| 0909.29 |
|
|
|
0909.31 |
|
Lit: 0909.30
Date: 11 september 2009
Pas verschenen
De status van officiële landstaal en haar brede verspreiding via scholing en sociale druk hebben het Algemeen Nederlands in Nederland en het noordelijke deel van België gestaag en onvermijdelijk tot een prestigetaal gemaakt. Daardoor zijn de veel oudere endogene en geografisch gevarieerde spreektalen in een ondergeschikte en in toenemende mate precaire positie gebracht. Deze toestand van de endogene spreektaalvariatie wordt gekenmerkt door haar aanduiding met de term 'dialecten'; een term die eerst bestaat sinds en ten gevolge van de inherente tegenstelling tot een eenheidsvariant die niet als dialect þ maar als (norm)taal þ gepercipieerd en beschermd wordt. Aan het einde van de 20e eeuw hebben taalpolitieke ontwikkelingen op Europees en mondiaal vlak voor de endogene spreektalen kansen gecreëerd om uit deze onzekere toestand te geraken en zelf maatschappelijk prestige te verwerven. De functie die endogene taalvariatie vervult, en de positie die we er als taalgemeenschap aan toekennen, zijn het voorbije decennium in Vlaanderen en in Nederland echter op uiteenlopende manieren geëvolueerd. De liminoïde overgangsfase - gekenmerkt door ambiguïteit, vaagheid en onzekerheid en beleidsmatig geconcretiseerd in de halfslachtige combinatie van verketteren en koesteren, van tolereren en doodzwijgen - lijkt in Nederland ten aanzien van (een deel van) het endogeen talig erfgoed inmiddels afgesloten te zijn. Binnen het areaal van het Nederlandse taalgebied vormt de 19e-eeuwse staatsgrens tussen de Europese lidstaten België en Nederland op dit moment nog steeds een limes (grens) van politiek verschillende houdingen tegenover de positie die endogene taalvariatie daarbij zou mogen innemen en tegenover de wijze waarop dit alles beleidsmatig aangestuurd en ondersteund zou kunnen worden. De casus van ongelijkheid in taalstatuut tussen de endogene spreektalen van de beide provincies Limburg vormde de aanleiding om in een breder perspectief þ zowel binnen het Nederlandse taalgebied als in een internationale Europese context þ de ontstaansgeschiedenis en de taalpolitieke context van het verschil tussen streektalen en dialecten te onderzoeken. Bij zo'n taalkwestie zijn er ook þ misschien wel vooral þ een aantal extra- linguïstische sociale, geografische en taalpolitieke factoren in het geding. Vragen omtrent de maatschappelijke context van de afbakening tussen talen en dialecten, toegespitst op de huidige taalsituatie in (Belgisch-)Limburg, vormen het uitgangspunt voor de verkenning die in dit boek ondernomen wordt. Onvermijdelijk wordt daarbij ook een stuk zeer recente taalgeschiedenis beschreven, zoals die zich in en tussen Nederland en Vlaanderen afgespeeld heeft sinds de jaren 1990. De ontwikkelingen binnen het Nederlandse taalgebied worden daarbij ook geduid tegen de achtergrond van hetgeen in de omliggende landen de voorbije jaren wel of niet met het Handvest CETS 148 gedaan werd. Op de cover van dit boek prijkt een gebroken variant van het Limburgse kussymbool, dat begin april 2009 door de Limburgse provinciebesturen gelanceerd werd om de onderlinge verbondenheid tussen West- en Oost-Limburg zichtbaar en propageerbaar te maken. Misschien is het formele statusverschil tussen de endogene spreektalen in de beide provincies wel meer dan enkel een symbool en tekenend voor de dagelijkse realiteit naast en achter de politieke provinciale profilering? En misschien is de tijd inmiddels rijp om op zoek te gaan naar een alternatieve benadering, waarbij taalvariatie als een vorm van immaterieel cultureel erfgoed benaderd en ondersteund wordt. Recentere internationale beleidskaders zoals de UNESCO-Conventie van 2003 met betrekking tot immaterieel cultureel erfgoed kunnen daarvoor een kader bieden. Dit boek wil een voorzet geven voor een genuanceerd en open debat over deze kwestie, dat in een internationaal perspectief kan bijdragen tot de ontwikkeling van een best practice inzake een eigentijdse, dynamische erfgoedomgang met taaldiversiteit. Dr. Rob Belemans is germanist van opleiding en is sinds vele jaren betrokken bij het wetenschappelijk onderzoek van taalvariatie en bij de brede erfgoedwerking errond in Vlaanderen en Nederland. Hij werkt sinds 2004 als stafmedewerker bij het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed. Dit boek is een ingekorte versie van het proefschrift waarmee hij einde mei 2009 aan de KULeuven promoveerde tot doctor in de Germaanse Taal- en Letterkunde. |