|
Col: 0702.43
Date: 19 februari 2007
From: Marc van Oostendorp <marc.van.oostendorp@meertens.knaw.nl>
Subject: Col: 0702.43: Column 59 van Marc van Oostendorp: De ontdekking van de zin
Column 59 van Marc van Oostendorp: De ontdekking van de zin
Niemand vindt het leuk om onzinnig werk te doen, en daarom houdt
iedereen die geen bejaarden wast, voor dag en dauw het vuilnis
ophaalt of in India bijstand verleent aan de allerarmsten, zich vast
aan zijn illusies. De directeur meent dat hij enorme
verantwoordelijkheden op zich neemt om de algehele welvaart op te
voeren, de ambtenaar spiegelt zich voor dat de maatschappij in
elkaar stort zonder mensen die de publieke zaak dienen, en de
presentatrice van het belspelletje op tv heeft toch weer een paar
mensen een genoeglijk halfuurtje bezorgd. De illusie van de
onderzoeker - in ieder geval van mij - is dat de mensheid al
eeuwenlang een kathedraal van kennis aan het bouwen is, en dat al
zijn gezwoeg uiteindelijk een legosteentje bijdraagt aan die
kathedraal. Al ben je zelf misschien een intellectuele kabouter, je
staat niet alleen op de schouders van reuzen, maar op jouw schouders
kunnen later ook weer nieuwe reuzen toch weer net wat hoger staan.
Dan is het vervelend als iemand het feestje komt verstoren. Dat is
precies wat Joop van der Horst deed in de lezing die hij hield
tijdens het laatste Taalgala, en die deze maand staat afgedrukt in
Onze Taal. Van der Horst was genomineerd voor de LOT Prijs
voor popularisering, die hij ook won. In zijn lezing gaat hij na
waarom er eigenlijk zo'n prijs is. Eén veronderstelling die
hij oppert: misschien komt het doordat er zo weinig te melden is
over de taalkunde, dat je wel een heel goede popularisator moet zijn
om er nog iets van te maken. Van der Horst zegt dan dat er veertig
jaar geleden, toen hij ging studeren nog allerlei hooggespannen
verwachtingen waren over het vak. We stonden op het punt een
Universele Grammatica bloot te leggen, en zo een belangrijk
onderdeel van de menselijke geest in kaart te leggen. En de computer
zou door onze inspanningen ook menselijke taal kunnen gaan
gebruiken.
Van die beloftes is niet veel gekomen. Volgens Van der Horst weten
we nu op de keper beschouwd niet veel meer over taal dan pakweg in
1950. We hebben meer talen in meer detail in kaart gebracht, maar
dat is vooral 'meer van hetzelfde'.
Er zijn misschien mensen die boos worden om zo'n laconieke
ontkenning van de vrucht van al onze inspanningen, maar mij heeft
het wel een genoeglijke middag bezorgd. Natuurlijk moet die Van der
Horst ongelijk hebben, we slepen ons toch niet voor niets iedere dag
weer naar kantoor. Wat voor inzichten hebben we in in de afgelopen
57 jaar precies bereikt?
Misschien zijn ze inderdaad niet zo schokkend als er ooit geroepen
is. Aan het blootleggen van een Universele Grammatica wordt nog
steeds gewerkt, ook door mij, maar je kunt niet zeggen dat we nu een
heel duidelijk idee hebben over hoe een en ander precies in elkaar
zit. Bovendien is het debat over wat er nu precies is aangeboren aan
de menselijke taal en wat er op een andere manier - uit de cultuur,
uit het feit dat taal gebruikt wordt, noem maar op - is ingesloten
almaar verfijnder geworden, zodat iedereen nu redelijkerwijs moet
zeggen: een deel is nature en een deel is nurture, al
weten we nog niet precies wat nu wat is. Maar daar haal je de
voorpagina van de krant niet mee. Zo kunnen computers nu ook een
heel klein beetje en heel gebrekkig praten, en af en toe verstaan ze
warempel ook een enkel woord, mits glashelder uitgesproken en
precies passend in de context, maar dat ze zelfs over vijftig jaar
maar kunnen praten, lijkt vooralsnog inderdaad vrij
onwaarschijnlijk.
Wat dan wel? Ik zie twee belangrijke resultaten van de afgelopen 57
jaar. De eerste is de ontdekking van de zin - de explosieve
ontwikkeling van de syntaxis en van de formele semantiek, die
vooralsnog ook vooral succesvol is op het gebied van de betekenis
van de zin. Voor zover ik kan zien gaat zelfs veel formele
pragmatiek tegenwoordig over zinnen.
Natuurlijk was het begrip 'zin' voor 1950 niet helemaal onbekend:
maar het systematische syntactische onderzoek bestond niet, en er
waren nauwelijks instrumenten voor: Chomsky, Dik, Montague of
Paardekooper, ze moesten allemaal hun werk nog schrijven. In
grammatica's was de syntactische paragraaf minimaal. Allerlei
taalkundige inzichten waren in geen velden of wegen te bekennen:
ideeën over localiteit van afhankelijkheden of over
spookonderwerpen of over compositionaliteit. (Wie goed zoekt, vindt
ongetwijfeld voorafschaduwingen van die ideeën in eerdere
literatuur. Maar dat geldt in onze postpostmoderne tijden voor ieder
idee in ieder vakgebied.)
De tweede belangrijke ontdekking van de afgelopen vijftig jaar lijkt
mij dat taalverandering en taalvariatie nauw met elkaar samenhangen:
dat je de ene kunt bestuderen door naar de ander te kijken. Daarmee
hangt direct samen dat men is gaan inzien hoe de sociale structuur
van de samenleving op allerlei manieren in taalvariatie
gereflecteerd wordt, en hoe taalverandering op verschillende wijzen
uit verschillende lagen van de samenleving op gang kan worden
gebracht.
Ook hiervoor geldt: natuurlijk waren er voor 1950 ook al mensen die
over deze onderwerpen geschreven hebben - G.G. Kloeke in Nederland
bijvoorbeeld - maar de grote inzichten in hoe een en ander werkt,
zijn toch echt pas na 1950 gekomen.
Natuurlijk, 'Taalkundigen ontdekken zin' is niet echt een krantenkop
waarmee je de wereld achterover doet slaan van verbazing, en dat
geldt ook voor 'Talen veranderen voortdurend'. Maar de vraag is of
dat in andere vakgebieden nu zoveel anders is. Van der Horst noemt
er een paar; ik ben geen specialist op enig van die gebieden, maar
ik zou ook niet zo goed kunnen opsommen wat voor grote resultaten
daar bereikt zijn. De grote ontdekking van de afgelopen halve eeuw
in de biologie lijkt me bijvoorbeeld de ontrafeling van het DNA,
maar in zekere zin was dat ook alleen maar een uitwerking van
ideeën die er voor die tijd al waren - is er sinds Darwin wel
zoveel nieuws gebeurd? Ook wat er in de theoretische natuurkunde
gebeurd is, lijkt me moeilijk in een pakkende kop samen te vatten:
ja, de snarentheorie zou de kwantummechanica en de
relativiteitstheorie moeten verenigen, maar die snarentheorie is nog
even omstreden als het idee van een Universele Grammatica. Wat er
precies voor opwindende ontdekkingen zijn gedaan in de wiskunde, die
de resultaten van de taalwetenschap in de schaduw zouden stellen, is
me al helemaal onduidelijk.
Iets anders is nog dat de kruisbestuiving tussen de taalkunde en
allerlei andere disciplines steeds vruchtbaarder wordt: met de
psychologie en de neurologie bijvoorbeeld. De taalwetenschap loopt
daarbij naar mijn indruk niet altijd voorop, maar laat zich eerder
door die andere disciplines op sleeptouw nemen. Maar hoe erg is dat?
We zijn toch niet op de wereld om specifiek de taalwetenschap
vooruit te brengen? We zoeken toch alleen naar kennis, onafhankelijk
van waar die vandaan komt?
Zo is de meeste wetenschap nu eenmaal: er zijn meer legosteentjes
dan hunebedden. Al met al hebben we - wij, de mensheid -
waarschijnlijk meer kennis verzameld over hoe menselijke taal werkt
dan in enkele eeuwen daarvoor. De grote doorbraak moet misschien nog
komen, laten we het hopen. Maar tot die tijd ontdekken we vast
genoeg boeiends en verrassends om ook af en toe de krant te kunnen
halen.
|