windesheim en verantwoordelijk was voor de zielzorg van de zusters van het St. Agnietenklooster. De codex omvatte 267 beschreven folia met 48 verschillende tekstjes en teksten, soms in versvorm maar merendeels in proza, waaronder het passiegedeelte uit een evangeliënharmonie (fol. 1r-34v), preken van bekende mystieke auteurs als Eckhart, zijn leerlingen Suso en Tauler en werken van Ruusbroec. Het handschrift dateert uit de 16de eeuw en is een illustratie van de langdurige receptie van mystieke middeleeuwse werken, met name uit de veertiende eeuw in de kringen van de Moderne Devoten. In deze uitgave krijgt de codex de 'noodnaam' (p. 8) 'Het Gaesdonckse-traktatenhandschrift'. Deze moet recht doen aan de heterogene samenstelling van het handschrift, maar concentreert zich in feite te zeer op de in totaal vijf (gelijknamige) 'Gaesdonckse traktaten' in het handschrift (fol. 35r-75v). De 'wordingsgeschiedenis' van de handschriftennaam wordt in het 'Woord vooraf' echter goed toegelicht en dat is prijzenswaardig. Het gaat hierbij immers om een probleem waarmee moderne editoren van handschriften, in het bijzonder van verzamelhandschriften, altijd te maken hebben. Bovendien kan de uiteindelijke beslissing de (wetenschappelijke) perceptie van een codex in niet onbelangrijke mate bepalen. Ik zelf zou de voorkeur hebben gegeven aan een titel die aangeeft dat de codex uit het Arnhemse vrouwenklooster stamt - dit is immers zowel een belangrijk als ook vaststaand gegeven uit de ontstaansgeschiedenis. Maar hoe moeilijk een goede benaming is, blijkt uit het feit dat ik hier geen bondig alternatief kan suggereren.

Na het 'Woord vooraf' volgt een uitgebreide inleiding op de teksteditie volgens de 'Richtlijnen voor de uitgave van de Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden' (voetnoot: Th. Mertens, Richtlijnen voor de uitgave van Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Geredigeerd onder verantwoordelijkheid van de projectcommissie "Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden". Hilversum, 1994 [ook afgedrukt in het eerste deel van de reeks].). Dit betekent o.a. dat de nadruk ligt op de materiële aspecten, de codicologische en paleografische beschrijving van het handschrift, met name als verzamelhandschrift, en niet bijvoorbeeld op een inbedding in een brede cultuurhistorische context - waarvoor dikwijls langdurig onderzoek vereist is. Op de eerste pagina's van de inleiding staan de eerder genoemde Nijmeegse hoogleraar Titus Brandsma en het ontstaan van de fotocollectie centraal; die zijn immers van cruciaal belang voor deze uitgave ('Titus Brandsma en de mystiek', p. 9-11). Vervolgens wordt de 'Stand van het onderzoek' samengevat (p. 11-13). Volgens de 'Richtlijnen' moet het hierbij om een bondige uiteenzetting gaan en aan deze eis wordt beslist voldaan. Dat is tegelijkertijd ook spijtig, want juist in dit gedeelte had - tenminste voor zover bekend - nog net iets meer over de inhoud en aard van de in deze codex gecompileerde teksten uit de doeken kunnen worden gedaan. Deze opmerking richt zich echter eerder tegen de richtlijnen voor de MVN-reeks dan tegen de toepassing daarvan in dit deel. Een kritische kanttekening wil ik ten opzichte van een geheel ander, ook minder principieel, punt plaatsen. In het begin van 'Stand van het onderzoek' wordt toegelicht, dat de volgorde van de bespreking van de wetenschappelijke publicaties zich richt naar het voorkomen van de teksten in het handschrift waarop ze betrekking hebben (voetnoot 6, p. 11). Dit is echter niet het geval. Zo wordt eerst een editie van 'Een inwendig sprack der zielen myt Jhesum', tekst 17 (fol. 164r-v) uit het jaar 1914 genoemd, vervolgens een studie uit 1953 waarin het om de 'Gaesdonckse traktaten', teksten 3-7 (fol. 35r-75v), gaat, en dan een bijdrage uit 1980 over het 'Geestboec', tekst 16 (fol. 1253-164r) etc. Hierdoor wordt, wat eigenlijk een toegankelijk overzicht had moeten zijn, simpelweg te rommelig. Bovendien verbaast het enigszins om de meest recente publicatie met betrekking tot deze codex - een artikel van Van Dijk over het tweede 'Gaesdonckse traktaat' (2002) - uitsluitend in de literatuuropgave (p. 353-357) te vinden; des te meer omdat er na 1945 (overigens om begrijpelijke redenen) zo weinig onderzoek naar dit handschrift werd gedaan.

De codicoloog Hans Kienhorst heeft ook voor dit deel van de MVN-reeks (evenals voor o.a. deel I en VIII) de uitvoerige en nauwkeurige 'Beschrijving van het handschrift' (p. 13-37) verzorgd. Zoals in het 'Woord vooraf' terecht wordt opmerkt, was het ongetwijfeld een monnikenwerk - en in zekere zin haast criminologisch onderzoek - om aan de hand van foto's een codex te reconstrueren en te dateren, verschillende handen te onderscheiden etc. Kienhorst kon o.a. op een zeer uitvoerige handschriftenbeschrijving van de Berlijnse bibliothecaris Christ uit het jaar 1910 bouwen. Hij heeft deze echter ook ruimschoots aangevuld en gecorrigeerd. Kienhorst komt tot de conclusie dat het bij het handschrift om een 'homogenetische composiet' (p. 20) gaat - een pas in 2004 door de codicoloog Gumbert geïntroduceerde term - en dat betekent dat de verschillende (in totaal zeven) eenheden, waaruit het verzamelhandschrift is gecompileerd 'in dezelfde kringen in dezelfde tijd zijn gemaakt' (p. 20). Niet geheel zeker is echter of het van meet af aan in de bedoeling lag om de verschillende katernen tot een boek samen te voegen. Een uitdagende vraag voor verder onderzoek dus. Daaruit zou kunnen blijken dat het op het eerste gezicht zo 'heterogene karakter' van de teksten (zie verder boven) te veel vanuit ons huidige gezichtspunt is geredeneerd? Wellicht hadden de inhoudelijk verschillende teksten wel alle dezelfde functie in het kloosterleven? In de Duitse en Engelse samenvatting wordt in elk geval gesteld, dat de tekstinterpunctie erop wijst, dat de codex werd gebruikt om hieruit tijdens de maaltijden in de refter voor te lezen (p. 368 en 370). Helaas wordt dit gegeven - waarmee de teksten een redelijk vast omlijnde plaats in het kloosterleven van de 16de eeuw krijgen - pas in de samenvatting voor het eerst vermeld. Deze conclusie aan het eind van het boek komt ook daarom verrassend, omdat de interpunctie in de diverse teksten nogal van elkaar verschilt (zie p. 22-37).

Spannend is het stuk over de 'Datering en herkomst van het handschrift' waarin voor het eerst paleografische bewijzen worden geleverd, dat de codex daadwerkelijk aan het St. Agnietenklooster heeft toebehoord. Door een vergelijking met een ander handschrift, dat zeker in dit klooster werd geschreven en waarin de naam van de kopiiste, zuster Alberta van Middachten, is vermeld, kon de passieharmonie (fol. 1-34v) van 'Het Gaesdonckse-traktatenhandschrift' aan deze schrijfster worden toegeschreven. Zij was tussen 1542 en 1570 zuster in het Arnhemse klooster. Dit is vanzelfsprekend een belangrijk gegeven voor de datering, maar dit soort feiten doen ons achter middeleeuwse handschriften vooral ook mensen zien.

Dit deel van de MVN-reeks omvat voor het eerst een analyse van 'De taal van het handschrift' (p. 39-43) en dat is zeker een waardevolle uitbreiding van de eerder genoemde 'Richtlijnen'. Deze analyse werd verzorgd door Amand Berteloot en is ook voor niet-taalkundigen goed begrijpelijk geformuleerd. Het taalkundig onderzoek bevestigt enerzijds de herkomst van het handschrift uit de regio Arnhem, maar opent tevens perspectieven voor verder onderzoek naar de herkomst van de teksten, die voor dit boek werden gekopieerd.

Het meest belangrijke en omvangrijke deel van deze pas verschenen uitgave is natuurlijk de accurate - zo ver dit valt te beoordelen aan de hand van de afgedrukte handschriftenfoto's - teksteditie door Marinus van den Berg (p. 67-351). Het gaat om een diplomatische editie, dus een (verregaand) precieze weergave van de handschriftelijke tekst zonder correcties van fouten etc. ofwel tekstkritiek, zoals voor de MVN-reeks is vastgelegd. Op pagina 60 wordt een korte maar heldere 'Verantwoording van de editie' gegeven, waarbij in principe van de 'Richtlijnen' wordt uitgegaan en slechts aspecten worden genoemd, die ten opzichte daarvan werden aangepast. Een belangrijke ingreep van de tekstediteur betreft de gekozen lay-out. Terwijl in de inleiding tot de editie juist wordt vastgesteld dat de middeleeuwse kopiisten onder een opvallende 'horror vacui' (p. 36) leden, zijn in het drukwerk de afzonderlijke teksten telkens door witregels van elkaar gescheiden en is ook rond de opschriften steeds ruimte gelaten. Een naar mijn mening goede beslissing, omdat hierdoor de afzonderlijke teksten toegankelijker en leesbaarder worden. Toch moet de lezer zich ervan bewust zijn, dat de editeur met deze ingreep tot op zekere hoogte ook tekstinterpreterend bezig is. Hij bepaalt immers duidelijk waar de afzonderlijke teksten eindigen en beginnen. De als bijlage opgenomen 'Concordantie' (p. 372-373) geeft echter uitstekend aan dat in vroegere inhoudsbeschrijvingen van deze codex juist op dit vlak soms geheel andere beslissingen werden genomen. Bovendien laten de verschillende opgenomen handschriftenfoto's de middeleeuwse 'schrik van het luchtledige' (bv. afb. 12, 15 en 16) goed zien. In totaal zijn in deze uitgave 18 foto's van het verbrande handschrift afgedrukt, waaronder van alle handen tenminste één, en deze geven natuurlijk de beste indruk van het oude werk.

De in het geheel zeer goed verzorgde editie wordt afgerond met een drietal nuttige registers op opschriften, incipits en namen & plaatsen (p. 358-363). Met deze uitgave staat het verdere onderzoek naar de inhoud van dit verloren handschrift - waarin een aanzienlijk aantal mystieke teksten uit zowel het Rijnland als ook Brabant en het huidige Noord-Nederland is verzameld - hopelijk niets meer in de weg.

Afsluitend wil ik nog attenderen op de toespraak die dr. R. van Dijk, O. Carm., ter gelegenheid van de presentatie van 'Het Gaesdonkse-traktatenhandschrift' op 2 februari 2006 hield: http://www.carmeliteinstitute.nl/gaesd-Trakths%20art.pdf

Elisabeth Meyer


[Dit nummer]