0711.44 Terug
Vooruit 0711.b

Col: 0711.45

Date: 14 november 2007
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.ru.nl>
Subject: Col: 0711.45: Linguïstisch Miniatuurtje CXXI: Bijna potsierlijk

Linguïstisch Miniatuurtje CXXI:
Bijna potsierlijk

Een taalergernis in Filosofie Magazine, het moet niet veel gekker worden! Straks gaan linguïsten zich ook nog met filosofische kwesties bezighouden, dan is het eind helemaal zoek.

De dichter/filosoof Bas Belleman windt zich in het novembernummer van Filosofie Magazine op over "de opiniemaker" die schrijft: Dit optreden van de minister mag bijna potsierlijk heten. Wat is daar mis mee? Nou, dat bijna. Dat kan volgens de columnist toch echt niet.

Het artikel is geïllustreerd met een tekening van een rood zwaailicht dat naar alle kanten het woord BIJNA uitstraalt, met maar liefst drie uitroeptekens. Het is duidelijk: het woord bijna is volgens de auteur een hinderlijke aandachttrekker.

Bij nadere beschouwing heeft dit artikeltje alle kenmerken van een klassieke taalergernis. De gewraakte taalvorm (en de taalgebruiker) wordt retorisch vakkundig de vernieling in gepraat. Op de eerste plaats is het gebruik van bijna op deze manier eufemistisch ("een defecte knaldemper"). Maar wacht even, het is ook vaag ("comfortabel vaag"), en zelfs dikdoenerig ("de quasi-intelligente variant").

De taalgebruiker krijgt er flink van langs, want niet alleen hanteert hij een "zwaailichtwoord" als potsierlijk, waarvan "de taalstuntelaar weet dat [het] misplaatst [is]," maar hij zet er ook nog eens bijna bij, waardoor hij "de verkeerde woorden [kan] kiezen, terwijl ze de glans van precisie krijgen." Dit eufemisme "fluistert en schreeuwt [tegelijk]," het is "een vorm van ingehouden brullen" die "de sensatie van diepgang" oplevert. En dan zijn we nog maar halverwege het artikel.

De auteur gooit nu alle remmen los: "De spreker," zo gaat hij verder, in de haast vergetend dat het oorspronkelijk om een schrijver ging, "meet zich bovendien de air van visionair aan." Waarom? Omdat bijna potsierlijk als een waarschuwing klinkt. Hij zegt als het ware: "Als het erger wordt, zal [ik] het woordje bijna moeten schrappen." Maar dan komt het.

Ik citeer het even helemaal, want het is te mooi om te omschrijven: "Achter dit eufemisme gaat een nihilistische taalopvatting schuil. Taal kan de wereld nooit perfect weerspiegelen, het 'juiste woord' bestaat niet en daaruit trekken de bijna-zeggers de conclusie dat ze niet meer op nauwkeurigheid moeten mikken, maar op effect." Zo. Dat kunnen ze in hun zak steken, die bijna-zeggers. Over effect gesproken.

Hoe moet het dan wel? Nou ja, je moet "zo precies mogelijk formuleren," want (mooi voor een tegeltje): "Taalverzorging is een morele opdracht." En min of meer ten overvloede wordt daar nog aan toegevoegd: "[D]e bijna-zeggers vinden de taal onbelangrijk."

Het clichématige beeld dat de doorsnee taalcriticus van zijn slachtoffers pleegt te schetsen, is hier wel heel ver doorgevoerd. De taalgebruiker is een pretentieuze en slordige taalnihilist, die op een doortrapte wijze vage eufemismen aanwendt om zich een air van visionair aan te meten.

Dat al deze kwalificaties met elkaar in tegenspraak zijn, zou een filosoof toch moeten opvallen, zou je zeggen. In één adem worden de taalgebruiker onvermogen en doortraptheid aangewreven. Pretentie en slordigheid gaan gebroederlijk hand in hand, en je kunt tegelijk nihilist zijn en er blijkbaar toch vertrouwen in hebben dat je bewust met een subtiele taalwending "de sensatie van diepgang" kunt suggereren.

Maar wat is er dan eigenlijk aan de hand met dat bijna? Heeft de criticus niet toch een beetje gelijk? Nou, dat ligt behoorlijk genuanceerder dan de retoriek ons wil doen geloven.

Door te schrijven Dit optreden van de minister doet bijna potsierlijk aan vermijdt de auteur inderdaad de kwalificatie potsierlijk, die hij blijkbaar misplaatst vindt. Dat kun je domweg eufemistisch noemen, maar je kunt er ook een lofwaardig streven naar precisie in zien.

De verfijnde betekenisnuance van bijna is hier opmerkenswaardig: bijna betekent niet zomaar "ongeveer," maar heeft een veel subtielere invloed op de betekenis, die je goed kunt zien in een zinnetje als We zijn bijna thuis. Als je op weg bent naar huis, en je bent op korte afstand van je doel, dan kun je zeggen We zijn bijna thuis. Als je net van huis bent weggegaan, en je staat op hetzelfde punt, dan is We zijn bijna thuis niet meer adequaat. Bijna heeft een doelbetekenis.

Die doelbetekenis is ongetwijfeld wat Belleman op het idee brengt van die "air van visionair." Met bijna geef je aan dat iets op weg naar een doel, op korte afstand tot dat doel genaderd is. Vrij precies, zou ik zeggen, en absoluut niet vaag.

De taal heeft dit soort benaderingen juist nodig, omdat "het juiste woord niet bestaat". Dat Belleman deze gedachte taalnihilisme noemt geeft geen blijk van een realistische opvatting over taal. Integendeel, het getuigt juist van realisme om vast te stellen dat voor de meeste dingen geen precies woord bestaat, en dat de taal juist daarom subtiele omschrijvende woorden en uitdrukkingen aanwendt om verwante woorden te preciseren. Het gebruik van die woorden is dan ook eerder een poging tot precisie dan het volstaan met vaagheid.

Je ziet het vaker, dat taalergeraars vallen over betekenisnuancerende woordjes of constructies. In een eerder miniatuurtje (nummer 40, http://www.neder-l.nl/bulletin/1997/10/971020.html) besprak ik er een die niet tegen zo'n kon. Wat is dat toch met die ergernissen? Het zal wel zo zijn als Marc van Oostendorp ooit opmerkte in een discussie over taalergernis. Meestal ergeren mensen zich niet aan taalgebruik, maar aan de personen die het bezigen. In dit geval is er ook een oud-Hollands spreekwoord van toepassing: "Wie een hond wil slaan, vindt licht een stok." Het taalgebruik is die stok.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]