0712.01 Terug
Vooruit 0712.03

Med: 0712.02

Date: 2 december 2007
From: Michiel van Kempen <M.H.G.vanKempen@uva.nl>
Subject: Med: 0712.02: Overleden: Boeli van Leeuwen (10 oktober 1922 - 28 november 2007)

Boeli van Leeuwen (1922-2007) herdacht

Hij was op en top een eilandelijk schrijver, maar een schrijver die de grenzen van zijn eiland Curaçao glansrijk oversteeg. Boeli van Leeuwen overleed op woensdag 28 november 2007 om 11 uur 's avonds in de Taamskliniek op Curaçao.

Op 27 oktober 1950 promoveerde Mr. W.C.J. van Leeuwen aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Verwerking van het recht op het overeengekomene. Drie jaar eerder had hij al zijn eerste literaire werken het licht gegeven: de poëziebundel Tempels in woestijnen en de novelle De Mensenzoon. In 1959 zou zijn tot op heden vaakst herdrukte roman verschijnen: De rots der struikeling. Dat met die rots Curaçao bedoeld was, maakte ook het 'Zuid-Amerikaanse' omslag van die eerste uitgave al direct duidelijk: een cactus op een eiland met een felgele zon erboven. Die debuutroman ademt, net als Een vreemdeling op aarde uit 1962 en De eerste Adam uit 1966, een geest van onorthodox katholicisme - wat nogal opmerkelijk is voor een nakomeling van protestantse blanken. Soren Kierkegaard en Teilhard de Chardin, de in de aanloop naar het Tweede Vaticaans Concilie misschien wel meestgelezen theologen, waren in die vroegste romans rond. En nog in zijn laatste boek, de essaybundel De taal van de aarde, droeg Van Leeuwen een opstel op aan een van de progressieve gangmakers van Vaticanum II, Edward Schillebeeckx. Boeli van Leeuwen was gefascineerd door de merkwaardige katholiciteit die zijn geboorte-eiland de Zuid-Amerikaanse levenssfeer binnentrekt. Van wat voor de buitenstaander een karig leven op een kale rots is, maakte hij een bestaan vol mythische dimensies. Het eiland was voor hem een afschaduwing van de grote wereld, waarin kerk en kapitaal aan de touwtjes trekken. Van Leeuwen keek ernaar met verbazing, verbijstering en verontwaardiging. Hij zocht naar een grondpatroon dat aan de chaotische en agressieve wereld een beetje waardigheid zou kunnen verlenen, en meende die terug te vinden bij de kleine krabbelaars, de hoeren, de straatventers, de vissers. Jezus was voor hem zo'n aansprekende figuur, omdat hij zijn discipelen allereerst zocht in diezelfde lagen van de bevolking.

Kierkegaard, Teilhard de Chardin, Schillebeeckx, de theologen die de menselijkheid van de Christusfiguur uittekenden: ze zijn allang door het pijprokende orakel uit Roermond, Jo Gijsen, bisschop van Reykjavik, en zijn Vaticaanse paardenfluisteraar Joseph Alois Ratzinger onder dikke lagen soutanestof afgedekt. Van Leeuwen zette zijn zoektocht voort in nieuwe boeken die hun taal slepen aan die van de Bijbel: Schilden van leem (1985), Het teken van Jona (1988) en de schitterende bundel columns Geniale anarchie (1990). Hij zette onvergetelijke passages neer, sterker naarmate hij dichter bij huis bleef (en het blijft wel oppassen om in elke ik-figuur die zoveel op de echte Boeli lijkt, een autobiografisch verhaal te willen lezen). In Het teken van Jona is er die prachtige passage waarin hij een hoertje van straat oppikt die zich graag door opa over het eiland laat rijden (het 'recht op het overeengekomene'!), terwijl ze de voet van haar linkerbeen achter de achteruitkijkspiegel heeft gehaakt en het andere been door het open raampje naar buiten steekt, zodat de hele wereld zicht heeft op haar 'rimpelloze buik met een bos schaamhaar als prikkeldraad erop'. Tot papito wordt aangehouden door een agent, die van het vrouwelijk landskind de wind van voren krijgt: 'Moet je nou heibel gaan maken omdat opa hier me een verfrissend ritje heeft aangeboden?'.

In een andere scène spreekt hij het uitschot van Curaçao toe vanaf een wankele tafel, en stort hij met groot kabaal neer, de fles in de hand, bankbiljetten ronddwarrelend over de menigte; als hij onder het bloed thuiskomt is er zijn vrouw die van zijn profetische gaven gehakt maakt.

Op 10 oktober 2007, op zijn 85e verjaardag, kreeg Boeli een eregeld aangeboden door het Nederlandse Fonds voor de Letteren. Er werden lezingen over zijn werk georganiseerd, hotemetoten kwamen op bezoek. Op de foto's die bij die gelegenheid gemaakt zijn ziet hij eruit alsof hij zijn dood nog even had uitgesteld om al het opgewonden gedoe rond hem heen verbaasd gade te slaan, zijn borsalino hield hij op als symbool van de zwier waarmee hij het aardse gekrioel altijd had bezien. Als eilandssecretaris onder talrijke regeringen had hij de apparatsjiks zien voorbijkomen en nog eenmaal liet hij ze toe tot zijn universum, indachtig zijn eigen woorden: 'Een boek is dan pas groot wanneer er een wereld voor ons opengaat waarin de schrijver zelf ten onder gaat aan het geschapene en in zekere zin machteloos staat ten aanzien van zijn creatie.'

Michiel van Kempen


[Dit nummer][Agenda]