|
Col: 0703.41
Date: Wed, 28 Mar 2007 13:03:02 +0200
From: Frans Hinskens <frans.hinskens@meertens.knaw.nl>
Subject: Col: 0703.41: Column door Frans Hinskens n.a.v. Sharon Dijksma's plannen voor een peutertaaltoets
Column door Frans Hinskens n.a.v. Sharon Dijksma's plannen voor een peutertaaltoets
De geschiedenis herhaalt zich - soms. Nu wil de verse
staatssecretaris Sharon Dijksma peuters die opgroeien in de
achterstandswijken van de vier grote steden, in Oost-Groningen en in
Zuid-Limburg een taaltoets laten afnemen. Peuters die te laag scoren
hebben een 'taalachterstand'; Dijksma meent dat het daarbij gaat om
zo'n 75 duizend peuters, maar waar dat aantal vandaan komt wordt
niet duidelijk. Deze peuters worden in de toekomst verplicht (of
volgens een recent persbericht van het Ministerie van OCW toch
minstens geadviseerd) 'voorschoolse' taallessen te nemen. Tot nog
toe was dat voor kinderen van die leeftijdscategorie facultatief
(de Volkskrant van donderdag 15 en maandag 19 maart j.l.).
Dit alles lijkt nieuw, maar vergelijkbare beleidsvoornemens waren er
dertig jaar geleden al; ze zijn toen zelfs op beperkte schaal
uitgevoerd. Het zou goed zijn, om de daaruit gewonnen inzichten mee
te laten wegen in de huidige gedachtevorming.
De door Dijksma gehanteerde terminologie, het standpunt en de
politieke hoek waaruit dit komt herinneren aan de jaren '70 van de
vorige eeuw. Toen waaiden uit Engeland en de VS ideeën over
over de vermeende talige deficiëntie of deprivatie van kinderen
uit sociaal zwakke milieus, in alle gevallen zwarten of andere
etnische minderheden en/of lagere sociale klassen. Men nam waar dat
het gemiddelde schoolsucces van deze kinderen lager lag dan dat van
de kinderen uit de blanke middenklassen (die wel goede
schoolprestaties leverden en die de standaardtaal spraken). Volgens
de officiële ideologie was dit ongewenst omdat het de
maatschappelijke kansen van deze kinderen zou verminderen. Volgens
de critici (die de rassenrellen in enkele grote Amerikaanse steden
nog vers in het geheugen hadden) werd hier in wezen gemikt op
maatschappelijke pacificatie van getalsmatig grote, economisch en
cultureel ondergeschikte groepen - en wel door overheidsingrijpen in
de socialisatiepraktijk van gezinnen uit de lagere klassen (in de
retoriek van de revolutionaire jaren '70). Volgens de cynici was men
in de officiële politiek (na de shock die door politiek Amerika
ging toen de Russen de slag om de ruimte leken te winnen met de
lancering van de eerste Spoetnik in 1957) alleen bezorgd over het
verspelen van potentieel wetenschappelijk toptalent uit de ghetto's.
Hoe dies ook zij, het gebrek aan schoolsucces van de kinderen uit de
genoemde groepen werd teruggevoerd op hun taalachtergrond. De
randgroepjeugd sprak niet de standaardtaal en de taal die zij wel
spraken maakte volgens sommigen logisch denken en cognitief
volwaardig functioneren onmogelijk.
Als antwoord op de vermeende talige deficiëntie of deprivatie
van kinderen uit sociaal zwakke milieus, ging men in de VS, waar de
meeste kinderen niet naar een kleuterschool gingen,
'preschool'-cursussen organiseren. Behalve in de VS werden ook in
Engeland (het land van de socioloog Basil Bernstein, de
belangrijkste theoreticus van de deficiëntieopvatting) en ook
in West-Duitsland 'taalcompensatieprogramma's' opgesteld. Deze
taalcompensatieprogramma's moesten voornamelijk door drilmethoden de
kinderen de standaardtaal bijbrengen. Dat ging bijvoorbeeld via het
aanleren van talige routines van het type "Hoe laat is het?" "Het is
drie uur" in plaats van "Drie uur" of "Piet kan niet komen omdat hij
ziek is" in plaats van "Piet kan niet komen. Hij is ziek"; voor iets
als 'correct' voorzetselgebruik waren er oefeningen van het type
"Waar is het potlood?" "Het potlood ligt op het boek". Het
TV-programma Sesamstraat (waar overigens weinig op aan te
merken valt) is een spin-off van deze benadering. Ook in Nederland
werden, mede op initiatief van de psycholoog Kohnstamm,
taalcompensatieprogramma's ingericht en ingevoerd; een belangrijke
naam in dit verband is ook die van Gestel. Tot de bekendste
Nederlandse taalcompensatieprogramma's behoorden het Grandia-project
in Rotterdam, geëntameerd door de PvdA, en het
Innovatie-project in Amsterdam, geëntameerd door de CPN.
Na enige tijd begon allerwegen de overtuiging post te vatten dat de
taalcompensatieprogramma's het doel niet bereikten. Volgens sommigen
was dit omdat het verband tussen variatie in taalgebruik en de
klassenstructuur van de samenleving, in hun opvatting de eigenlijke
oorzaak van de schoolproblemen van randgroepjongeren, miskend werd.
Anderen meenden dat de taalcompensatieprogramma's niet werkten omdat
er geen aansluiting gezocht werd met het thuismilieu, de natuurlijke
omgeving van kinderen, waar ze de taalvaardigheden waar het om gaat
al lang bezitten. Er werd, met andere woorden, geen rekening
gehouden met het feit dat het 'gebrekkige' taalgebruik van kinderen
werd geobserveerd in kunstmatige testsituaties. In deze opvatting
treden de belangrijkste verschillen in taalgebruik niet zozeer op
tussen lagere en middenmilieus maar tussen thuistaal en schooltaal;
het kind wordt verondersteld de thuistaal af te leggen wanneer het
de drempel van de school overgaat en naar gelang de schooltaal meer
afwijkt van de thuistaal wordt die drempel hoger. Een te hoge
drempel kan een barrière vormen die op het kind een
verlammend effect kan hebben, waardoor het in zijn schulp kruipt.
Dat gedrag kan ten onrechte uitgelegd worden als een
deficiëntie - aldus deze opvatting.
Terug naar Nederland anno 2007. Aan het voornemen van
staatssecretaris Dijksma zijn verschillende dingen niet duidelijk.
Wat is bijvoorbeeld de overeenkomst tussen de vier grote steden,
Oost-Groningen en Zuid-Limburg? Hebben we het over een taalkundig
homogene groep? Richard Wouda, directeur van basisschool De Spil in
het Oostgroningse Lageland "snap[t] niet dat Oost-Groningen op de
lijst staat. Taalachterstand speelt hier geen rol. We hebben een
paar kinderen die thuis Gronings spreken, maar hun ABN is net zo
goed als de rest van de klas." (de Volkskrant vrijdag 16
maart j.l.). Is er in deze delen van het land anderszins sprake van
eenzelfde situatie? Kan er dus gewerkt worden met dezelfde
didactiek? En hoe is het dan met de peuters in de rest van het land
gesteld? Een andere belangrijke vraag is: wat is de aard van die
ïtaalachterstandï? Een achterstand ten opzichte van wiens taal,
trouwens? Wat spreken de probleempeuters in de genoemde delen van
het land dan wèl?
Natuurlijk, hier is kennelijk een voornaam doel te bereiken,
namelijk het tijdig tot stand brengen van de talige aansluiting van
een grote groep peuters ter vergroting van hun maatschappelijke
kansen; spreiding van kennis, macht en inkomen heette dat vroeger
bij de PvdA. Dus dan moeten we niet zeuren over een woord. En
inderdaad, het inzicht is juist: de kansen op maatschappelijk succes
(in onderwijs en, naderhand, beroep) blijken uit recent onderzoek
van de Nijmeegse socioloog Kraaykamp inderdaad nog steeds ongunstig
beïnvloed te worden door eentalig dialectspreken; hoe dat zit
met een taalachtergrond die op een andere manier niet volledig
samenvalt met de standaardtaal is nog niet duidelijk. Maar de
verklaring daarvan, dat moet blijkbaar nog maar weer eens benadrukt
worden, is niet een eventuele cognitieve achterstand bij de
niet-standaardtaalspreker. De verklaring zou veeleer wel eens kunnen
schuilen in de bevooroordeelde houding van degenen die menen te
weten þhoe het hoort'. Tot die groep behoren ook sommigen van
diegenen in het onderwijs die adviseren bij of zelfs beslissen over
de doorstroming naar het vervolgonderwijs en ongetwijfeld behoren er
ook mensen toe die een beslissende rol spelen bij de bezetting van
vacatures. Maar negatieve attitudes ten aanzien van afwijkend
Nederlands (dialect, straattaal - you name it) zijn heel wat
moeilijker te herkennen en te bestrijden dan 'taalachterstanden'.
De 'taalachterstand' onder peuters wordt in het huidige debat in
verband gebracht met etnische segregatie in het onderwijs. Gaat het
dus vooral om kinderen die opgevoed zijn in een andere taal? Het
onderwijs in eigen taal en cultuur (OETC) is in 1995 afgeschaft en
vervangen door onderwijs in allochtone levende talen (OALT), dat de
verantwoordelijkheid was van de gemeenten. In 2004 werd de
financiering van OALT afgebroken en daarmee verdween een instrument
dat met de nodige aanpassingen wellicht een gunstige rol had kunnen
spelen in het geleidelijk tot stand brengen van de aansluiting van
anderstalige peuters. Evelien Tonkens wees er in haar laatste column
in de Volkskrant (d.d. woensdag 21 maart j.l.) op dat de
peuterspeelzalen, die op informele wijze kunnen bijdragen aan de
talige integratie, in de laatste kabinetsperiode eveneens zo goed
als afgeschaft zijn. Saillant is overigens dat een 'zwarte school'
gedefinieerd wordt als een school waar meer dan 70% van de
leerlingen allochtone of laagopgeleide ouders heeft. Dus nog steeds
vallen in onze samenleving etniciteit en sociaal-economische
achtergrond in belangrijke mate samen.
Volgens Dijksma (die het de VVD'er Mark Rutte napraatte) moeten
consultatiebureaus de taaltoets afnemen. Ook hier doemen
onmiddellijk belangrijke vragen op. Hoe moeten die peuters dan
getest worden? Is er voor kinderen van die leeftijd een test te
construeren die hun taalvaardigheden betrouwbaar en adequaat kan
meten? Een test die zich niet beperkt tot één of
enkele routines die misschien maar weinig met taalvaardigheid te
maken hebben? En wat is in talig opzicht de norm voor 3-jarigen? Op
basis waarvan wordt die bepaald? En welke conclusies worden er zoal
verbonden aan een te lage score? Mohamed Nasir Ashruf, directeur van
de islamitische basisschool El Amien II, vreest: "Met deze toets
plak je al een label op het kind voordat het naar school gaat."
(de Volkskrant vrijdag 16 maart j.l.).
Tenslotte moet er in de opvatting van Dijksma meer aanbod aan
taallessen voor peuters komen. Effectmetingen van de bestaande
voorschoolse taallessen hebben geen onverdeeld positief beeld
opgeleverd; soms is er geen enkel effect, soms is dat er wel, maar
van voorbijgaande aard. Kennelijk schort er nog wat aan de kwaliteit
van de huidige voorschoolse taallessen.
In de jaren '70 ging het vooral om een dialectachtergrond,
tegenwoordig misschien eerder om een andere taalachtergrond. Er zijn
andere belangrijke verschillen, maar er zijn ook twee belangrijke
overeenkomsten en dat zijn enerzijds de toon waarop en anderzijds de
bedoeling waarmee de beleidsvoornemens uitgedragen worden. De toon
wordt gekenmerkt door het gebruik van wazige en beladen begrippen
als 'taalachterstand'. Achter de bedoeling kan men paternalisme
vermoeden, maar of dat zo erg is? Het is echter wel te hopen dat men
zich verdiept in wat er in de jaren '70 gepoogd is en zijn voordeel
tracht te doen met zowel de verworvenheden als de tekortkomingen van
de taaltoetsen en de praktijk van het werken met
taalcompensatieprogramma's.
Frans Hinskens
als taalkundige verbonden aan de Onderzoeksgroep
Variatielinguïstiek, Meertens Instituut (KNAW)
als bijzonder hoogleraar Taalvariatie en Taalverandering
verbonden aan de Letterenfaculteit van de Vrije Universiteit
|