0704.18 Terug
Vooruit 0704.a

Col: 0704.19

Date: zaterdag 7 april 2007
From: Willem Kuiper <wkuiper@xs4all.nl>
Subject: Col: 0704.19: Column Willem Kuiper, no. 71: Een doornenkroongetuige

Column Willem Kuiper, no. 71:
Een doornenkroongetuige

Morgen is het Pasen en op de radio wordt het lijden van Willem Holleeder afgewisseld met het lijden van Jezus Christus.
     Wat betekent dat eigenlijk: Holleeder? Klinkt Duits. Kon die naam echter niet terugvinden in de databank Familienamen van het Meertens Instituut. Wel die van zijn ex-collega John Mieremet, maar zonder annotatie. Ik geef toe, er zijn belangrijker dingen om over na te denken, maar ik kon mij er niet van weerhouden te bedenken wat de etymologie van Mieremet is. Volgens mij is het de vernederlandsing van het Engelse woord voor zeemeermin.
     Dat mensen van nu de slag bij Ane (28 juli 1227) naspelen, waar het leger van de bisschop van Utrecht bij gebrek aan TomTom het moeras in stiefelde en zo zichzelf uitschakelde, is tot daar aan toe. Maar als mensen - gelovigen - zich zo inleven in het lijden van Jezus Christus dat zij zich en plein public aan een kruis laten spijkeren dan gaat mij dat te ver. Dat wil ik niet zien. Er zijn bescheidener manieren om zich te aderlaten. Nog afgezien van het gegeven dat - óók de canonieke - de evangeliën geen historische bronnen zijn van historische feiten. Het zijn historische getuigenissen van een historische voorstelling van geloofszaken.

Een kroongetuige in de literatuurgeschiedenis van onze Middeleeuwen, waaraan ik deze Paasdagen moest denken, is het strofische gedicht Vanden lande van Overzee:

      Kerstenman, wat's di gheschiet?
      Slaepstu!? Hoe ne dienstu niet
      Jhesum Cristum dinen here!?
      Peins! [En] doghed'i dor di enich verdriet,
      doe hi hem vanghen ende crucen liet,
      in't herte steken met'ten spere!?
      't Lant daer Hi Zijn bloet in sciet,
      gaet al tequiste, als men siet.
      Lacy, daer en is ghene were!
      Daer houdt dat Sarracijnsche diet
      die keirke onder zinen spiet
      daerneder, ende doet haer groet onnere,
      ende di en dunkets min no mere...
Het gedicht is in slechts één bron bewaard gebleven: het handschrift UB Groningen 405, in de literatuur bekend als het Gronings Zutphense Maerlant handschrift. Een van de mooiere Middelnederlandse codices. Garmt Stuiveling bezorgde het gedicht in een luxe tweedelige facsimile-editie. In zwart-wit. Kleurenfacsimile-edities waren in 1966 onbetaalbaar.
       In de inleiding deelt Stuiveling mee dat dit gedicht een aparte plaats inneemt binnen Jacobs strofische gedichten "krachtens z'n klank van actualiteit". Die actualiteit is de val van de laatste kruisvaardersstad in het Heilig Land, Saint Jehan d'Acres alias Akko. Die militaire tragedie voltrok zich tussen 16 en 28 mei 1291.
       Ook Stuiveling geloofde in de veronderstelling dat Jacob van Merlant zozeer geschokt was bij het vernemen van dit slechte nieuws dat hij zijn gemoed uitstortte in 19 strofen van 13 regels. Nadat hij van de schrik bekomen was, dichtte hij er Der Kerken Claghe achteraan, en bewees zo dat hij helemaal geen dorre didactische rijmelaar was, maar een heuse dichter!

Tegenwoordig leest 'niemand' de strofische gedichten die aan Jacob van Merlant worden toegeschreven, maar wie de moeite neemt de inleidingen op de verschenen edities door te lezen, ziet al dan niet tot zijn verbazing dat deze strofische gedichten tot het beste gerekend werden van de bewaard gebleven Middelnederlandse literatuur. Zelfs Eelco Verwijs, een exemplarische non-conformist, twijfelde niet aan het auteurschap van Jacob. Unaniem kennen de 19e-eeuwse filologen Jacob van Merlant het geestelijk vaderschap van deze strofische gedichten toe.

Zoals gezegd zijn deze strofische gedichten overgeleverd in het Groningse handschrift 405, een verzamelhandschrift met als hoofdmoot Jacob van Merlants Scolastica (in dietschen), naadloos gevolgd door de Wrake van Jherusalem. Onlangs heeft Jos Biemans betoogd dat die hoofdmoot niet de historische kern van de codex is, dat zijn de strofische gedichten. In de slotstrofe van Van den lande van Overzee maakt de auteur zichzelf bekend: "Ghi heren dit is Jacobs vont".
       Ik geloof graag dat de dichter van Vanden lande van Overzee Jacob heette, destijds een vaak voorkomende doopnaam. Ook geloof ik dat de samensteller van dit verzamelhandschrift - gelet op zijn toevoeging: "dit is ook van Jacob" - wilde dat de gebruikers van dit handschrift zouden geloven dat deze Jacob dezelfde was als de Jacob van Merlant die Scolastica schreef en de Wrake van Jherusalem. Maar is het waar?

Het laatste dat wij van Jacob weten is dat hij in 1288 de pen neerlegt als hij in de Spiegel historiael gevorderd is tot het begin van de twaalfde eeuw en wat Maria-mirakelen heeft naverteld (partie IV, boek 3, hoofdstuk 34: Noch van onser Vrouwen):

      Dese miraclen ende menech eene
      Hevet gedaen die maghet reene
      Maria, ende alle daghe doet.
      Ende verstaet dat Jacob moet
      Van Merlant rusten terre stede
      Vander vierder paertijen mede,
      Ende beiden tote dats hem God jan
      Dat hire weder coemet an,
      Omme te dichtene in redene claer
      Die dinghen diere volghen naer.
Wat mij ontroert in dit citaat is dat het de eerste, de enige en de laatste keer is dat Jacob zijn naam noemt in dit werk.
       Dat God het Jacob niet vergund heeft zijn vierde partie te voltooien weten wij uit het slotwoord van Lodewijc van Velthem, Jacobs 'testamentair executeur' (partie IV, boek 8, hoofdstuk 51):
      Des danke ic Gode ende sinte Marie,
      Dat ic gheent hebbe dese pertie,
      Die Jacob van Merlant began,
      Die deerste entie derde vort an
      Maecte, ende oec in die vierde
      Hi sijns levens faelierde;
      Entie ander, die hi achterliet,
      Die maecte een, die men hiet
      Philip ane den Dam Uten Broke,
      Ende oec starf na den boeke.
      In die vierde heeft gemaect nu
      Haer Lodewijc van Veltem, segic u;
      Van daert Jacob liet ter stont,
      So heeft hijt vort gemaect cont
Ik kan hier weinig anders van maken dan dat volgens Lodewijc Jacob stierf: "sijns levens faelierde". Toch houdt de literatuurgeschiedenis vol dat Jacob de auteur is van Vanden lande van Overzee, welk gedicht hij dan op zijn vroegst drie jaar later geschreven zou moeten hebben.

Vanden lande van Overzee geldt als een parel aan de kroon van de Middelnederlandse Letterkunde. Ik citeer uit Maerlants werk. Juweeltjes van zijn hand:

      "In tegenstelling tot ander werk van Maerlant, waarover de meningen nogal eens verdeeld zijn geweest, is het gedicht Van den lande van oversee door diverse literatuurhistorici door de jaren heen lovend beoordeeld. Jan te Winkel noemt het gedicht in zijn proefschrift (2e druk 1891) 'het schoonste misschien wat wij van hem bezitten', J. van Mierlo spreekt Over de 'heilige verontwaardiging' die 'hem mede [voert] op de hoogte der poëzie' (I946) en ook de taalkundige Matthias de Vries spreekt van 'Maerlants meesterstuk' (1879)."
Als je dit leest zou je bijna vergeten dat Vanden lande van Overzee niet geheel oorspronkelijk is in de huidige zin van het woord. Het is/lijkt een navolging van twee gedichten van Rutebeuf (ca. 1230- ca. 1285), een man van wie wij zo goed als niets weten, maar wiens ongeveer 56 gedichten (tezamen circa 14.000 versregels) cruciaal zijn voor onze kennis van het politieke en literaire klimaat van de dertiende eeuw. Nog voor 1268 schreef Rutebeuf La complainte d'Outremer en in 1277 La nouvelle complainte d'Outremer. Zo 'spontaan' is Vanden lande van Overzee dus ook weer niet.
       En het is ook niet van Jacob van Merlant. Wie overweg kan met de onvolprezen CD-ROM Middelnederlands kan Vanden lande van Overzee woord voor woord toetsen aan Jacobs vocabulaire en met mij tot de conclusie komen dat het niet waarschijnlijk is dat dit gedicht van de hand van Jacob van Merlant is.
       Maar er is doorslaggevender bewijs om de zwanenzang-hypothese te verwerpen. Om u de moeite van het terugbladeren te besparen geef ik u nogmaals de eerste strofe:
      Kerstenman, wat's di gheschiet?
      Slaepstu!? Hoe ne dienstu niet
      Jhesum Cristum dinen here!?
      Peins! [En] doghed'i dor di enich verdriet,
      doe hi hem vanghen ende crucen liet,
      in't herte steken met'ten spere!?
      't Lant daer Hi Zijn bloet in sciet,
      gaet al tequiste, als men siet.
      Lacy, daer en is ghene were!
      Daer houdt dat Sarracijnsche diet
      die keirke onder zinen spiet
      daerneder, ende doet haer groet onnere,
      ende di en dunkets min no mere...
Het gaat om de regel: "in't herte steken met'ten spere!?" Die zou Jacob nooit uit zijn pen gekregen hebben. Jezus Christus werd niet in Zijn hart, maar in Zijn zijde gestoken, zoals Jacob expliciet meedeelt in zijn Scolastica, beter bekend onder de foute benaming Rijmbijbel:
      Mar doe si quamen te onsen Here,
      Ende sine dod vonden, min no mere,
      Ne daden si an sine been,
      Mar van den ridders een
      Stackene in die rechter side
      Met eere sperren een gat wide,
      Ende al te hand liep metter spoet.
      Dar vd water ende bloet.
      Sulke secghen over waer,
      Dat die riddre was blent wel naer.
      Dar ghent bloet te sinen handen quam
      Bi auenturen dat hi nam
      Ende deet an sine oghen mettien,
      Ende hem quam weder al sijn sien.
Hetzelfde verhaal in Jacobs Spiegel historiael (partie I, boek, 7, hoofdstuk 31: Vanden zonnen vergane):
      Maer een ridder daer vort scoot,
      Ende ontdede hem die zide dan,
      Daer water ende bloet ute ran,
      Ende diene stac, alse ment bevint,
      Hiet Longius, ende was blint,
      Ende mettien bloede dat ran neder
      So wart hi daer siende weder,
      Ende gelovede an onsen Here.
Dat Jezus in Vanden lande van Overzee in Zijn hart gestoken wordt, is geen incidentele vergissing. Het gebeurt ook in andere teksten, bijvoorbeeld in de Reis van sente Brandaen, waar de verrader Judas aan het woord gelaten wordt:
      Doe sprac die sondare:
      "Ic bem die aerme Judas.
      Om dat ic so onghetrauwe was,
      Dat ic vercochte sonder noot,
      Die mi ghesciep ende gheboot.
      Dat hebbic zwaer ontgouden.
      Doet mi berauwen soude,
      Doe quam die leede duvel
      Ende gaf mi eenen twifel
      Ende riet, dat ic mi hinc
      Ende ne gheene boete ontfinc;
      Aldus nam ic die doot;
      Dies moetic lijden desen noot.
      Haddic ghenade begheert met rauwen,
      God es also ghetrauwe,
      Het ware mi wel vergaen:
      God hadde mi ontfaen,
      Also hi den Jode ontfinc,
      Die hem, daer hi an tcruce hinc,
      Metten speere stac therte ontwee.
De (bijna) blinde Romeinse soldaat Longinus - als ervaringsdeskundige heb ik hier zo mijn twijfels bij - die Jezus met een lans in Zijn (rechter!) zijde steekt, heeft plaatsgemaakt voor een Jood die Hem recht in Zijn hart stak. Een ultieme belediging, waarvoor toch nog vergeving was.

In de proloog van de Roman van Walewein wordt melding gemaakt van een wonder dat Jezus verricht zou hebben:

      God die dor ons was gheboren
      Ende vanden stene maecte broot
Volgens Matteüs 4 werd Jezus, die na veertig dagen vasten in de woestijn trek begon te krijgen, door de Duivel verleid om van stenen brood te maken. Jezus ging hier niet op in, maar antwoordde: de mens leeft niet van brood alleen. Toch weet ik zeker dat niet alleen Pieter Vostaert ervan overtuigd was dat Jezus niet alleen water in wijn veranderde (tijdens de bruiloft in Kana, Johannes 2: 1-11), maar ook stenen in brood, zoals medegedeeld in de fragmenten van Jourdein van Blaves (r. 409-410).

Gedurende de Middeleeuwen had je over tal van onderwerpen een 'populaire' visie en een 'geleerde' visie. In het volksgeloof kon een vrouw geen tweeling krijgen zonder een tweede man te bekennen, maar volgens de wetenschappers van die dagen kon een vrouw van één man een zevenling krijgen. Voor zover ik dat kan overzien strekt dit verschil in referentiekader zich ook uit tot zaken des geloofs. 'Ongeschoolde' auteurs weten soms hele andere dingen te vermelden dan geschoolde auteurs.
       Dat Jezus door Zijn hart gestoken zou zijn is net als het wonder van de stenen die in brood veranderd werden kenmerkend voor het middeleeuwse volksgeloof. Een zelfbewuste clerc als Jacob - die resoluut protesteert tegen de Walsche pseudo-nieuwtestamentische onzin die hij aantreft in de Franse Histoire del saint Graal van Robert de Boron, die hij voor Albrecht van Voorne moest vertalen - wist wel beter...

Links:

Literatuuropgave:
  • Jos A.A.M. Biemans, Het begrijpen van de vorm. Amsterdam 2005. Oratie UvA.
  • Jos. M.M. Hermans, Het Gronings Zutphense Maerlant handschrift. Codicologische Studies rond handschrift 405 van de Universiteitsbibliotheek te Groningen. Groningen 1979. Publicaties van het Instituut voor Kunstgeschiedenis van de Rijksuniversiteit te Groningen.
  • G.I. Lieftinck, Problemen met betrekking tot het Zutphens-Groningse Maerlant- handschrift. Amsterdam 1959. Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde.
  • Maerlants werk. Juweeltjes van zijn hand. Met inleidingen en vertalingen door Ingrid Biesheuvel. Amsterdam 1998.
  • Oeuvres complètes de Rutebeuf. Publiées par Edmond Faral et Julia Bastin, Tome premier (septième tirage), Paris 1977, p. 440-460 en p. 492-509.
  • Frits van Oostrom, Maerlants wereld. Amsterdam 1996, m.n. p. 373-375.
  • Rutebeuf, Gedichten. Gebloemleesd, vertaald en geannoteerd door Clem Schouwenaars. Brugge 1976, herdruk Baarn 1986, m.n. p. 83-99.
  • Van den lande van ouer zee. Naar het enig bewaard gebleven handschrift ingeleid en toegelicht door Garmt Stuiveling. 2 delen. Amsterdam 1966.


[Dit nummer][Archieven Kuiper]