|
Col: 0912.58
Date: Sun, 20 Dec 2009 15:47:51 +0100 [20-12-09 15:47:51 CET]
From: willem.kuiper@uva.nl
Subject: Col: 0912.58: Column Willem Kuiper, no. 73: Dramatisch lezen
Column Willem Kuiper, no. 73: Dramatisch lezen
Heel soms zie ik wel eens iemand in de trein met een partituur in
handen. Er slaat dan altijd een golf ongefilterde jaloezie door mij
heen. Hoe graag zou ik dat kunnen: muziek lezen en horen wat je
leest. Muziek lezen kan ik wel, maar ik heb een muziekinstrument
nodig om die noten in klanken en tonen om te zetten. Toen ik nog
actief schaakte heb ik mensen leren kennen die blind konden schaken.
Die lazen de notatie van de zetten en voerden die in gedachten uit.
Heb ik ook nooit gekund, maar vind ik minder erg. Vervelender was
een andere tekortkoming: ik heb een beroerd kaartgeheugen. Aan de
bridgetafel kost het mij de grootste moeite te onthouden wat er
gespeeld en bijgespeeld is, en wat nu hoog is. Tussen de bedrijven
door sprak ik wel eens met een beroepsspeler, en die wist zich tot
mijn verbijstering complete spellen te herinneren die tafels geleden
gespeeld waren, hoe er geboden was en waarmee uitgekomen.
Tijdens mijn studie Nederlands
kwam ik erachter dat ik wel een geheugen voor woorden had. En dat ik
mij die woorden in hun context kon herinneren. Zo heb ik (mijzelf)
al lezende Middelnederlands geleerd. Niet uit eigenwijzigheid, maar
bij gebrek aan historisch taalkundig onderwijs. Wat mij wel geleerd
werd, door Lulofs, was mijn leessnelheid te temperen. En dat nadat
ik daarvóór geprobeerd had via een of andere
Amerikaanse methode mijn leessnelheid te verdubbelen. Het langzaam
lezen heeft het gewonnen.
Hoe weet je of je begrijpt wat je
leest? Als je het na kunt vertellen. Met de nadruk op navertellen en
niet op herhalen. Teksten zijn in beginsel samenhangend. Doorzie je
die samenhang dan kun je de tekst in kwestie onthouden en
navertellen. Teksten die je niet begrijpt kun je heel moeilijk
onthouden. Alles draait dus om de vraag: begrijp ik wat ik lees?
Momenteel lees ik Valentin et
Orson in een nadruk van de editie Lyon 1489, en een Nederlandse
vertaling daarvan in een Amsterdamse druk uit omstreeks 1770. Dat
lijkt op het eerste en tweede gezicht krankjorum jong, maar in de
praktijk blijkt dat wonderwel te lukken. Valentyn en Oursson
is geen herspelde Middelnederlandse tekst, daarvoor zijn de
redactionele ingrepen om deze roman over de tweeling-neven van
koning Pepyn [de Korte] voor een laat achttiende-eeuws publiek
genietbaar te maken te groot, maar ik heb na dertig hoofdstukken nog
altijd niet de indruk dat deze druk wezenlijk verschilt van de
veronderstelde maar verloren gegane vertaling van omstreeks het
midden van de zestiende eeuw. De reden overigens dat ik voor die
druk van ca. 1770 gekozen heb, is de kwaliteit van de typografie.
Die was zo goed dat deze druk leesbaar gedigitaliseerd kon worden
zonder dat daar een digitale fotostudio aan te pas hoefde te komen.
Een raam aan de Oude Turfmarkt en een middagzonnetje waren ruim
voldoende.
Begrepen die achttiende-eeuwse
Amsterdammers deze in wezen middeleeuwse tekst? Het moet haast wel,
want het aantal herdrukken loopt in de tientallen. Ik in elk geval
begrijp hem wel, want ik schiet al lezend regelmatig in de lach. Nu
weet ik ook wel dat er wetenschappers zijn die denken dat dat niet
kan: ons gevoel voor humor is zo veranderd dat wij die middeleeuwse
humor met een pruik op hooguit kunnen analyseren, maar er spontaan
om lachen is pure aanstellerij.
Misschien ligt het aan mijn gevoel
voor humor of aan mijn inlevingsvermogen of aan mijn belezenheid,
maar ik beleef een oprecht plezier aan het lezen van deze
klassieker, waarvan geen Nederlandse en zelfs geen Franse editie
bestaat. Die Nederlandse editie is in staat van wording. Voor de
Franse kan ik wel wat hulp gebruiken in verband met de conventies.
Wie zin heeft wordt verzocht te reageren. Maar denk erom, het is een
dik boek!
Waarom moet ik lachen? Natuurlijk
om de intrinsieke dubbelzinnigheid die dit soort teksten eigen is:
het ene zeggen, het andere bedoelen. Maar vooral toch omdat de
tekst, en dat geldt voor heel veel middeleeuwse teksten, zo
dramatisch is. Het is - ook in het Amsterdam van 1770 - in de
allereerste plaats een voorleestekst. De roman wordt gedragen door
een verteller, die waar nodig in de huid van een personage kruipt.
Soms zie ik de gezichten die hij trekt en de gebaren die hij maakt
voor mij, zoals iemand die blind kan schaken of muziek van papier af
luisteren. De woorden veranderen in bewegende beelden.
Dit dramatisch lezen - ik heb die term niet zelf bedacht, maar
overgehouden aan een NLCM-werkgroep over middeleeuws toneel, waar
hij door theaterwetenschapper Rob Erenstein gebezigd werd - bewaar
ik niet voor teksten waarin de vrolijke obsceniteit niet geschuwd
wordt, zoals de Nederlandse vertalingen [van Jan van Doesborch?] van
verhalen uit de Bourgondische feestbundel Les cent nouvelles
nouvelles, die te vinden zijn in Dat bedroch der vrouwen
en Dat bedroch der mannen, maar ook voor het serieuze werk,
als bijvoorbeeld de Queeste vanden Grale, waaraan ik voor het
Huygens Instituut werk. Ook in die roman dwing ik mijzelf een
voorstelling te maken van wat ik lees.
De Queeste vanden Grale is
een onderdeel van de grote Lancelot-en-Prose, waarin
wereldlijke normen en waarden gereduceerd worden tot een holle
ideologie van vleselijke geneugten die leidt tot dood en
verderf, hel en verdoemenis, terwijl geestelijke normen en waarden
als de enige uitweg naar een leven na de dood worden gepropageerd.
Naar ik vermoed nog in de dertiende eeuw heeft een Vlaamse dichter
deze Oudfranse prozaroman vertaald in verzen. Die vertaling is
verloren gegaan en alleen bewaard gebleven in de versie van de
Lanceloet-compilator. Omdat de vertaling te lang was heeft
deze compilator de tekst verticaal in tweeën gescheurd en die
halve zinnen met iets meer dan tien rijmwoorden en evenveel
stoplappen aan elkaar geplakt. Althans in het tweede deel van de
tekst dat mij is toevertrouwd. Je zou het de compilator gunnen dat
hij op dezelfde liefdeloze wijze in een middeleeuws hospitaal
gehecht werd nadat hij de zoon van de vertaler was tegengekomen.
De enige manier om de
Middelnederlandse tekst te begrijpen is de Oudfranse brontekst ernaast te
leggen, en dat doe ik dan ook. Dan nog blijven er
tekstinterpretatieve problemen. Een voorbeeld (in de linkermarge
staan de regelnummers; de 'corrector' heeft af en toe woorden in de
linkermarge bijgeschreven):
-
| ¶ | | Nu hort Hestors
visioen! |
| | Dien dochte een wonderlic
doen: |
| want | | Hem dochte dat
Lanceloet ende hi |
| 5916 | | In enen setel saten, ende dat
si |
| | Vanden setele gingen
neder |
| | Ende saten op IJ parde
weder |
| | ende seiden: “Laet ons
bewinden |
| 5920 | | Te sokene, dat wi nine
vinden!” |
| | Ende si reden vele
dachvarde. |
| | Daer na stac een
man vanden parde |
| | Lancelote, ende dede hem
af |
| 5924 | | Alle sine cledere, ende
gaf |
| | Lancelote een ander cleet
doe |
| | Ende settene op enen esel
toe. |
Ik parafraseer: Hestor droomt dat Lanceloet en hijzelf in een zetel
zaten, dat zij die zetel verruilen voor het zadel van een paard en
vervolgens besluiten om te gaan zoeken wat zij niet zullen vinden.
Na een aantal dagen gereden te hebben wordt Lanceloet zonder opgaaf
van reden door een “man” van zijn paard gestoken,
uitgekleed. van andere kledij voorzien en op een ezel gezet. Over
dat “ander cleet” verder geen woord.
Hoe kan een “man” -
geen ridder! - in staat zijn Lanceloet van zijn paard te steken? Dat
is toch episch onmogelijk. Nog eerder valt een bank om dan Lanceloet
van zijn paard. Wat leest de brontekst? Ik citeer de
editie-Pauphilet, die nauw verwant lijkt:
-
| | Mes a Hestor avint une autre
mout dessemblable a cele avision. Car il li ert avis qu’entre
lui et Lancelot descendoient d’une chaiere et montoient sus
deus granz chevaus, et disoient; “Alons quierre ce [150] que
nos ne troverons ja!” Maintenant se departoient et erroient
mainte jornee, et tant que Lancelot chaoit de son cheval; si
l’en abatoit uns hons qui tout le despoilloit. Et quant il
l’avoit
despoillié, il li vestoit une robe qui toute ert pleine de
frangons, et si le montoit sus un asne. (p.
149-150) |
De twee paarden zijn “granz chevaus” in de brontekst, waarmee
strijdpaarden bedoeld zullen zijn, geen rijpaarden. Maar dan… In het
Frans - ook in de edities van Sommer en Bogdanov - staat dat Lancelot van
zijn paard valt, en dat een man hem vervolgens neerslaat, die hem van al
zijn kleren berooft en hem een “robe” aantrekt, die vol
hulsttakken zit. Aangezien deze passage zich niet afspeelt in de Kersttijd
zullen deze hulsttakken niet als versiering bedoeld zijn. Uit andere
middeleeuwse teksten weten wij dat heilige mannen en vrouwen - Lutgard van
Tongeren bijvoorbeeld - giftige buxustwijgen onder hun ‘hemd’
droegen om hun huid te irriteren en hun ziel te kietelen. Met die
hulsttakken - exemplarisch scherp en hard - zal wel iets dergelijks bedoeld
zijn. Waarom de compilator dit detail verwijderde weet ik niet, wel dat hij
dit voortdurend doet.
Blijft de manier waarop Lancelot ridder
te voet wordt: hij valt van zijn paard, en wordt daarna pas
‘neergeslagen’ door een ‘man’, bij Sommer een
“viex hons”, een oude man. Het wil er bij mij niet in dat
Lancelot door een (oude) man zomaar van zijn paard geslagen wordt. Het
lijkt mij ook geen proteron husteron, zoals de compilator (of voor hem de
vertaler?) gedacht moet hebben. Volgens mij staat er dat Lancelot van zijn
paard valt, en dat een (oude) man met een ezel, in plaats van hem overeind
te helpen, hem neerslaat [met een eind hout?] enzovoort.
Maar… in de recente synoptische
editie/vertaling van Fanny Bogdanov en Anne Berrie lees ik:
“Aussitôt ils se séparaient et chevauchaient pendant
plusieurs jours, et à la fin Lancelot tombait de son cheval, abattu
par un homme qui le dépouillait de ses vêtements, lui passait
ensuite une robe toute hérissée de houx et le faisait monter
sur un âne.” (p. 387)
Lancelot valt van zijn paard, omdat hij
er door een man wordt afgeslagen. Gelukkig worden de dromen van de
hoofdpersonen verderop in de tekst verklaard door een heilig man als
bijvoorbeeld een kluizenaar. Deze legt dan uit wat de oplettende lezer zelf
al bedacht had:
-
| | Lors parole li preudons a Hestor et li
dit: “Hestor, il vos fu avis qu’entre vos et Lancelot
descendiez d’une chaiere. Chaiere senefie mestrie ou seignorie. La
chaiere dont vos descendiez, ce est la grant honor et la grant reverence
que len vos portoit a la Table Reonde; ce est a dire que vos la lessastes
quant vos partistes de la cort le roi Artus. Vos montastes entre vos deus
sus deus granz chevax, ce est en orgueil et en bobant, ce sont li dui
cheval a l’anemi. Et puis disiez: “Alons quierre ce que nos ne
troverons ja,” ce est li sainz Graax, les secrees choses Nostre
Seignor, qui ja ne vos seront mostrees, car vos n’estes pas dignes
dou veoir. Quant vos fustes partiz li uns de l’autre, Lancelot
chevaucha tant qu’il chaï de son cheval, ce est a dire
qu’il lessa orgueil et se prist a humilité. Et sez tu qui
l’osta d’orgueil? Celui qui abati orgueil dou ciel; ce fu
Jhesucrist, qui humilia Lancelot et le mena a ce qu’il le despoilla.
Il le despoilla des pechiez, si qu’il se vit nuz des bones vertuz que
crestiens doit avoir, et cria merci. Et maintenant le revesti Nostre Sires,
et sez tu de quoi? De pacience et d’umilité: ce fu la robe
qu’il li dona qui estoit pleine de frengons, ce est la haire qui est
aspre come frengons. Puis le monta sus un asne, ce est la beste
d’umilité, et bien fu aparant chose, que Nostre Sires le
chevaucha quant il vint en sa cité de Jherusalem, qui estoit rois
des rois, et avoit totes richesces en sa baillie, ne n’i volt pas
venir sus destrier ne sus palefroi, ainz i vint sus la plus rude beste et
sus la plus vilaine, ce est sus l’asne, por ce que li povre et li
riche i preissent essample. |
In de bewerking van de Lanceloet-compilator:
| ¶ | | Daer na sprac die goede
man |
| 6244 | | In deser maniren Hestor
an: |
| | “U dochte,” seit hi,
“dat Lanceloet ende gi |
| | Op enen setele zaet. Nu
suldi |
| | Biden setele verstaen
meestrie |
| 6248 | | Ende oec mede
herscapie. |
| ende | | Dat gire af ginct, bediet
mede |
| | Minne ende oec
weerdechede, |
| | Die u dede, ter selver
stonden, |
| 6252 | | Dat geselscap vander
Tavelronden |
| | Met eren ende met groten
love |
| | In des conincs Arturs
hove. |
| ende | | Dat gi saet op IJ grote
parde: |
| 6256 | | Dat es scalcheit ende
hovarde, |
| | Dat sijn duvels parde, sonder
waen! |
| ende | | Dat gi vort seit: ‘Laet ons
gaen |
| | Ende ons te soekene onder
winden, |
| 6260 | | Dat wi niet selen mogen
vinden!,’ |
| | Dats tGrael, als gi verstaen
moget, |
| | Dat u niet en ward getoget,
|
| | Om dat gijs niet werdech
sijt. |
| 6264 | | Als gi versceden ward, ter
tijt |
| | Dat Lanceloet van sinen
parde vel, |
| | Bi desen mogedi verstaen
wel, |
| | Dat hi anevinc
oetmodechede. |
| 6268 | | Wetstu wie hem dat doen
dede? |
| et dede | | Die di hoverde
sekerlike |
| | Neder warp, van
Hemelrike |
| | Dat was Jhesus Kerst, die
Lancelote soe |
| 6272 | | Oetmodechde, ende brachte daer
toe, |
| | Dat hi beliede sine
sonden, |
| | Alse die hem naect sach tien
stonden |
| | Van allen dogeden, die
dan |
| 6276 | | Sculdech was te hebbene enech
man. |
| | Hi bat Gode genade
sere. |
| | Te hant vercleetdenne Onse
Here, |
| | Dat was metter
oetmodechede, |
| 6280 | | Ende oec metter
gedoechsamhede. |
| | Dit es tcleet dat hem Onse
Here gaf, |
| | Daer di wilen te voren quam
af. |
| | Hi settene op enen esel daer
naer. |
| 6284 | | Die esel es - dats oppenbaer
- |
| | Die beeste van
oetmodecheden. |
| | Dat sceen wel ter selver
steden |
| | Daer God quam te
Jherusalem. |
| 6288 | | Hi hadde enen esel onder
hem, |
| | Dien Hi daer gereden
brachte. |
| | Al was Hi van groter
machte, |
| | Hine wilde niet tien
tiden |
| 6292 | | Ors no teldende part
riden. |
Het verloop van de gebeurtenissen is er na deze uitleg een stuk duidelijker
op geworden: Lancelo(e)t is door het doelloos dolen in een toestand van
gepeins geraakt, en valt van zijn paard op het moment dat
hij zich van zijn ‘hoogmoed’ bewust wordt.
Er zijn belangrijker dingen om over na te
denken in deze donkere dagen voor Kerstmis, maar mocht iemand de moeite
willen nemen dit te doen, dan ben ik zeer benieuwd te horen hoe diegene
zich deze dramatische gebeurtenis voorstelt.
Literatuuropgave:
- Les Aventures ou la Queste del Saint Graal, in: H.O. Sommer,
The Vulgate version of the Arthurian Romances […], vol. VI.
Washington 1913.
- La Queste del Saint-Graal. Roman du XIIIe siècle.
Edité par Albert Pauphilet. Paris 1967.
- La Quête du Saint-Graal. Roman en prose du XIIIe
siècle. Texte établi et présenté par Fanni
Bogdanow, traduction par Anne Berrie. Paris 2006.
Dat Bedroch der vrouwen, Dat Bedroch der mannen en de editie
van Valentyn en Oursson (in staat van wording) staan op:
http://cf.hum.uva.nl/dsp/scriptamanent/bml/bmlindex.htm
|