0704.17 Terug
Vooruit 0704.19

Col: 0704.18

Date: 2 april 2007
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.ru.nl>
Subject: Col: 0704.18: Linguïstisch Miniatuurtje CXVIII: Zonder Theorie geen Taalgevoel

Linguïstisch Miniatuurtje CXVIII: Zonder Theorie geen Taalgevoel

In de internationale bestseller Blink beschrijft wetenschapsjournalist Malcolm Gladwell een smaaktestexperiment met de colamerken Pepsi Cola en Coca Cola. Ondanks het feit dat deze twee frisdranken niet heel erg veel van smaak verschillen -op een degree of difference (DOD) scale van 1 tot 10 is het verschil maar 4- zijn veel Amerikanen in staat om in een blinde smaaktest de ene van de andere cola te onderscheiden. Maar bijna niemand slaagt voor de driehoekstest: dat is een test waarbij je drie glazen te proeven krijgt. Nu hoef je niet eens te zeggen welke van de drie de Pepsi en welke de Coca Cola is, je hoeft alleen maar de vreemde smaak eruit te halen. Gemiddelde score: net boven de 30% correct, dat staat ongeveer gelijk aan domweg raden.

Een veel moeilijker taak dus, die driehoekstest. Maar nu komt het: leg je dezelfde taak voor aan zogeheten smaakexperts, die geleerd hebben om smaken te benoemen volgens een beschrijvingssysteem in verschillende dimensies, dan scoren die experts op de driehoekstest bijna perfect. Hoe kan dat?

Het moeilijke van de driehoekstest, zo luidt de verklaring, is dat je de eerste smaak onthouden moet hebben als je het derde glas proeft. Dat is bijna onmogelijk als je geen middelen hebt om je smaakbeleving "vast te leggen" in beschrijvende termen. Experts met smaakanalytische vaardigheden hebben die middelen wel, en scoren dus beter.

Een beetje doorredenerend op dit experiment kom je tot een vaststelling die door het hele boek van Gladwell, en in veel psychologisch onderzoek, steeds weer opduikt: onze waarneming van de wereld wordt sterk beïnvloed door "wat we ermee kunnen". Wij construeren onze waarnemingen meer achteraf terwijl we daarbij het idee hebben dat we een zuivere weergave van onze zintuiglijke registratie geven. Dat leidt voor de taalwetenschap tot enigszins ongemakkelijke conclusies.

Want zo zit het natuurlijk ook met grammaticaliteitsoordelen. Iedere linguïst kent het verschijnsel dat een geloofwaardige grammaticale theorie voorspellingen doet over grammaticale en ongrammaticale zinnen, voorspellingen die onwillekeurig je eigen oordeel gaan beïnvloeden. Je gaat fout vinden wat volgens je theorie fout moet zijn, en goed wat theoretisch goed is. Methodologen spreken hier een beetje smalend over intuïtiemoeheid. Maar is dat wel terecht?

In de cola-smaaktest is de conclusie dat de smaakbeleving van de experts beter is dan de smaakbeleving van de leek die de analytische vaardigheden mist om de smaak te beschrijven. Nou kun je die smaakbeleving natuurlijk afzetten tegen de objectieve chemische samenstelling van de frisdrank, en dat kan bij grammaticaliteit niet, maar waarom zou de situatie voor taalgevoel eigenlijk anders zijn dan voor colagevoel?

Wat je in elk geval moet constateren is dat het oordeel van iemand die een analyse heeft van een taaluiting, consistenter en stabieler is dan het oordeel van iemand die elke zin als een nieuwe taaluiting moet beschouwen. Lekenoordelen zijn altijd oppervlakkig.

Ik weet wel dat dit allemaal in de taalwetenschap vloeken in de kerk is. De moderne taalwetenschap beijvert zich om het zuivere oordeel van de leek te vangen in een grammaticale theorie, of desnoods een stochastisch taalmodel, maar misschien is dit dus wel principieel onmogelijk. Misschien dat je een theoretische beschrijving nodig hebt om überhaupt een stabiel grammaticaliteitsoordeel te hebben.

Interessante gedachte! Dat zou betekenen dat de linguïstiek, tegen de heersende opvatting in, principieel prescriptief is in plaats van descriptief. Het zou verklaren waarom niet-taalkundigen blijven roepen om voorschriften en normen. Dat zijn immers de middelen om hun oordelen vast te leggen.

Als dit waar is, dan is het niet de eerste taak van de linguïstiek om de taal te beschrijven, maar om de taalgebruikers de analytische vaardigheden te leren om hun oordelen in stabiele termen te formuleren.

De taalwetenschap creëert haar eigen object, heb ik wel eens iemand schamper horen opmerken. Misschien is dit wel zo. Ook al zie je als het object van de taalwetenschap niet de taal, die immers een metafysisch dubieuze abstractie is, maar het menselijke taalgevoel, dan nog moet je misschien wel aannemen dat dit taalgevoel in diepste zin bepaald wordt door een analytische rationalisatie op basis van een grammatica die we zelf verzonnen hebben.

Ik weet niet zeker of het wel zo geruststellend is, maar in navolging van Marc van Oostendorp in zijn laatste Neder-L-column kan ik de vergelijking maken met de natuurwetenschappelijke quantummechanica, waarin je een deel van de werkelijkheid niet kunt waarnemen zonder deze te veranderen. Daar heet het dat de waarneming de werkelijkheid beïnvloedt. Hier zou ik zeggen dat de werkelijkheid alleen bestaat in de interpretatie van je waarneming. Je kunt alleen stabiel oordelen over grammaticaliteit als je je grammatica kent.

Ik snap natuurlijk ook wel dat ook taalgebruikers zonder enig grammaticaal benul een taalgevoel hebben. Echter, als het taalgevoel enigszins overeenkomt met het colagevoel is dit taalgevoel een oppervlakkig oordeel, waarvan het nog maar de vraag is of je het wel kunt vangen in een beschrijving. Bovendien zou gelden dat je dit oordeel kunt stabiliseren door het ontwikkelen van grammaticale vaardigheden. Die stabiliteit van oordeel zou omgekeerd dan weer een maat kunnen zijn voor je grammaticale competentie. Misschien is dat wel het nut van grammatica-onderwijs.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]