| 0605.38 |
|
|
|
0605.b |
|
Lit: 0605.39
Date: Wed, 31 May 2006 15:11:42 +0200
Te verschijnen
In verschillende artikelen en interviews heeft Thomas Vaessens, pas benoemd als hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, in de afgelopen maanden de stelling verdedigd dat er een onoverbrugbare kloof is ontstaan tussen het (lees)publiek en de 'officiële' poëzie, zoals die door een kleiner en machtelozer geworden elite van kenners en critici gekoesterd wordt. De literaire elite, die ooit met succes een plaats voor de poëzie bevocht in de maatschappij, is zich sedert dertig jaar aan het terugtrekken in haar steeds minder zichtbare niche. Jonge dichters betreden podia en zoeken hun heil op Internet. Maar de critici, wetenschappers en leraren die de vernieuwing aan de man zouden moeten brengen, blijven verdwaasd in hun kelders achter. Zo gaat het niet goed. Vaessens' observaties oogstten grote verontwaardiging bij diverse vertegenwoordigers van het oude literaire establishment. Daarbij werd vooral gedacht dat de jonge hoogleraar met opgeruimd gemoed het Einde Van De Poëzie kwam verkondigen. Met Ongerijmd succes dient Vaessens zijn criticasters overtuigend van repliek. Vaessens toont ons in zijn nieuwe boek een genre dat in de negentiende-eeuwse romantiek opgezadeld werd met verwachtingen en pretenties die inmiddels óók hinderen. Bijvoorbeeld als we poëzie bij jonge lezers onder de aandacht willen brengen. Wat is tegenwoordig de rol van onderwijs en literatuurgeschiedenis? Na een ruimhartig en helder onderzoek toont Thomas Vaessens zich niet bezorgd over de toekomst van poëzie, zolang we in de bres springen voor wat blijvend van waarde is.
"Vaessens denkt niet dat romans en gedichtenbundels een student in
de letteren nog veel te zeggen hebben" (Carel Peeters in Vrij
Nederland)
|