|
Col: 0701.13
Date: 12 januari 2007
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.ru.nl>
Subject: Col: 0701.13: Linguïstisch Miniatuurtje CXVI: Gaan waarvoor je staat
Linguïstisch Miniatuurtje CXVI: Gaan waarvoor je staat
Ik hoorde het afgelopen woensdag, in een uitzending over professor
Pieter van Vollenhoven: Hij gáát waarvoor hij
staat. Een van zijn vrienden zei dat. Mooi gezegd! Het is
volmaakt duidelijk wat hier bedoeld wordt, en het klinkt ook nog
eens lekker. Beknopt, strak. Ik snap alleen niet hoe dat komt.
Er is iets samengetrokken in die zin, zoveel is duidelijk. Hij
gaat voor datgene waar hij voor staat, zou je heel uitgebreid
kunnen zeggen, maar dat klinkt al meteen een stuk wolliger, stroef,
bijna onbeholpen.
Eigenlijk zou het andersom moeten zijn: de uitgebreide versie zou
een stuk beter moeten klinken dan die samengetrokken versie. Waarom?
Omdat er niets klopt van die samentrekking. Die kan helemaal niet.
Die constructie met aanwijzend voornaamwoord datgene en
bijvoeglijke bijzin waar hij voor staat, of waarvoor hij
staat, die zou je best kunnen samentrekken tot waarvoor hij
staat. Zou je zeggen. Maar het klinkt voor geen meter: wel in
Ik weet niet waarvoor hij staat, maar niet in Ik ben het
niet eens met waarvoor hij staat, en ook niet in Waarvoor hij
staat verbaast mij. Hoe komt dat?
Ik denk dat er in het goed klinkende Ik weet niet waarvoor hij
staat helemaal niets samengetrokken is. Ik denk dat
waarvoor daar geen betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord
met ingesloten antecedent is, maar een vragend
voornaamwoordelijk bijwoord. Ik weet niet hoe hij denkt, ik weet
niet wie hij is, ik weet niet waarvoor hij staat. Vragend, niet
betrekkelijk. In een context waarin die vraag niet kan, daar kan die
bijzin ook niet. Ik denk waarvoor hij staat kan niet, omdat
het lijdend voorwerp van denken geen vraagzin kan zijn: ik
denk wie hij is.
Ook voor datgene kun je volgens mij helemaal niet
samentrekken. Je kunt wel een zin hebben als Ik ben bang voor
datgene wat hij zal doen, maar daar kun je absoluut niet van
maken Ik ben bang waarvoor wat hij zal doen, of Ik ben
bang waarvoor hij zal doen. Allebei onmogelijke zinnen, dat zal
iedereen met me eens zijn.
Dat is allemaal goed en wel, je kunt datgene waarvoor niet
samentrekken en voor datgene al helemaal niet, maar waarom
klinkt Hij gaat waarvoor hij staat dan niet heel erg slecht?
Is het soms een vraagzin waarin een voorlopig voorzetselvoorwerp is
weggelaten? Hij gaat ervoor waarvoor hij staat, en dan
ervoor weglaten?
Helaas, ook dat lijkt geen oplossing. Je kunt misschien wel hebben
Hij gaat ervoor dat hij de hoofdprijs wint, al klinkt dat ook
niet helemaal je dat, maar in ieder geval is dan dat hij de
hoofdprijs wint geen vraagzin. En je kunt daar ook helemaal geen
vraagzin hebben: Hij gaat ervoor hoe hij het wil doen is weer
kouwe rillingen over je taalrug.
Maar wat is dat dan voor een rare zin, Hij gaat waarvoor hij
staat? Is het soms een geïsoleerd geval? Maar nee, bij
nader inzien kun je die samentrekking vrij algemeen hebben in een
soort "herhalingsconstructie", waarbij je het werkwoord uit de
hoofdzin in de bijzin herhaalt: Hij staat waarvoor hij staat, ik
ben bang waarvoor iedereen bang is, je moet rekenen waarop niemand
rekent, ik kijk uit waarnaar jij ook uitkijkt. Je kunt wel
zeggen dat het allemaal een beetje wringt, maar echt radicaal
onmogelijk lijkt het me niet.
Ook de "halve" samentrekking is in die gevallen mogelijk: Hij
staat dáárvoor, waarvoor hij staat, ik ben bang
dáárvoor, waarvoor iedereen bang is, je moet daarop
rekenen waarop niemand rekent, ik kijk daarnaar uit, waarnaar jij
ook uitkijkt. Dat is geen voorlopig voorwerpconstructie (dan zou
het ervoor, erop en ernaar moeten zijn), maar
een soort, ja wat is het? Een soort rechts-dislocatie, denk
ik.
Je kunt het nog wel beschrijven. Je kunt zeggen, in een
constructie met aanwijzend voornaamwoordelijk bijwoord en een bijzin
met betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord kun je een soort
"betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord met ingesloten antecedent"
maken door het aanwijzend voornaamwoordelijk bijwoord weg te laten.
Dat kan alleen als de partikels (de voorzetsels waarmee de
voornaamwoordelijke bijwoorden gemaakt zijn) overeenkomen. Ook moet
het werkwoord in hoofd en bijzin hetzelfde zijn, want Ik wacht
waarop jij rekent klinkt weer een stuk minder. Dat kun je best
zo zeggen. Maar hoe dat dan werkt, en waarom dat kan, is volslagen
onduidelijk.
Ik snap het dus niet. Het valt in elke grammaticale analyse door de
mand, het is aan alle kanten fout, maar het klinkt heerlijk. Hij
gaat waarvoor hij staat. Zeg het drie keer voor de spiegel en je
bent verkocht. Laat de grammatici maar lekker uitzoeken hoe het kan.
Ik ga ervoor.
|