0605.24 Terug
Vooruit 0605.26

Rub: 0605.25

Date: 25 mei 2006
From: P.J. Verkruijsse <p.j.verkruijsse@uva.nl>
Subject: Rub: 0605.25: Hora est! Promoties I.R. Vermeulen op do 1 juni, M. Seyfeddinipur op di 6 juni, D. Smakman op ma 12 juni en G.J. Rutten op do 6 juli 2006, allevier in Nijmegen

Hora est!

Dinsdag 30 mei 2006, 10.30 uur: Aula Radboud Universiteit Nijmegen.
J.F.M. Wilbrink: Amplexio Dei - de omarming gods. Vergelijkend onderzoek van de mysticologische en sociologische profielen van Hildegard van Bingen en Hadewijch van Brabant.
Promotor: prof. dr. P.J.A. Nissen.
Hildegard van Bingen en Hadewijch van Brabant zijn twee opmerkelijke vrouwelijke mystieken uit respectievelijk de twaalfde en de dertiende eeuw. Promovendus Hans Wilbrink vergelijkt in zijn proefschrift beide middeleeuwse mysticae systematisch met elkaar. Het onderzoek betreft zowel de theologische basisstructuren van hun werk als hun sociologische profielen. Ook analyseert de promovendus hoe zelfbewust de kloosterzuster Hildegard en de begijn Hadewijch in het leven stonden. Via deze invalshoek worden interessante conclusies geformuleerd over de 'mystiek van de uitkeer' bij Hildegard en de 'mystiek van de inkeer' bij Hadewijch. Ook wordt een opmerkelijke hypothese uitgewerkt over Hadewijchs mogelijke verblijf in Luik en in de nabijheid van het klooster van Villers.
    Het onderzoek belicht het fenomeen mystiek vanuit verschillende invalshoeken: vanuit de theologie, vanuit de literatuurwetenschap en vanuit de sociale wetenschappen. De opmerkelijke rol van charismatische vrouwen in de twaalfde en dertiende eeuw heeft destijds geleid tot maatschappelijke veranderingen met name ten aanzien van de mannelijke suprematie in religieuze aangelegenheden. Daarom is dit onderzoek ook vanuit genderperspectief gezien interessant.
    Hans Wilbrink (Gendringen, 1949) is neerlandicus en sociaal wetenschapper met een bijzondere belangstelling voor theologie. Hij is directielid van een scholengemeenschap voor vmbo, havo en atheneum. Hij werd bij het schrijven van zijn proefschrift begeleid vanuit het Research Institute for Theology and Religious Studies door Peter Nissen, hoogleraar Kerkgeschiedenis. E-mail: hwilbrink@wxs.nl. Handelseditie Shaker, Maastricht. Tel: +31 (0)43-3500424.


Donderdag 1 juni 2006, 13.45 uur, Auditorium Vrije Universiteit
Mevrouw I.R. Vermeulen: Picturing Art History. The rise of the illustrated history of art in the eighteenth century.
Promotor: prof. dr. I.M. Veldman.

De gewoonte om illustraties op te nemen in boeken over kunst, blijkt ooit gestart in de achttiende eeuw. Toen was fotografie nog niet uitgevonden, maar maakten geleerden voor het eerst op grote schaal gebruik van reproducties in de vorm van prenten en tekeningen. Ingrid Vermeulen besteedt in haar proefschrift aandacht aan drie geleerden die aan de wieg stonden van de geïllustreerde geschiedenis van de kunst, Bottari (1689-1775), Winckelmann (1717-1768) en Seroux d'Agincourt (1730-1814).
    Illustraties werden in die tijd niet gebruikt uit liefde voor mooi vormgegeven boeken, maar vanwege een nieuwe opvatting over de geschiedenis van de kunst. De wens om artistieke ontwikkelingen als het ware voor je te zien afspelen - als in een stripverhaal - en de overtuiging dat alleen op die manier de kunstgeschiedenis kon worden gekend, motiveerden de aanleg van reeksen illustraties in verzamelingen en boeken. In een goede reeks platen openbaarde het artistieke verleden zich pas echt.
    In haar proefschrift bespreekt Vermeulen de invloed van achttiende-eeuwse geleerden Bottari (1689-1775), Winckelmann (1717-1768) en Seroux d'Agincourt (1730-1814). Hun toepassing van reproducties leverde een belangrijke, maar tot nog toe vrijwel vergeten bijdrage aan het vak kunstgeschiedenis. Zij experimenteerden in papieren verzamelingen met kunsthistorische ordeningen en met de aard van selecties. Ze bediscussieerden ook kwesties van kennerschap en de betrouwbaarheid van reproducties. Dankzij hun interesse voor afbeeldingen werd Michelangelo's Sixtijnse plafond, één van de hoogtepunten uit de Renaissance, voor het eerst gereproduceerd en opgenomen in een kunsthistorisch beeldverhaal.


Dinsdag 6 juni 2006, 15.30 uur, Aula Radboud Universiteit Nijmegen.
Mevrouw M. Seyfeddinipur: Disfluency: Interrupting speech and gesture.
Promotor: prof. dr. S.C. Levinson; copromotores: dr. P. Indefrey, dr. S. Kita.

In alledaagse gesprekken gebeurt het regelmatig dat een spreker een woord of zin afbreekt of verbetert. Zulke spreekfouten zijn interessant, omdat ze de complexe processen blootleggen die aan het plannen van gesproken taal ten grondslag liggen. Omdat de spreker ernaar streeft dat de informatie die hij geeft correct en goed te begrijpen is, volgt hij zijn eigen spraak nauwlettend en toetst hij voortdurend of wat hij zegt toepasselijk en correct is. Als hij een fout tegenkomt, moet hij vervolgens beslissen hoe hij daar mee omgaat. De vraag is dan of, wanneer en op welke manier hij zijn eigen spraak onderbreekt om de fout te herstellen. Eén mogelijkheid is dat de spreker direct na het ontdekken van een fout zijn spraak onderbreekt. Op die manier zorgt hij ervoor dat de luisteraar zo weinig mogelijk foutieve informatie te horen krijgt. Risico hierbij is dat er haperingen en pauzes in het gesprek voorkomen. Mandana Seyfeddinipur onderzocht in haar proefschrift hoe sprekers omgaan met vloeiendheid en correctheid als ze tijdens het spreken problemen ondervinden. Daarnaast gaat ze in op het effect van versprekingen op spraakbegeleidende gebaren.
    Mandana Seyfeddinipur (Offenbach, Duitsland, 1967) studeerde aan de Freie Universität Berlin in Duitsland en voerde haar onderzoek uit binnen het Nijmeegse Max Planck Institut voor Psycholinguïstiek en het Centre for Language Studies van de Radboud Universiteit.


Maandag 12 juni 2006, 15.30 uur, Aula Radboud Universiteit Nijmegen.
D. Smakman: Standard Dutch in the Netherlands. A Sociolinguistic and phonetic description.
Promotor: prof. dr. R. van Hout; copromotor: mevrouw dr. R. van Bezooijen.

De Nederlandse standaardtaal, het Algemeen Beschaafd Nederlands, is al sinds haar ontstaan in de vijftiende en zestiende eeuw het onderwerp van levendige discussie. De mening van de gewone Nederlander is hierin altijd onderbelicht gebleven. Dit is de eerste uitgebreide studie naar de oordelen van deze groep over de Nederlandse standaardtaal: wat is hun definitie van deze taalvariant en hoe wordt deze volgens hen uitgesproken? Niet één maar twee standaardtalen blijken in Nederland te bestaan; één met veel sprekers en één voor de puriteinse elite. Verder blijken Nederlanders in vergelijking met mensen in andere landen hypergevoelig te zijn voor uitspraakvariatie. De onderzochte ABN-sprekers - onder wie Harmen Siezen, Joop van Zijl, Pia Dijkstra en Hennie Stoel - spreken sommige klanken modern en andere weer conservatief uit. Bovenal viel op dat terwijl deze journaalvariant als onnatuurlijk te boek staat, zij toch onvoorwaardelijk wordt omarmd en wel als stabiele factor in het onrustige Nederlandse taallandschap.
    Dick Smakman (Eindhoven, 1970) is afgestudeerd in de taalwetenschap aan de Radboud Universiteit en in de Engelse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Tussen 1996 en 2001 was hij AiO taalwetenschap in Nijmegen. Sinds 2005 is hij docent Engelse taalvaardigheid aan de Universiteit Leiden. Dit promotieonderzoek valt onder het Centre for Language Studies van de Radboud Universiteit. E-mail: d.smakman@let.leidenuniv.nl.


Donderdag 6 juli 2006, 13.30 uur, Aula Radboud Universiteit Nijmegen.
G.J. Rutten: De Archimedische punten van de taalbeschouwing. David van Hoogstraten (1658-1724) en de vroegmoderne taalcultuur.
Promotor: prof. dr. G.R.W. Dibbets.

In het dagelijks leven was David van Hoogstraten (1658-1724) conrector van de Latijnse school in Amsterdam. In zijn vrije tijd boog hij zich over poëzie en taalkunde. Het baarde hem zorgen dat steeds meer Nederlandse auteurs moeite hadden het geslacht van het zelfstandig naamwoord correct te gebruiken. Hij besloot er iets aan te doen. Een alfabetische lijst van zelfstandige naamwoorden met vermelding van het juiste geslacht was het resultaat. De lijst kende succes. Tijdens Van Hoogstratens leven verschenen drie drukken en later in de achttiende eeuw nog eens drie. Het boekje heeft daarmee grote invloed gehad op de ontwikkeling van het Standaardnederlands.
    In een brede, cultuurhistorische analyse van de vroegmoderne taalkunde toont dit boek aan dat we de taalkundige activiteiten van Van Hoogstraten moeten opvatten als onderdeel van een algemeen streven naar een cultuur van geletterdheid. Van Hoogstraten wilde dat de Nederlandse taalcultuur zich zou kunnen meten met die van vergelijkbare groepjes in Frankrijk en Duitsland. Onmisbaar voor een gecultiveerd taalgebruik vond hij een correct gebruik van het grammaticaal geslacht.
    Gijsbert Rutten (Heerlen, 1977) promoveert bij de afdeling Nederlands van het Institute for Historical, Literary and Cultural Studies van de Radboud Universiteit. Rutten is bestuurslid van het Peeter Heynsgenootschap voor de geschiedenis van het talenonderwijs (zie http://www.peeterheynsgenootschap.nl) en redactiesecretaris van Nederlandse Taalkunde. Momenteel werkt hij als docent Nederlands en NT2 in het voortgezet onderwijs en in de volwasseneneducatie. Zie ook http://www.gijsbertrutten.nl. E-mail: g.rutten@let.ru.nl.


[Dit nummer][Hora est!][Agenda]