|
Col: 0608.17
Date: Fri, 25 Aug 2006 09:35:11 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.ru.nl>
Subject: Col: 0608.17: Linguïstisch Miniatuurtje CXIV: Sonja barend
Linguïstisch Miniatuurtje CXIV: Sonja barend
Op teletekst las ik de aankondiging dat Sonja Barend overweegt om
een punt te zetten achter haar televisiecarrière. Het
berichtje (dat een beetje las als een necrologie) vermeldde de
hoogtepunten uit die
carrière, en eindigde met een gevleugeld woord dat dankzij
Sonja in het Nederlands is opgenomen: Voor straks lekker slapen
en morgen gezond weer op.
Als ik de naam Sonja Barend hoor, moet ik trouwens altijd even
denken aan professor Van den Toorn, die ik bijna dertig jaar geleden
assisteerde bij het geven van de colleges zinsontleding. Voor de
uitleg van de bepaling van gesteldheid had Van den Toorn een
voorliefde voor de voorbeeldzin Gisteren zagen wij Sonja
Barend, waarvan de grap was dat je die zin ook kon begrijpen als
Gisteren zagen wij Sonja barend. Predikatieve toevoeging, in
plaats van achternaam.
Misschien hield ik niet van naamgrapjes, of ik kon Van den Toorns
veelbetekenende blik bij het uitspreken van die zin niet onder de
knie krijgen, ik weet het niet, maar ik heb die voorbeeldzin nooit
gebruikt. Ook niet jaren later, toen ik wel eens overwogen heb om
bij het uitleggen van de bindingstheorie aan studenten generatieve
grammatica de voorbeeldzinnen Wij aten de kroketten opgewarmd
(goed) en Wij aten van de kroketten opgewarmd (fout) te
vervangen door Gisteren zagen wij Sonja Barend (dubbelzinnig)
en Gisteren keken wij naar Sonja Barend (niet dubbelzinnig).
Eerlijk gezegd vond ik die tweede zin namelijk wél
dubbelzinnig, maar dat zal wel komen omdat ik dat beeld niet uit
mijn hoofd kon krijgen van Sonja die met gebroken vliezen in
barensnood ligt te steunen en kreunen. Ook de vervanging door het
meer hilarische Gisteren zagen wij Frits Barend gaat nog
steeds mijn voorstellingsvermogen te boven.
Maar terug naar Voor straks lekker slapen en morgen gezond weer
op. Hoe zit die zin in elkaar? Allereerst die tijdsbepaling
Voor straks. Je kunt niet zeggen Ik ga voor straks lekker
slapen, dus voor straks is geen eenvoudige tijdsbepaling
bij het gezegde lekker slapen. En als voor straks dat
niet is, dan is morgen dat waarschijnlijk ook niet. Immers,
voor straks contrasteert met morgen. Je kunt
morgen niet ongestraft achteraan de zin plaatsen, wat je met
normale tijdsbepalingen wel zou moeten kunnen. De zin Voor straks
lekker slapen en gezond weer op morgen is ontegenzeggelijk krom.
Wat is lekker slapen, zonder die tijdsbepaling, voor een zin?
Een gebiedende wijs, zou je zeggen, vergelijkbaar met Hier
komen! Niet voeren! Even oppassen!
Die gedachte wordt ondersteund door de vaststelling dat het
weggelaten onderwerp, zoals bij alle gebiedende wijzen, jij
is. Dat kun je zien als je het werkwoord vervangt door een
wederkerend werkwoord, bijvoorbeeld Lekker jezelf verwennen!
Dan krijg je het wederkerend voornaamwoord jezelf, wat wijst
op een weggelaten onderwerp in de tweede persoon.
Volgens de ANS "komt [het gebruik van de infinitief als imperatief]
vooral veel voor in opschriften, wanneer de aanspreking niet tot een
bepaalde persoon gericht is", maar dat lijkt me op zijn minst niet
volledig. Die gebiedende wijs is hier natuurlijk niet als gebod
bedoeld, maar als een wens. Lekker slapen betekent
niet "je moet lekker slapen", maar een beetje archaïsch gezegd:
"moge je lekker slapen". Die tijdsbepaling Voor straks hoort
niet bij het gezegde lekker slapen, maar bij die wens. Meer
precies gezegd: bij het modale werkwoord dat hier, net als het
onderwerp, weggelaten is.
Sonja's uitspraak biedt nog een tweede aanwijzing dat er een modaal
werkwoord is weggelaten. Dat is het tweede deel van de
nevenschikking: en morgen gezond weer op. Ook daar moet de
tijdsbepaling begrepen worden bij de wens, maar dat is niet zo
makkelijk aan te tonen. Er is echter nog iets anders.
Als we even afzien van die tijdsbepalingen, dan luidt de uitspraak
Lekker slapen en gezond weer op. Wat is dat voor een
nevenschikking? Gezond weer op lijkt een combinatie van een
bepaling van gesteldheid (gezond), een modaalpartikel
(weer), en het woordje op. Wat is dat woordje
op?
Is dat een naamwoordelijk deel van het gezegde ("wij zijn al op")?
Dat zou erg vreemd zijn, want dan heb je een nevenschikking van een
werkwoordelijk gezegde (lekker slapen) en een naamwoordelijk
deel (op). Dat kan helemaal niet! Kijk maar naar een
vergelijkbare zin met een heel duidelijk naamwoordelijk deel:
lekker slapen en gezond weer fit. Ongrammaticaal, zou ik
zeggen.
Nee, op lijkt me geen naamwoordelijk deel, maar het
werkwoordpartikel van het werkwoord opstaan. Dat betekent:
het werkwoord staan is weggelaten. Er staat eigenlijk
Lekker slapen en gezond weer opstaan, en staan is dan
weggelaten. Mag dat zomaar?
Je kunt in het Nederlands niet zomaar in het wilde weg werkwoorden
gaan weglaten. Een van de gevallen waarin dat echter wél kan,
is als het werkwoord zelf weinig betekenis heeft, en voorzien is van
een modaal hulpwerkwoord: ik moet nog één pagina
(lezen), kan ik al
weg(gaan)? In deze zinnen is telkens sprake van een modaal
hulpwerkwoord (moeten, kunnen), en een "semantisch
arm" werkwoord (lezen, gaan), dat reconstrueerbaar is
uit de rest van de zin. Maar dat betekent dat we moeten aannemen dat
ook in gezond weer op een modaal hulpwerkwoord staat (dat
weliswaar is weggelaten, maar toch).
De uitspraak Voor straks lekker slapen en morgen gezond weer
op is dus een voorbeeld van zeer efficiënt taalgebruik,
waarbij van alles is weggelaten dat kan worden gereconstrueerd uit
de syntactische constructie. Eigenlijk staat er, een beetje
schematisch: "Voor straks: moge je lekker slapen en voor morgen:
moge je gezond weer opstaan". Maar op die manier gezegd zou het
nooit zo'n gevleugeld woord zijn geworden.
|