0803.32 Terug
Vooruit 0803.34

Col: 0803.33

Date: 21 maart 2008
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.ru.nl>
Subject: Col: 0803.33: Linguïstisch Miniatuurtje CXXII: Nijmegen Centraal

Linguïstisch Miniatuurtje CXXII: Nijmegen Centraal

Op 24 april 2008 organiseert de Radboud Universiteit Nijmegen een "Radboudbrede" Onderwijsdag, met als thema De docent centraal. Mooi thema, daar niet van, maar hoe zit die zin in elkaar? Dat zou ik eerst wel eens willen weten.

Je zou zeggen, De docent centraal is een ellips van De docent staat centraal, maar daarmee kun je op grond van de betekenis twee kanten op: het woord centraal heeft iets predicatiefs, omdat het aangeeft dat de docent een centrale figuur is, maar je kunt ook denken dat centraal betrekking heeft op de plaats waar de docent (zij het figuurlijk) zich bevindt. De zin is immers nagenoeg synoniem aan De docent staat in het middelpunt.

Waarom is dat een probleem? Nou, in het laatste geval zou je centraal een bijwoordelijke bepaling van plaats moeten noemen, en staat een werkwoordelijk gezegde, en in het eerste is centraal een naamwoordelijk deel en staat een vervangend koppelwerkwoord.

Is dit nou niet een van die scholastieke twistpunten van de traditionele grammatica, vergelijkbaar met de vraag hoeveel engelen er op de punt van een naald kunnen dansen? Is deze problematiek geen artefact van het onderscheid tussen naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde, dat in de moderne grammatica nauwelijks relevant is? Nou, dat staat nog maar te bezien.

Als je in de zin De docent staat in het middelpunt het zinsdeel in het middelpunt in een links-dislocatie buiten de zin plaatst, krijg je In het middelpunt, dat is waar de docent staat. Het woord waar wijst hier op het adverbiale karakter van het zinsdeel. Bij De docent staat centraal krijg je niet *Centraal, dat is waar de docent staat. Hee, toch een wezenlijk syntactisch verschil! Nu is het niet meer alleen maar betekenis waar het om gaat.

Is centraal in De docent staat centraal dan niet gewoon een andere soort bijwoordelijke bepaling? Vergelijkbaar met bijvoorbeeld De docent staat op één been? Maar nee. Bij De docent staat op één been krijg je niet *Op één been, dat is waar de docent staat, maar Op één been, dat is hoe de docent staat. En bij De docent staat centraal krijg je niet *Centraal, dat is hoe de docent staat.

Een variant die wél met De docent staat centraal overeenkomt, is De docent staat schaakmat. Daar krijg je Schaakmat, dat is wat de docent staat. Zo krijg je ook Centraal, dat is wat de docent staat. Het woord schaakmat is een zelfstandig naamwoord, dat hier dienst lijkt te doen als een predicaatsnomen. Ook hier zou je staat als een vervangend koppelwerkwoord moeten beschouwen.

Maar is dit niet eerder een bepaling van gesteldheid dan? Met staat als werkwoordelijk gezegde, en centraal of schaakmat als een soort werkwoordelijke complementen met een predicatieve betekenis? Dat zou technisch wel kunnen, maar die analyse zorgt wel voor problemen.

De meeste predicaten kunnen net zo gemakkelijk naamwoordelijk deel zijn als bepaling van gesteldheid. Bijvoeglijke naamwoorden (blij, ziek), predicatieve PPs (in de war, op de hoogte). Er zijn maar een paar predicaten die alleen naamwoordelijk deel kunnen zijn (bijvoorbeeld van hout), of alleen bepaling van gesteldheid (tegenwoordige deelwoorden als fluitend, zingend). En predicaatsnomina krijgen vaak het woordje als of tot wanneer ze als bepaling van gesteldheid fungeren.

Het gaat me nu even om die tegenwoordige deelwoorden. Je kunt wel een tegenwoordig deelwoord met het werkwoord staan combineren (De docent staat fluitend voor de klas), maar niet als enige toevoeging (*De docent staat fluitend). Dat is in schril contrast met De docent staat centraal en De docent staat schaakmat. Bovendien, in de links-dislocatie van De docent staat fluitend voor de klas krijg je niet *Fluitend, dat is wat de docent voor de klas staat, maar Fluitend, dat is hoe de docent voor de klas staat. Met andere woorden: de zinsdelen centraal en schaakmat gedragen zich syntactisch helemaal niet als een bepaling van gesteldheid.

Is die constructie met vervangend koppelwerkwoord staan beperkt tot bijvoeglijke naamwoorden als centraal en zelfstandige naamwoorden als schaakmat? Ik denk het niet. Je hebt immers ook De docent staat in de belangstelling, dat wezenlijk lijkt te verschillen van De docent staat in het middelpunt. Ik zou immers denken dat het is In de belangstelling, dat is wat de docent staat, en niet *In de belangstelling, dat is waar de docent staat.

En dan heb je ook nog het eigenaardige verschil tussen De docent staat op de tweede plaats tegenover De docent staat tweede. In het eerste geval is het Op de tweede plaats, dat is waar de docent staat, en in het tweede Tweede, dat is wat de docent staat. Niet *Op de tweede plaats, dat is wat de docent staat, en ook niet *Tweede, dat is waar de docent staat. Nauwelijks betekenisverschil, dus daar zit het hem niet in. Het is alleen maar syntactisch. En de intuïties lijken redelijk scherp. Dit verschil zou in iedere grammatica tot uitdrukking moeten komen.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]