| 0610.48 |
|
|
|
0610.b |
|
Rea: 0610.49
Date: 23 oktober 2006
Taalkundigen en spellingmuizenissenOngehoord! De spellingregelingen blijken het werk van taalkundigen! Die van 1804/1805 (Siegenbeek), van 1863/1866 (De Vries en Te Winkel), van 1954 (commissie-Van Haeringen), en van 1995 (commissie-Geerts en Taaladviescommissie), en ook de spellingactualisering van 2005 (Werkgroep Spelling Nederlandse Taalunie). Marc van Oostendorp (noot 1) kapittelt de betrokken taalkundigen met recht en reden: daar moet je niet aan meewerken; wij hebben geen tijd voor muizenissen, stort je liever op de wonderen van de menselijke taal."Taalkundigen zouden zich helemaal niet met spellingsregels moeten bemoeien, vind ik, behalve misschien om ze te bestuderen en daar dan geleerde studies over te schrijven", schrijft Van Oostendorp. Groot gelijk. Taalkundigen komen voor in soorten: lexicologen en lexicografen, fonologen en morfologen, semantici en syntactici, psycholinguïsten, sociolinguïsten, taalonderwijskundigen, en combinaties van dat alles. Sommigen van hen onderzoeken de systematiek van de klank-letterkoppelingen (spellingregels), hoe taalgebruikers die koppelingen maken, of en hoe betekenis daar een rol bij speelt, hoe mensen daarmee lezen en schrijven, en hoe ze dat léren, hoe dat gaat bij Nederlandstaligen en anderstaligen, en in andere talen, hoe dat in het verleden was, hoe dat loopt bij mensen met leerproblemen of dyslexie, welke effecten verschillende leermethodes hebben. Ze werken met teksten corpora en proefpersonen, ze vergelijken spellingsystemen in verschillende talen, ze zetten geheugen-, leer- en andere experimenten op. Daar schrijven die onderzoekers dan "geleerde studies" over, die jammer genoeg "oninteressante" inzichten opleveren. Bijvoorbeeld dat (leren) lezen en schrijven gefaciliteerd kunnen worden, of juist tegengewerkt, door welbepaalde kenmerken van een spellingsysteem (Engels, Frans, Nederlands, Fins). Of dat zulke kenmerken interageren met de werking van ons geheugen en onze interne taalprocessor. Hoe ons brein intenties omzet in woorden en in spellingrepresentaties, en van spellingvoorstellingen tot betekenissen komt. Tot zelfs inzichten in de menselijke cognitie. Van Oostendorp heeft gelijk "dat de spelling zo ongeveer het oninteressantste is dat er bestaat." Na vele jaren klachten over de moeilijke leerbaarheid en werkbaarheid van de spelling beslist de overheid daar iets aan te doen. Daarvoor heeft ze een commissie nodig. Met wie bevolk je zo'n commissie: gelijk wie kan lezen en schrijven, politieagenten, literaire schrijvers, journalisten, copywriters, cartoonisten, bedienden, informatici, leesmoeders, leraren? Allen zijn zij op hun manier spellingdeskundige. Om onbegrijpelijke redenen gaf de overheid in 1954, 1995 en 2005 echter de voorkeur aan taalkundigen. Daar hadden die nooit op moeten ingaan. Hun diepere zielenroerselen zijn niet bekend, maar het zou niet verbazen mocht blijken dat sommigen van hen het naïefweg vonden dat ze hun kennis en hun enthousiasme voor de taalwonderen ook een keer maatschappelijk moesten laten renderen. Wat dom van hen niet te beseffen dat wie sinds de 17e eeuw voorstellen uitwerkt om de spelling beter leerbaar, schrijfbaar en leesbaar te maken de verdiende banbliksems van waarachtige deskundigen als Vondel, Bilderdijk, Multatuli, Mulisch, de Volkskrant of het Witte Spellingplatform mag verwachten. Onlangs hebben die zes hoogleraren van de spelling 2005 het lef gehad in Onze Taal (noot 2) bezwaren uit te spreken tegen bijkomende spellingvariatie door de witte spelling. Waarom maken zij "daar zoveel drukte om?" Iedere "burger mag toch zijn eigen spellingregels [...] maken", en dus spellen zoals hij/zij dat wil: ik vindt en ik vind het charmant; het koste en het kostte geen moeite; een stijle en een steile afgrond; groen ligt en groen licht; monikken en monniken; Herfsttij der Middeleeuwen en Middel-Eeuwen of middeleeuwen; bereklauw en berenklauw; coëducatie, co-educatie en ko-edukasie; bevoorbeeld, bij voorbeeld en bijvoorbeeld; elektrise tijd en elektriciteit. Wat kan daartegen zijn, zulke variatie leidt de lezer toch niet af van de boodschap? Wie leert schrijven heeft er toch geen moeite mee om uit de verschillende aangetroffen varianten feilloos vaste woordbeelden te kiezen, regelbepaalde woordpatronen te internaliseren, en dat alles in zijn geheugen op te slaan, ze er al schrijvende moeiteloos uit op te halen, en zo nodig analogieën toe te passen. Die zes schoolmeesters-taalkundigen doen hun vak helaas "meer kwaad dan goed" als zij hun kennis gebruiken om de spellingsystematiek, de regels dus, zodanig te willen "bijslijpen" dat de spelling voor de taalgebruikers wat makkelijker wordt en dat leren spellen en lezen er een beetje beter door ondersteund worden. Wat een pretentie! In augustus 2006 reageerden de verenigingen van leraren en lerarenopleiders Nederlands op het verschijnen van de witte spelling met ook zo'n domme vraag: "Twee soorten spelling, wat doet u ons aan?"(noot 3) Zouden dat misschien vermomde taalkundigen zijn? Zouden die leraren zich niet beter op de wonderen van de menselijke taal storten, of de spellingregels bestuderen, in plaats van bezig te zijn met hoe de jeugd beter kan leren schrijven en lezen?
Noot 1: Marc van Oostendorp, Column 57: De tussen-n in het
Concertgebouw - Neder-L, no. 0610.a,
http://www.neder-l.nl/bulletin/2006/10/061027.html
Meer informatie en referenties over spelling 2005, spellingonderzoek en spellingleren zijn onder meer te vinden op http://www.ua.ac.be/frans.daems
---
|