0902.18 Terug
Vooruit 0902.a

Col: 0902.19

Date: 30 januari 2009
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.ru.nl>
Subject: Col: 0902.19: Linguïstisch Miniatuurtje CXXVIII: Dat heeft zo'n humanist toch niet nodig!

Linguïstisch Miniatuurtje CXXVIII: Dat heeft zo'n humanist toch niet nodig!

Ik weet het niet. Het viel me een beetje tegen. Ik zat nietsvermoedend te lezen in De opvoeding van kinderen in de nieuwe uitgave van het verzameld werk van Desiderius Erasmus (het deel "Opvoeding"), en ineens stuitte ik op een passage over grammaticaonderwijs.

Kijk, dat Erasmus schrijft Ik geef toe dat grammaticaregels aanvankelijk oersaai zijn en eerder een noodzaak dan een plezier, dat kan ik best in zijn tijd plaatsen. Dat lijkt een retorische manier om eventuele criticasters gunstig te stemmen. Dat oersaai vind ik wel wat zwaar aangezet, maar in de oorspronkelijke tekst staat subausteras en dat betekent eigenlijk alleen maar "droog." En gelukkig staat er ook "in het begin," dus blijkbaar valt die grammatica best mee als je wat verder gevorderd bent. Bovendien vervolgt hij vrij kort daarna: Toch kan de goede aanpak van de leraar ook in dit geval die lastige taak heel wat verlichten. In het begin moet hij zich beperken tot de helderste en eenvoudigste voorbeelden. Het gaat dus om een goede didactiek. Hedendaagse onderwijskundigen zullen dit inzicht onderschrijven.

Toch bekruipt mij enige twijfel als ik dan verder lees: Wat voor dubbelzinnige en ingewikkelde gevallen krijgen leerlingen nu echter te doorworstelen: namen van letters vooraleer ze hun vormen herkennen, verbuigingen en vervoegingen van buiten leren, of het aantal naamvallen, tijden en wijzen bepalen waarvoor een vorm kan staan. Het naamwoord 'musae' bijvoorbeeld kan genitief en datief enkelvoud zijn, maar ook nominatief en vocatief meervoud; en de werkwoordvorm 'legeris' kan betekenen 'jij wordt gelezen' maar ook 'moge jij graag lezen' en 'je zult gelezen hebben.' Een hartverscheurend gehuil klinkt door de klas wanneer kinderen dit alles moeten opdreunen. Ik kan het wel volgen, en tot op zekere hoogte billijken, maar betekent dit dat "dubbelzinnige en ingewikkelde gevallen" taboe zijn? Ik heb natuurlijk alle begrip voor dat "hartverscheurend gehuil" dat blijkbaar ook van alle tijden is, maar je zou denken dat de ware grammaticaliefhebber toch uiteindelijk naar de fijne subtiliteiten toe wil.

Lichtelijk van mijn stuk gebracht lees ik verder: Sommige leraars voegen hier ijverig nog wat uitzonderingen aan toe, alleen om met hun kennis uit te pakken. Deze verkeerde aanpak maakt de beginselen van zowat alle vakken, en zeker van de logica, nodeloos ingewikkeld en lastig. Nou ja, dat snap ik. Ook vandaag de dag is de kritiek op het grammaticaonderwijs dat het vaak uit hobbyistische overwegingen wordt gegeven. En ook in de hedendaagse vakdidactische literatuur duikt dit type kritiek nog wel eens op: Expliciete grammaticatraining mag mijns inziens nooit - zoals in het verleden helaas wel gebeurde - worden gebruikt als pedagogisch dwang- of machtsmiddel om het (kennis)verschil tussen docent en leerling te benadrukken of om laatstgenoemde te Kleineren (Vakwerk, december 2007, p 20).

De leraren uit de tijd van Erasmus waren echter, in tegenstelling tot hun hedendaagse collega's, tamelijk hardleers: Houd hun echter een geschiktere methode voor en ze antwoorden dat ze het zélf zo hebben geleerd; ze kunnen niet aanvaarden dat er iets kindvriendelijkers bestaat dan wat zij in hun jeugd hebben gekend.

Tot zover lijkt er nog niet veel aan de hand. Erasmus is blijkbaar van mening dat het contemporaine grammaticaonderwijs de verkeerde methode volgt door te vroeg te ingewikkelde leerstof aan te bieden. Maar dan volgt een raadselachtige passage: Het was echter nog veel rampzaliger in mijn kindertijd. Wij werden met geweld onderworpen aan kwellingen als 'wijze van betekenis' en pietluttige vraagjes naar 'de kwaliteit van een woord,' maar leerden ondertussen niets anders dan verkeerd spreken.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik aanvankelijk niets begreep van deze passage. Waar heeft Erasmus het hier over? Wat bedoelt hij met "wijze van betekenis," en wat met "de kwaliteit van een woord"? Ik heb de originele tekst erbij moeten halen, en toen was het nog lastig. Dit stond er: Sed infelicior erat aetas, quae, me puero modis significandi et quaestiunculis ex qua vi pueros excarnificabat, nec aliud interim docens quam perperam loqui. Met hulp van Latinist Vincent Hunink kan ik dat vrij letterlijk vertalen in: Maar het was een ongelukkigere tijd die, toen ik jongen was, jongens kwelde met de "modi significandi" en vraagjes "ex qua vi", intussen niets anders docerend dan foutief spreken. Blijkbaar heeft de vertaler dat vi als "met geweld" gezien, maar dat lijkt niet juist. En die "kwaliteit van een woord" heeft zij er zo te zien helemaal zelf bij verzonnen.

Die modus significandi, dat is een term uit de zogeheten "grammatica speculativa", een stroming van taalwetenschappers (ook wel "modisten" genoemd), waarin -voor het eerst in de geschiedenis- de taal als een apart object van wetenschappelijk onderzoek werd gezien. De modisten onderscheidden een modus essendi, de wijze waarop de dingen bestaan, en een modus intelligendi, de wijze waarop wij de dingen begrijpen. De taal vormt het niveau van de modus significandi, de wijze waarop daartussen een relatie wordt gelegd. De eigenschappen van de taalvormen, zo redeneerden zij, zijn dus rechtstreeks gerelateerd aan de wijze waarop de dingen bestaan én de wijze waarop wij die begrijpen. Aldus kunnen wij iets leren over de andere twee modi door de modus significandi te bestuderen.

Moderne gedachte! Helaas raakten de modisten verstrikt in allerlei metafysische beschouwingen, maar de basisgedachte was prachtig. In de semantiek van de twintigste eeuw (dat is ruim 600 jaar later) zou deze opvatting niet misstaan hebben.

De modisten waren ook de eersten die zich afvroegen hoe de syntactische relaties tussen de zinsdelen verklaard kunnen worden. Hoe kan het, dat het ene woord in de nominatief staat en het andere in de accusatief? Welke krachten zijn hiervoor verantwoordelijk? Zo schrijft Petrus Helias in een commentaar bij een Latijnse grammatica: "Laten we kijken naar Vergilium vivere bonum est. De accusatief Vergilium wordt geregeerd door de infinitief vivere. Waarom? Omdat de infinitief de accusatief regeert ex vi infinitivus." De infinitief regeert de accusatief vanuit de kracht van zijn infinitief-zijn. Dat klinkt een beetje als een open deur, maar toch is het de eerste keer dat taalkundigen zich dat afvragen.

Blijkbaar keert Erasmus zich tegen de grammatica speculativa, waarmee in zijn tijd de jeugd "gekweld" werd. Je kunt je trouwens afvragen of Erasmus zelf hiermee gefolterd is, want in een Spaanse historische grammatica wordt zijn leermeester Sintheim geciteerd: Het is niet zo belangrijk, zo zegt Sintheim, leermeester van Erasmus, te weten op grond waarvan -verwijzend naar de vragen ex qua vi, zoals gebruikt in de analyses van de middeleeuwse grammatici, in het bijzonder van de modisten- een werkwoord een zekere naamval regeert. Wij kunnen zeggen dat een latijns werkwoord de nominatief regeert omdat in vroeger tijden onder de grammatici overeenstemming bestond dat het werkwoord voor zich de nominatief regeert. Blijkbaar huldigde Sintheim dus al de opvatting dat al die filosofische bespiegelingen het grammaticaonderwijs niet ten goede kwamen. Daar zal hij Erasmus dan ook ongetwijfeld niet mee gekweld hebben.

Maar ja, het valt me dus een beetje tegen. Erasmus profileert zich wel als een pleitbezorger van een didactisch beter verantwoord grammaticaonderwijs, maar zijn hoogste doel is niet die grammatica zelf, maar het bestrijden van "foutief spreken." En en passant worden de mensen die interessante vragen stellen op één hoop geveegd met waanwijze en hardleerse schoolmeesters. En tot overmaat van ramp doet een hedendaagse vertaler daar nog eens een schepje bovenop. Zo komt het nooit goed.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]