Archief
Deze webpage bevat het archief met gegevens over oudere nummers
van dit tijdschrift. Meer recente, jongere nummers vindt u
elders op deze site.
Jaargang 5, nummer 3, augustus 2000
- Thema: Letterkunde in Zuid-Afrika.
- Hans Ester.
Inleiding. Blz. 201-203.
(Ester stipt de nieuwe situatie aan, waarin de Afrikaanse
literatuur zich sinds 1990 bevindt en die een heroriëntatie
op de bestudering ervan noodzakelijk maakt.)
- Ena Jansen.
Notities over de weerklank van Zuid-Afrikaanse literaire
vertogen. Blz. 204-218.
(Bespreking van de mogelijkheid te komen tot een
representatieve, nationale Zuid-Afrikaanse
literatuurgeschiedenis, waarin de verschillende talen en culturen
in onderlinge samenhang aan bod komen.)
- George Weideman.
Skrywerskap en kulturele identiteit in Suid-Afrika: oorlewing
deur die oorlewering. Blz. 219-235.
(In Afrika gewortelde mythen, sprookjes en verhalen hebben
ook hun invloed gehad op de Afrikaanstalige literatuur en vormen
de basis voor de gezamenlijke overleving in Zuid-Afrika.)
- Siegfried Huigen.
Bataafse koloniale politiek en reisverslagen over
Zuid-Afrika. Blz. 236-251.
(De reisverslagen die van 1802-1806 werden geschreven dienden
vooral de regeerders die greep op de binnenlandse brandhaarden
wilden krijgen.)
- Heilna du Plooy.
Met die verlede die toekoms in: vrouweskrywers van die
negentigerjare in Afrikaans. Blz. 252-267.
(De vrouwelijke auteurs vertolken een prominente rol als
vertellers van de eigentijdse problematiek van Zuid-Afrika.)
- Abraham H. de Vries.
Die orale tradisie in die werk van twee Afrikaanse outeurs.
Blz. 268-285.
(De orale verhaal- en poëzietraditie is prominent
aanwezig in het werk van Eugène N. Marais en van
Boerneef.)
- Lina Spies.
'n Blik van binne: Gerrit Komrij se bloemlezing "De
Afrikaanse poëzie in 1000 en enkele gedichten". Blz.
286-292.
(Bespreking van de bloemlezing die nogal wat kritiek heeft
ontvangen heeft. Volgens Spies is de verschijning ervan echter de
meest grensoverschrijdende daad van het laatste decennium ter
herstelling van de cultureel banden tussen Nederland en
Zuid-Afrika.)
- H.P. van Coller.
Lewensverhale van twee veelsydige skrywers. Blz. 293-300
(Bespreking van J.C. Steyn's "N.P. van Wyk Louw: 'n
lewensverhaal" (1998) en J.C. Kannemeyer's "Leipoldt: 'n
lewensverhaal" (1999) tegen de achtergrond van de veranderende
historiografische inzichten.)
- Over de auteurs. Blz. 301.
- Periodiek:
<Door: Nelleke Moser en Bertram Mourits:> Overzicht van
bijdragen in letterkundige, literaire, algemeen-culturele,
binnen- en buitenlandse tijdschriften. Blz. 302-304.
Jaargang 5, nummer 2, mei 2000
- Hermine Joldersma en Dieuwke van der Poel.
Sij singhen met soeter stemmen: het liederenhandschrift
Brussel KB II 2631. Blz. 113-137.
(Onderzoek naar milieu en functie van het
verzamelhandschrift. In bijlage een incipitregister met
concordantie op Knuttel.)
- Ute Schürings.
'Dikke Duitsers in burger': over de functie van stereotiepe
Duitslandbeelden in het werk van Willem Frederik Hermans. Blz.
138-153.
(De vertrouwde stereotypen worden door Hermans door
ongerijmdheden op de helling gezet, waardoor de lezer op het
verkeerde been wordt gezet en aan het twijfelen gebracht.)
- Frans-Willem Korsten.
Meisje doodt Man: een (post)moderne lezing van Vincent
Mahieus 'Tjoek'. Blz. 154-172.
(Nieuwe interpretatie van deze postkoloniale roman.)
- Stand van zaken:
- G.F.H. Raat.
Geen rust voor de kunstvlooien: over de stand van zaken van
de Claus-studie. Blz. 173-182.
(Uitgebreide opsomming van desiderata betreffende de
bestudering van het oeuvre van Claus, waarbij de
wetenschappelijke kunstvlooien wordt verzocht hun activiteiten op
elkaar af te stemmen.)
- Grensverkeer:
- Arie Jan Gelderblom.
Histoire à la française. Blz. 183-186.
(Bespreking van 'Histoire de la littérature
néerlandaise' (Fayard, 1999), o.a. in relatie tot
'Nederlandse literatuur, een geschiedenis' en de nog te
verschijnen Taalunieproject.)
- Kortaf. Blz. 187-192.
- <Door: Karel Bostoen:> Th.C.J. van der Heijden en
F.C. van Boheemen. Met minnen versaemt: de Hollandse rederijkers
vanaf de middeleeuwen tot het begin van de achttiende eeuw.
Eburon, Delft, 1999. . Th.C.J. van der Heijden en F.C. van
Boheemen. Rhetoricaal memoriaal: bronnen voor de geschiedenis van
de Hollandse rederijkers vanaf de middeleeuwen tot het begin van
de achttiende eeuw. Eburon, Delft, 1999.
- <Door: Jos Muyres:> Elke Brems. Alles is leugen: de
vroege romans van Gerard Walschap. Uitgeverij Manteau/Standaard
Uitgeverij, Brussel, 1999.
- <Door: Yra van Dijk:> Jan Oegema. Lucebert, mysticus:
over de roepingsgedichten en de 'Open brief aan Bertus Aafjes'.
Vantilt, Tilburg, 1999.
- Periodiek:
<Door: Nelleke Moser en Bertram Mourits:> Overzicht van
bijdragen in letterkundige, literaire, algemeen-culturele,
binnen- en buitenlandse tijdschriften. Blz. 193-198.
Jaargang 5, nummer 1, januari 2000
- Geert Buelens.
Een wel zeer eigenzinnige kapelmeester: Gaston Burssens'
vroege poëzie in het licht van Paul van Ostaijen. Blz. 2-20.
(De schatplichtigheid van Burssens aan Van Ostaijen wordt
door middel van interpretatie van een aantal vroege gedichten
vastgesteld.)
- Herman Brinkman.
De herkomst van de tekstverzameling in het handschrift-Van
Hulthem. Blz. 21-46
(Op basis van inhoudelijke analyse wordt de hypothese
gelanceerd dat het Hulthemse handschrift ontstaan is nabij
Sint-Jans-Molenbeek.)
- Matthijs van Otegem.
Vondels bespiegelingen over de nieuwe filosofie. Blz. 47-61.
(Op grond van een analyse van vooral het Eerste Boek van
Vondels 'Bespiegelingen van God en Godsdienst' (1662) wordt
beargumenteerd dat Vondel zich fel afzet tegen de toen nog
ongeschreven filosofie van Spinoza. Wel blijkt hij beïnvloed
door de Cartesiaanse filosofie, zonder deze te hebben
overgenomen. Van Otegem past deze conclusie overtuigend toe bij
de interpretatie van Vondels Lucifer (1654) en de rol van de
vrije wil bij de handeling in dit treurspel. De schets van het
milieu waarin Vondel kennis kan hebben opgedaan van de
denkbeelden van Spinoza en Descartes is, hoewel niet per se
onjuist, toch wel erg kort door de bocht.)
- Stine Jensen.
Ecce simius!: over 'Mijn aap schreit' van Albert Helman. Blz.
62-85.
(Nieuwe interpretatie van deze intrigerende korte roman uit
1928.)
- Stand van zaken:
- Wim van Anrooij.
Jan van Boendale en de Antwerpse School. Blz. 86-97.
(Met als voorbeeld de casus van de opkomst van de priamels in
de Nederlandse letterkunde breekt Van Anrooij een lans voor de
bestudering van Jan van Boendale en de Antwerpse School binnen
een brede literair-historische context.)
- Grensverkeer:
- Dick van Halsema.
Op de grens van twee culturen. Blz. 100-103.
(Kritische reactie op: Frits Boterman en Piet de Rooy. Op de
grens van twee culturen, Nederland en Duitsland in het Fin de
Siècle. Amsterdam, 1999.)
- Kortaf. Blz. 104-108.
- <Door: Jeroen Jansen:> Erycius Puteanus (Honorius
van den Born). Sedigh leven, daghelycks broodt (1639); ingeleid,
uitgegeven en toegelicht door Hugo Dehennin. Konklijke Academie
voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent, 1999 (Literaire
tekstedities en bibliografieën, 1).
- <Door: A.M.A. van den Oever:> Johan P.Snapper. De wegen
van Marga Minco. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 1999.
- Periodiek:
<Door: Nelleke Moser en Bertram Mourits:> Overzicht van
bijdragen in letterkundige, literaire, algemeen-culturele,
binnen- en buitenlandse tijdschriften. Blz. 109-111.
Jaargang 4, nummer 4, november 1999
- Johan Koppenol.
Nodeloze onrust: het 'roomse karakter' van Vondels "Gysbreght
van Aemstel". Blz. 313-329.
(De Amsterdamse predikanten hadden hun gelovigen met een
gerust hart naar de Schouwburg kunnen sturen: de katholieke
scènes in de Gysbreght waren eerder lachwekkend dan
opwekkend tot het oude geloof.)
- Mikel M. Kors.
Ruusbroecs Unvollendete. Tekstgeleding in de handschriften en
de compositie van "Vanden XII beghinen". Blz. 330-346.
(Op basis van de handschriften en met in acht neming van
historische gegevens wordt vastgesteld dat "Vanden XXI beghinen"
een laat werk van Ruusbroec is en niet een uit verschillende losse
werkjes samengestelde tekst.)
- Anneke van Luxemburg-Albers.
Directeur Bint in de discussie over het onderwijs. Blz.
347-365.
(De onderwijsopvattingen van Bordewijks romanpersonage worden
gelegd naast opvattingen over onderwijs in contemporaine
pedagogische en socialistische publicaties. Hieruit blijkt dat
diens systeem niet uitzonderlijk is, maar de uitvoering ervan wel
hartvochtig.)
- Nel van Dijk.
Top-, middenklasse en marginale auteurs: loopbanen van
debutanten uit de jaren zeventig. Blz. 366-384.
(Op basis van kwantitatieve en kwalitatieve analyses worden de
auteurs Monika Sauwer (middenklasse) en Nicolaas Matsier
(topklasse) vergeleken voor wat betreft hun loopbaan, de receptie
bij de toonaangevende literaire critici en hun eigen invloed op
hun succes. Met als aanbeveling voor auteurs: ga netwerken.)
- Stand van zaken:
- M.A. Schenkeveld-van der Dussen.
Schopenhauers vloek of het probleem van de herspelling. Blz.
385-390.
(Pleidooi voor het herspellen van de tekst en het ingrijpen in
de interpunctie in studie-uitgaven en in uitgaven die bestemd zijn
voor de wetenschap als een breder publiek.)
- Grensverkeer:
- Harald Hendrix.
Een ironisch travestiefestijn. Blz. 391.
(Over de aantrekkingskracht van de 'Pastor Fido' van Battista
Guarini op verschillende soorten publiek.)
- Kortaf.
- <Door: Yra van Dijk:> Thomas Vaessens. Circus Dubio
& Schroom: met Martinus Nijhoff, Paul van Ostaijen & de
mentaliteit van het modernisme. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1998.
- <Door: Ad Zuiderent:> Bart Vervaeck. Het postmodernisme
in de Nederlandse en Vlaamse roman. VUBPress, Brussel / Vantilt,
Nijmegen, 1999.
- <Door: Fabian R.W. Stolk:> P. Roelens en E. Vanhoutte.
Een huis dat tussen nacht en morgen staat: varianten bij Hugo
Claus. Gent, 1998. (Overdruk uit: Verslagen en mededelingen van de
Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde: 108
(1998), afl. 1.)
- <Door: Hans Anten:> Dorian Cumps. De eenheid in de
tegendelen: de psychosomatische verhaalwereld van F. Bordewijk
(1884-1965) en de mythe van de hermafrodiet: een interpretatie.
Amsterdam University Press, Amsterdam, 1998.
- <Door: <Door: Hanna Stouten:> Annemieke Meijer. The pure
language of the heart: sentimentalism in the Netherlands
1775-1800. Amsterdam, 1998 (Studies in comparative literature,
14).
- <Door: Marijke Meijer Drees:> W.R.D. van Oostrum.
Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1982): ambitieus, vrijmoedig en
gevat. Verloren, Hilversum, 1999.
- <Door: Jan Konst:> Anna de Haas. De wetten van het
treurspel: over ernstig toneel in Nederland, 1700-1772. Verloren,
Hilversum, 1998.
- <Door: Lia van Gemert:> L. Strengholt. Een lezer aan het
woord: studies van L. Strengholt over zeventiende-eeuwse
Nederlandse letterkunde; onder redactie van H. Duits, A.M.Th.
Leerintveld, T.L. van Strien. Stichting Neerlandistiek VU,
Amsterdam / Nodus Publikationen, Münster, 1998. (Uitgaven
Stichting Neerlandistiek VU, 26.)
- <Door: Jos A.A.M. Biemans:> M.K.A. van den Berg. De
Noordnederlandse historiebijbel: een kritische editie met
inleiding en aantekeningen van Hs. Ltk 231 uit de Leidse
Universiteitsbibliotheek. Hilversum, 1998 (Middeleeuwse Studies en
Bronnen, 56).
- <Door: Erwin Mantingh:> W.J. Pijnenburg & T.H.
Schoonheim. Middelnederlands lexicon. 2-de herziene en uitgebreide
druk. Schiphouwer en Brinkman, Amsterdam, 1997.
- <Door: Erwin Mantingh:> Die Historie van Coninc Karel
ende van Elegast, gevolgd door Beatrijs. Karel ende Elegast:
geschreven omstreeks 1200, door een onbekend dichter; verteld door
Jo van Eetvelde; wetenschappelijke begeleiding A.M. Duinhoven.
's-Gravenhage Koninklijke Bibliotheek 169 G 63. Beatrijs:
geschreven in de tweede helft van de 13-de eeuw door een onbekend
dichter; verteld door Jo van Eetvelde; wetenschappelijke
begeleiding J.D. Janssens. 's-Gravenhage Koninklijke Bibliotheek
76 E 5. 2 CD's: Poketino 967001-2 (70'04") en 967002-2 (73'08"),
1996. Beatrijs: Marialegende uit de 13-de eeuw; stem Tine
Ruysschaert, hertaling Willem Wilmink, zang Chris Nieuwenhuysen,
regie Herman Verschelden. René Gailly CD 87903 (51'54"),
1997.
- Periodiek:
<Door: Nelleke Moser en Bertram Mourits:> Overzicht van
bijdragen in letterkundige, literaire, algemeen-culturele, binnen-
en buitenlandse tijdschriften. Blz. 426-433.
Jaargang 4, nummer 3, augustus 1999
- G.J. Johannes.
De erfenis van Hinkmar von Repkow: B.H. Lulofs' bewerking van
Hugh Blairs 'Lessen over de redekunst'. Blz. 217-245.
(Onderzoek in het kader van het door NWO gesubsidieerde
onderzoeksproject 'De veranderende verhouding tussen poëtica
en retorica in Nederland (1760-1830)'.)
- A.M. Duinhoven.
De bron van 'Jonathas ende Rosafiere'. Blz. 246-261.
(Het in fragmenten overgeleverde gedicht Jonthas ende
Rosafiere' blijkt, naast gedeeltes die ontleend zijn aan de
Beatrijs, terug te voeren op het exempel van de soudaensdochter.)
- Grensverkeer:
- Nico Laan.
Wenen als pronkstuk. Blz. 262-264.
- Kortaf. Blz. 265-299.
- <Door: Peter de Bruijn:> An de Vos. Gezelles
'Gouden eeuw': de Zuidnederlandse zeventiende-eeuwse literatuur
in het werk van Guido Gezelle. Peeters, Leuven, 1997. Antwerpse
studies over Nederlandse literatuurgeschiedenis 1.
- <Door: Lotte Jensen:> Dorothée Sturkenboom.
Spectators van hartstocht: sekse en emotionele cultuur in de
achttiende eeuw. Verloren, Hilversum, 1998.
- <Door: Jan Oosterholt:> G.J. Johannes. De lof der
aalbessen: over (Noord-)Nederlandse literatuurtheorie, literatuur
en de consequenties van kleinschaligheid 1770-1830. SDU
Uitgevers, Den Haag, 1997 (Nederlandse cultuur in Europese
context; monografieën en studies).
- <Door: Els Stronks:> J. Smelik. Eén in lied en
leven: het stichtelijk lied bij de Nederlandse protestanten
tussen 1866 en 1938. SDU Uitgevers, Den Haag, 1997 (IJkpunt 1900:
Nederlandse cultuur in Europese context, deel 9).
- <Door: J.W.E. Klein:> Jos A.A.M. Biemans. Onsen
Speghele Ystoriale in Vlaemsche: codicologisch onderzoek naar de
overlevering van de 'Spiegel historiael' van Jacob van Maerlant,
Philip Utenbroeke en Lodewijk van Velthem, met een beschrijving
van de handschriften en fragmenten. 2 dln. Peeters, Leuven, 1997
(Schrift en schriftdragers in de Nederlanden in de Middeleeuwen,
2).
- <Door: Nelleke Moser:> Johan Koppenol. Leids heelal:
het Loterijspel (1596) van Jan van Hout. Verloren, Hilversum,
1998.
- <Door: Margaretha H. Schenkeveld:> Joris van Eijnatten.
Hogere sferen: de ideeënwereld van Willem Bilderdijk
(1756-1831). Verloren, Hilversum, 1998.
- <Door: Gert-Jan Johannes:> J. Th.W. Oosterholt. De ware
dichter: de vaderlandse poëticale discussie in de periode
1775-1825. Proefschrift Universiteit van Amsterdam. Van Gorcum,
Assen, 1998.
- <Door: Clara Strijbosch:> Ambrosius Zeebout. Tvoyage
van Mher Joos van Ghistele; uitg met inleiding, aantekeningen en
een onderzoek naar de bronnen door R.J.G.A.A. Gaspar. Verloren,
Hilversum, 1998. (Middeleeuwse studies en bronnen, 58).
- <Door: Hans Anten:> Evert van der Starre. Vestdijk over
Frankrijk. Walburg Pers, Zutphen, 1998.
- <Door: Bertram Mourits:> Odile Heynders. Langzaam leren
lezen: Paul Rodenko en de poëzie. Syntax Publishers,
Tilburg, 1988.
- <Door: Arie Jan Gelderblom:> Oost-Indische inkt: 400
jaar Indië in de Nederlandse letteren; samengesteld door
Alfred Birney. Contact, Amsterdam, 1998.
- <Door: Paul Wackers:> Jan Goossens. Reynke, Reynaert
und das europäische Tierepos: gesammelte Aufsätze.
Waxmann, Münster etc., 1998. (Niederlande-Studien, 20).
- <Door: Marijke Meijer Drees. Jan Thömisz, Van die
becooringe des duvels hoe hij crijstus becoorden: zestiende-eeuws
rederijkersstuk; bewerkt en hertaald door Herman van Iperen,
Renate Overbeek, Steffen Schol, Marijke Spies en Susan Trompert.
Stichting Neerlandistiek VU, Amsterdam, Nodus Publikationen,
Münster, 1998.
- <Door: Marco Goud:> Naar hoger honingh?: Plato en het
Platonisme in de Nederlandse literatuur; red. Marcel F. Fresco en
Rudi van der Paardt. Historische Uitgeverij, Groningen, 1998.
- <Door: Anneke C.G. Fleurkens:> Herman Brinkman. Dichten
uit liefde: literatuur in Leiden aan het einde van de
Middeleeuwen. Verloren, Hilversum, 1997. (Middeleeuwse studies en
bronnen, 53).
- <Door: G.J. Vis:> J.W. de Vries (red.). "Eene
bedenkelijke nieuwigheid": twee eeuwen neerlandistiek. Verloren,
Hilversum, 1997.
- Periodiek:
<Door: Nelleke Moser en Bertram Mourits:> Overzicht van
bijdragen in letterkundige, literaire, algemeen-culturele,
binnen- en buitenlandse tijdschriften. Blz. 300-310.
Jaargang 4, nummer 2, mei 1999
- Wiljan van den Akker en Gillis Dorleijn.
Ter inleiding. Blz. 97.
- Hugo Brems.
Het kritische discours over Vlaamse literatuur in Nederlandse
kranten en weekbladen (1980-1994). Blz. 98-115.
- Dirk de Geest.
"Twee uit elkaar gegroeide loten eener eenwortelige literatuur"?
De perceptie van de Nederlandse literatuur in Vlaanderen tijdens
de Tweede Wereldoorlog. Blz. 116-137.
- Joris Janssens en Arno Kuipers.
Van kleinschalige netwerken en institutionele verstrengeling.
Vlaamse dichters in Nederland tussen 1910 en 1940. Blz.
138-161.
- Anne Marie Musschoot.
Convergentie en bijna-unanimiteit. Een blik op de receptie
van Karel van de Woestijne's poëzie. Blz. 162-177.
- Piet Couttenier.
Van Nederlandse naar Vlaamse poëzie. De terechtwijzing
van Ledeganck in 1840. Blz. 178-190.
- Wiljan van den Akker en Gillis Dorleijn.
Consensus en conflict. Over de literatuurgeschiedschrijving
van Nederland en Vlaanderen. Blz. 191-210.
- Grensverkeer:
Joep Leerssen.
Buitenliteraturen. Blz. 211-214.
- Kortaf:
- <Door: Nel van Dijk:> Jozien Moerbeek. Canons in
context. Canonvorming in het literatuuronderwijs Nederlands in
Nederland en Vlaanderen. Proefschrift Utrecht 1998. Blz.
215-216.
Jaargang 4, nummer 1, februari 1999
- M.G. Kemperink.
Jungle en paradijs. Darwinisme in de Nederlandse roman
(1885-1910). Blz. 1-36.
- Wiel Kusters.
Chaos, erosie, entropie. Wetenschap en literatuur bij Willem
Frederik Hermans. Blz. 37-47.
- Gera Dambrink.
De beestiaris. Een opmerkelijke bewerking van Richard de
Fournivals Bestiaire d'amour. Blz. 48-66.
- Stand van zaken:
Els Stronks.
Jeptha als eigentijdse vader van een eigentijdse dochter.
Benno Barnards bewerking van Vondels Jeptha of offerbelofte.
Blz. 67-77.
- Grensverkeer:
Wiljan van de Akker.
De grote oorlog. Blz. 78-81.
- Kortaf:
- <Door: Martin Hunziker:> T. Dekker, J. van der Noot en
T. Meder. Van Aladdin tot Zwaan kleef aan. Lexicon van sprookjes:
ontstaan, ontwikkeling, variaties. Nijmegen 1997. Blz. 82-83.
- <Door: Dieuwke van der Poel:> Middelnederlandse
verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Congres Nijmegen 14
oktober 1994. Hilversum 1996. Blz. 84-85.
- <Door: Boukje Thijs:> K. Bostoen. Bonis in bonum. Johan
Radermacher de Oude (1538- 1617), humanist en koopman. Met
medewerking van C.A. Binnerts-Kluiver, C.J.E. Hattink en A.M. van
Lynden-de Bruïne. Hilversum 1998. Blz. 86-87.
- <Door: Marijke Meijer Drees:> Marijke Barend-van Haeften
en Arie Jan Gelderblom. Buyten gaets. Twee burleske reisbrieven van
Aernout van Overbeke. Egodocumenten deel 15. Hilversum 1998. Blz.
87-88.
- Periodiek:
Overzicht van bijdragen in 29 letterkundige, literaire,
algemeen-culturele, binnen- en buitenlandse tijdschriften. Blz.
89-96.
Jaargang 3, nummer 4, november 1998
- Erica van Boven.
Het pseudoniem als strategie. Pseudoniemen van vrouwelijke
auteurs 1850-1900. Blz. 309-326.
- Rob Resoort.
Het raadsel van de rijmdrukken. Blz. 327-344.
- G.F.H. Raat.
De dynamiek van leven en kunst. Over een poëticaal
verhaal van Willem Frederik Hermans. Blz. 345-356.
- Jan Konst.
"Het noodtlot staat zoo pal gelijk een staale muur". Het
Fatum Stoicum in Jan Vos' Medea. Blz. 357-371.
- Stand van zaken:
G.J. Dorleijn.
Moderne editietechniek. Blz. 372-383.
- Grensverkeer:
Guido de Baere.
Ruusbroec in China. Blz. 384-386.
- Boekbesprekingen:
- <Door: Els Stronks:> Veelderhande liedekens. Studies
over het Nederlandse lied tot 1600. Symposium Antwerpen 28 februari
1996. Red. F. Willaert. Leuven 1997. Blz. 387-388.
- <Door: Mirjam de Baar:> Riet Schenkeveld-van der Dussen,
Karel Porteman, Lia van Gemert, Piet Couttenier (red.). Met en
zonder lauwerkrans. Schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd:
1550-1850 van Anna Bijns tot Elise van Calcar. Amsterdam 1997. Blz.
388-390.
- <Door: Arie Jan Gelderblom:> Semaian 17. Blz. 390-391.
- <Door: Arie Jan Gelderblom:> Pieter van Vliet. Onno Zwier
van Haren (1713-1779). Staatsman en dichter. Hilversum 1996. Blz.
391-393.
- <Door: Marijke Meijer Drees:> Jeroen Jansen (red.). Zeven
maal Hooft. Lezingen ter gelegenheid van de 350ste sterfdag van P.C.
Hooft uitgesproken op het herdenkingscongres in de Amsterdamse
Agnietenkapel op 21 mei 1997. Amsterdam 1997. Blz. 393-394.
- <Door: Dieuwke van der Poel:> Het Tübingse
Sint-Geertruihandschrift. Hs. Tübingen,
Universitäisbibliothek, Me.IV3. Diplomatische editie bezorgd
door H. Kienhorst en G. Sonnemans. Hilversum 1996. Blz. 394-396.
- <Door: Veerle Fraeters:> Erwin Huizinga. Een nuttelike
practijke van cirurgien. Geneeskunde en astrologie in het
Middelnederlandse handschrift Wenen, Österreichische National-
bibliothek 2818. Hilversum 1997. Blz. 396-398.
- <Door: Yolanda Rodriguez Pérez:> Vreemd Volk.
Beeldvorming over buitenlanders in de vroegmoderne tijd. Onder
redactie van Harald Hendrix en Ton Hoenselaars. Utrecht Renaissance
Studies 1998. Blz. 398-400.
- <Door: Lotte Jensen:> Geconfineert voor altoos. Het proces
Jacob Campo Weyerman (1739). Uitgegeven door Karel Bostoen en
André Hanou. Leiden 1997. Blz. 400-401.
- Periodiek:
- <Door: Nelleke Moser en Bertram Mourits:> Overzicht
van bijdragen in 11 letterkundige, literaire, algemeen-culturele,
binnen- en buitenlandse tijdschriften. Blz. 402-404.
Jaargang 3, nummer 3, augustus 1998
- W. Van den Berg & J.J. Kloek.
Introductie. Van vorming tot vak. Blz. 213.
(Over de opzet van deze aflevering van het tijdschrift. Onder
auspiciën van het Huizinga Instituut werd op 12 december 1997
een symposium georganiseerd, gewijd aan het letterkunde-onderwijs
aan universiteiten en middelbare scholen sinds de negentiende eeuw.
De zes op het symposium gehouden lezingen worden hier gepubliceerd
ter uitnodiging tot verder onderzoek.)
- J.J. Kloek.
'Niet als een bepaald vak van onderwijs'. Het
schoolonderwijs in de Nederlandse letterkunde vóór
het schoolonderwijs in de Nederlandse letterkunde. Blz.
214-224.
(Schets van het letterkunde-onderwijs aan middelbare scholen
gedurende de negentiende eeuw, met name aan de hand van een
verkennend onderzoek naar schoolboeken. Vandaar dat in een bijlage
een nuttige lijst van literatuurgeschiedenissen en bloemlezingen
voor schoolgebruik uit de periode 1800-1876 wordt gegeven. Het jaar
1876 is hierbij van betekenis omdat Thorbecke in 1863 het vak
Nederlands verankerde in het voortgezet onderwijs en mede daardoor
een nieuw schooltype, de HBS, ontstond en omdat in 1876 de Latijnse
School werd vervangen door het moderne gymnasium met ruimte voor
moderne vakken zoals Nederlandse taal- en letterkunde.
Opmerking: Er is iets merkwaardigs aan de hand met deze
bijdrage. In de lijst achterin worden ook Belgische
schoolboeken vermeld, b.v. E. Van Driessche, Brussel 1860 en G.D.
Minnaert, Gent 1872, zij het dat dit de niet in deze materie
ingevoerde lezer niet zal opvallen, want de plaats van uitgave
wordt door Kloek niet vermeld. Intussen gaat Kloek in zijn artikel
uitsluitend in op de situatie in het middelbaar onderwijs in
Nederland, terwijl - gezien de periode van vereniging van Nederland
en België - er alle reden toe was om ook de situatie in
België te behandelen.)
- G.J. Vis.
De instelling van het professoraat en de eerste generatie
hoogleraren. Over de inhoud en de functie van het academisch
onderwijs in de Nederlandse letterkunde in de eerste helft der
negen tiende eeuw. Blz. 225-234.
(Helder overzicht van de ontwikkeling van het vak Nederlands
aan de universiteiten in de negentiende eeuw vanaf het optreden van
Siegenbeek. Op de premissen van Siegenbeek (retorica en
vaderlandsliefde) werd door anderen voortgebouwd. Een en ander kwam
ook in schoolboeken terecht. Positief gewaardeerd wordt nu de
nadruk op belezenheid, enthousiasme en creativiteit. Negatief: het
taboe op de middeleeuwen en de lage waardering voor de achtttiende
eeuw, de zwakke bronnenstudie en de ondermaatse kennis van
hulpwetenschappen.)
- Rudolf Geel.
Het taalgevoel moet geuren als een roos. Literatuuronderwijs
vanaf 1890 tot aan de jaren veertig. Blz. 235-242.
(Over het letterkunde-onderwijs aan middelbare scholen in de
periode 1890-1940. In 1893 publiceerde Gerrit Kalff, toen nog
leraar aan een Amsterdams gymnasium, Het onderwijs in de
moedertaal, waarmee hij poogt orde in de willekeur te scheppen.
In feite is er sprake van canonisering van bepaalde teksten waarvan
'een man van eenige beschaving dient [...] te hebben gehoord',
zoals de Reinaert, fragmenten uit Bijns, Marnix, Vondel, Hooft,
Bredero, Satring, Bilderdijk enz. Tekstbehandeling stond dus
centraal. Dit wordt door J.H. van den Bosch met zijn Nieuwe
Richting of Nieuwe Moedertaalbeweging, geënt als
die is op het gedachtengoed van de Tachtigers, omgebogen in
individueel-esthetische richting. Het schoolhandboek van J. Leest
uit 1932 poogt esthetiek en literatuurgeschiedenis te verzoenen.
Met erotiek heeft hij moeite. Dat mag wel, zolang er maar enige
'levensernst' uit spreekt.)
- J.D.F. van Halsema.
'Voelers' en 'weters'. Albert Verwey en de
literatuurgeschiedschrijving van Jonckbloet en Kalff. Blz.
243-257.
(Over de literatuurgeschiedschrijving aan het eind van de 19de
eeuw, met name over de tegen stelling tussen naar objectiviteit
strevende wetenschappelijke geschiedschrijving, waarvan Jonckbloet,
Te Winkel en Kalff vertegenwoordigers waren, en een
geschiedschrijving die meer op invoelen berust en die tendeert naar
het ahistorische. Van die laatste stroming is Verwey een
vertegenwoordiger, maar Halsema laat zien dat Verwey vooral beducht
was voor een literatuur geschiedschrijving waar alle leven uit
verdwenen was. Nadat het materiaal was verzameld, moest de
literatuurhistoricus met behulp van zijn invoelingsvermogen
proberen tot verderreiken de inzichten komen dan waar de objectief
wetenschappelijke historicus was gestopt. Het artikel bevat
interessante nieuwe gegevens over de relatie Kalff-Verwey, ontleend
aan het Verwey- archief.)
- Gerard de Vriend.
Spebederf in de arena. Blz. 258-264.
(Over de ontwikkelingen in het letterkunde-onderwijs aan
middelbare scholen na 1945. De spanning tussen individuele
ontplooiing van de leerling en de eindexameneisen bepaalt in grote
mate het beeld dat De Vriend geeft. Met het oog op de jongste
ontwikkeling, namelijk de studiehuis-opzet, vraagt hij zich terecht
af waarom de doelstelling niet is geworden: het aankwe ken van een
kritische instelling, in plaats van het bestuderen van de
wereldliteratuur in steeds minder tijd.)
- E.K. Grootes.
Een uitdijend heelal. De ontwikkeling van het universitaire
onderwijs in de Nederlandse letterkun de sedert 1945. Blz.
265-273.
(Grootes geeft weliwaar slechts een schets van de ontwikkeling
en leunt op gegevens over de Amsterdamse situatie, maar zijn
tragikomische ondertoon (vooral wanneer hij in verwondering
terugblikt op eigen ervaringen) maakt veel goed. Een en ander is
voor mij zeer herkenbaar, alleen had ik gaarne een uitweiding
gezien over de schuldvraag. De ongunstige ontwikkeling wordt mij te
zeer als onontkoombaar natuurverschijnsel gepresenteerd. Ik vermag
namelijk niet in te zien waarom de politieke waan van de dag en met
name het Departement van Onderwijs in dezen buiten schot blijven.)
- W.P. Gerritsen.
Op de drempel van de derde eeuw. Blz. 275-282.
(De slotbeschouwing van Gerritsen naar aanleiding van de zes
artikelen het letterkunde-onder wijs aan universiteiten en
middelbare scholen sinds de negentiende eeuw, stemt evenmin tot
optimisme. Visuele en auditieve ervaringen zijn bij de jeugd volop
in trek, maar 'lezen' is voor diezelfde jeugd een bezigheid die te
veel inspanning vereist en daarom te weinig rendement oplevert.
Gerritsen besluit derhalve met een kleine hymne op de waarde van
literatuur, terwijl ik daarentegen een nieuwe strategie zou
verwachten die juist inspeelt op de visuele en auditieve kanten van
literatuur.)
- Grensverkeer:
Frans Ruiter.
Geassimileerde intellectuelen. Blz. 279-282.
(Over A Philosophy of Mass Art (Oxford, 1998) van Noel
Carroll, een Britse filosoof die daar mee een mooie studie over
massacultuur heeft geschreven. De massakunst is laagdrempelig,
vereist geen voorkennis en doet een beroep op universele emoties.
Een directe relatie tussen die kunst en moraal valt er niet te
leggen. Zij is eerder een hulpmiddel om aanwezige kennis en emoties
te mobiliseren, te verdiepen en toe te passen.)
- Simone Veld.
Twee hemelse vrouwenloven. Analyse van een metafoor.
Blz. 283-294.
(Over een sonnet in Den Nederduytschen Helicon (1610) en
een gedicht in de Nederduytsche poemata (1635) waarin de
vrouw wordt geprezen onder gebruikmaking van kosmische metaforen
(de relatie zon-maan). Als mogelijke bron van het tweede vrouwenlof
signaleert de auteur een embleem uit de Emblemas morales
(1610) van Sebastián de Covarrubias. In de Nederlandse
literatuur zijn tot nu toe geen 'mannenloven' gevonden, geschreven
vanuit een vrouwelijk perspectief door vrouwen. Wie vindt er een?)
- Boekbesprekingen:
- <Door: M.G. Kemperink, op blz. 295-297:> Jan-Willem van
der Weij. Beweging en bewogenheid. Het proza gedicht in de Nederlandse
literatuur aan het einde van de negentiende eeuw. Amsterdam 1997.
- <Door: G.J. Johannes, op blz. 297-299:> R. Aerts. De
letterheren. Liberale cultuur in de negentiende eeuw: het tijdschrift
De Gids. Amsterdam 1997.
- <Door: Hans-Hugo Steinhoff, op blz. 299-300:> Lanceloet. De
Middelnederlandse vertaling van de 'Lancelot en prose' overgeleverd in
de 'Lancelotcompilatie'. Pars 1 (vs. 1-5530, voorafgegaan door de
verzen van het Brusselse fragment). Uitg. door B. Besamusca en A.
Postma. Hilversum 1997.
- <Door: Fabian R.W. Stolk, op blz. 301-302:> B. Vervaeck.
Lijf en letter; over 'Het godgeklaagde feest' van Willem Brakman.
Kaatsheuvel 1997.
- Periodiek:
- <Door: Nelleke Moser en Bertram Mourits, op blz.
303-306:> Overzicht van bijdragen in 20 letterkundige, literaire,
algemeen-culturele, binnen- en buitenlandse tijdschriften.
- Mededelingen: Blz. 307-30.
Jaargang 3, nummer 2, mei 1998
- M.G. Kemperink.
"Excelsior" is het devies van de natuur. Darwinisme in de
Nederlandse roman (1860-1885). Blz. 97-126.
(Over de sporen die het darwinisme (= determinisme en evolutieleer)
van 1860 tot 1910 heeft nagelaten in Nederlands - geen Vlaams -
verhalend proza. Het is niet duidelijk op grond waarvan Kemperink
de hier gebruikte teksten heeft geselecteerd. Mogelijk zijn slechts
die werken gekozen die uitdrukkelijk aan de discussie rond het
darwinisme refereren. Meestal is in de desbetreffende romans en
verhalen sprake van een z.g. optimistisch darwinisme (d.w.z. de
hele ontwikkeling is ten goede). Een uitzondering vormt de
pessimistische interpretatie van het darwinisme door Marcelleus
Emants.)
- Frank de Glas.
Investeringen van literaire uitgeverijen in jong talent en de
opbrengst daarvan. Een onderzoek naar de generatie literaire
prozadebutanten uit de jaren 1961-1965. Blz. 127-150.
(Over
uitgeverij-onderzoek. Wat hebben de 87 Nederlandse en Vlaamse
literaire prozadebuten voor de onderzochte uitgeverijen opgeleverd?
Bevat nuttige overzichten in tabellen. Het blijkt een zeer complexe
materie te zijn, die dan ook met de nodige voorzichtigheid door De
Glas wordt benaderd.)
- Hans van Deel.
Kennis is macht. Over Samson of heilige wraeck van
Vondel. Blz. 151-178.
(Reactie op de opvattingen van W.A.P.
Smit en K.
Langvik-Johannesen vanuit een moraal-theologisch kader met behulp
van Vondel Bespiegelingen van Godt en godtsdienst (1612).
Twijfelt eraan of het stuk wel exclusief kan worden teruggevoerd op
de aristotelische peripeteia zoals Smit dat wilde. Gebruik makend
van Daly's begrip poetic emblem laat Van Deel onder meer
zien dat een bepaalde emblematische duiding, aan de hand van noties
als verblinding en blindheid versus licht en kennis, zinvol
is.)
- Stand van zaken:
Klaus Beekman.
De literaire avantgarde bij benadering. Blz. 179-187.
(Analyse van studies die zijn gewijd aan de literaire avantgarde
uit het interbellum. Een trend die Beekman opvalt bij de
academische literatuurbeschouwing, is de reconstructie van
avantgardistische poetica's. Deze trend is volgens hem nog lang
niet afgelopen.)
- Grensverkeer:
Paul Wackers.
Herfsttij met plaatjes: een eye opener. Blz. 188-191.
(Over de geïllustreerde eenentwintigste druk van Herfsttij
der middeleeuwen bezorgd door A. Van der Lem. Is een
openbaring, volgens Wackers. De uitgave bevat een verbeterde tekst
op grond van de tekstgeschiedenis en 300 afbeeldingen: een veelvoud
van het aantal illustraties uit de vorige drukken. Die afbeeldingen
zijn van hoge kwaliteit en sluiten nauw aan bij Huizinga's tekst.)
- Boekbesprekingen:
- <Door: Maaike Meijer:> Riet Paasman. Levens in
letters.
Autobiografieën van Nederlandse schrijfsters. Amsterdam 1996.
Dissertatie. Blz. 192-194.
- <Door: Diederik Grit:> Ingrid Wikén Bonde. Was hat
uns dieser Gast
wohl zu erzählen? oder Die Jagd nach dem Nobelpreis: zur
Rezeption niederländischer Literatur in Schweden. Almqvist
& Wiksell. Stockholm 1997. Dissertatie Stockholm. Blz. 195-196.
- <Door: Simone Veld:> Karel Porteman. Emblematic
Exhibitions at the
Brussels Jesuit College (1630-1685). A study of the Commemorative
Manuscripts (Royal Library, Brussels). Brepols. Turnhout 1996. Blz.
196-198.
- <Door: Jos A.A.M. Biemans:> Jozef Janssens & Martine
Meuwese. Jacob
van Maerlant. Spiegel Historiael. De miniaturen uit het handschrift
Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, KA XX. [Davidsfonds/Clauwaert.
Leuven 1997]. Blz. 198-202.
- <Door: Lotte Jensen:> Wim Klever. Mannen rond Spinoza
(1650-1700).
Presentatie van een emaniciperende generatie. Uitgeverij Verloren.
Hilversum 1997. Blz. 202-203.
- <Door: Marco Goud:> Wim Hilberdink. Met het intellect van
het
gevoel. Het vergeten schrijverschap van Frans Mijnssen. Dutch
Publishers. Sittard 1997. Blz. 203-205.
- <Door: Gert-Jan Johannes:> O. Praamstra (red.). Conrad Busken Huet.
Een
vastgeraakte lokomotief. Een portret in brieven. L.J. Veen.
Amsterdam/Antwerpen 1997. Blz. 205-206.
- Periodiek:
- <Door: Nelleke Moser en Thomas Vaessens:> Overzicht van
bijdragen in
24 letterkundige, literaire, algemeen-culturele, binnen- en
buitenlandse tijdschriften. Blz. 206-212.
Jaargang 3, nummer 1, februari 1998
- Klaus Beekman.
Klankimitaties van avantgardisten. Of: De inzet van
poëticale kaders bij het toekennen van functies en
betekenissen aan fonetische poëzie'. Blz. 1-14.
(Beekman behandelt het genre klankpoëzie en gaat hierbij
na hoe critici hebben gereageerd op klankgedichten als 'Oote' van
Hanlo en 'Tellby toech tarra' van Lucebert. In tegenstelling tot
het vrolijke en lichtvoetige van het genre is Beekmans artikel van
een betreurenswaardige dorheid en zwaarwichtigheid. De uitvoerige
bibliografie achterin is waardevol.)
- Marianne Vogel.
Betrokkenheid en beeldvorming in het literaire circuit. Blz.
15-30.
(Wanneer auteurs geen succes hebben bij critici kan de kunne
(niet te verwarren met de kundigheid) een rol spelen, is de
stelling van Vogel. Onderzocht wordt de periode 1945-1960 en dan
met name de publicaties in literaire tijdschriften. Dit wordt
gevolgd door getel en gereken waaruit blijkt dat de bijdrage van
vrouwen minimaal is, vooral aan literaire tijdschriften. De
oorzaak hiervan zou zijn dat mannen het hart van het literaire
circuit voor zichzelf opeisten, dat ze niet van zins waren vrouwen
als concurrenten tot het circuit toe te laten en ook dat vrouwen
met deze traditionele situatie genoegen namen, omdat ze anders
belachelijk zouden worden gemaakt. Terecht volgt een pleidooi om
deze beeldvorming in de literatuurgeschiedschrijving niet
klakkeloos over te nemen en vooral het 'gender'-perspectief toe te
passen.)
- Annick Cuynen.
Echo's van een geconstrueerde verdringing. De constructie in
Simon Vestdijks roman 'Het genadeschot'. Blz. 31-41.
(Bespreking van Vestdijks roman aan de hand van de
reconstructieprincipes zoals Vestdijk die zelf neerlegde in zijn
essay 'Over de compositie van de roman'. Reconstructie wordt door
Vestdijk gedefinieerd als: "de technische ingrepen die nodig zijn
om het geselecteerde materiaal te ordenen". Cuynen gaat in debat
met Henrard en Bekkering/Verhoeve en wijst de idee af dat deze
roman met een synthese eindigt. Er bestaat wel de mogelijkheid dat
dit het geval is, maar zekerheid is er niet.)
- Jaap Grave.
"Ich habe leider mit Holland rechtes Pech gehabt." Otto Hauser
en de Nederlandstalige literatuur. Blz. 42-57.
(Over de Weense vertaler, letterkundige en prozaïst Otto
Hauser (1876-1944), een groot propagandist ten voordele van de
Nederlandse letterkunde in het Duitstalige gebied, maar tevens een
man die van meet af aan in antropologisch-racistisch vaarwater
heeft gelaveerd. Zijn opvattingen zijn merkwaardig, maar nooit
oninteressant. Zo stelde hij dat het de prae-rafaëllieten
zijn geweest die onze Tachtigers een gevoel voor stijl hadden
gegeven dat daarvóór in de (moderne) Nederlandse
letterkunde afwezig was. Kloos was Hausers favoriete dichter, de
Nederlandse Rossetti zelfs, maar de meeste aandacht in Grave's
bijdrage gaat uit naar Hausers betrekkingen met Van Eeden. Een
andere opmerkelijke opvatting van Hauser: Germanendom en
protestantisme garanderen een hogere cultuur. Dat belette hem
evenwel niet om de poëzie van Hélène Swarth te
bejubelen en hij had zelfs een grote waardering voor haar Franse
scholing. Een fascinerend en baanbrekend artikel, een verademing!)
- Mikel M. Kors.
Ruusbroec als compilator. Het Leven van Jezus als bron voor
Vanden XII beghinen. Blz. 58-74.
(Over de invloed van 'Het Leven van Jezus', een
evangeliënharmonie, op 'Vanden XII beghinen', Ruusbroecs
laatste werk. Vooral de z.g. Stuttgartse redactie uit ca. 1280 is
invloedrijk geweest.)
- Stand van zaken:
Jaap Goedegebuure. Kinderziekten of atavismen? De renaissance
van de Nederlandse schrijversbiografie. Blz. 75-83.
(Over de huidige biografieën-hausse. Een standaardmodel
is niet ontwikkeld: eclecticisme en methodenpluralisme blijven het
beeld bepalen.)
- Grensverkeer:
- Marijke Meijer Drees. Focquenbroch en de blues. Blz. 84-87.
(Presentatie van de Engelstalige bloemlezing die de
Amerikaanse hoogleraar E.M. Beelman heeft gemaakt van het werk van
Focquenbroch. Beekman heeft grote waardering voor dit werk en gaat
waardeoordelen niet uit de weg. Een inspirerende uitgave, volgens
recensent Marijke Meijer Drees.)
- Boekbesprekingen:
- <Door: Nelleke Moser:> B.A.M. Ramakers. Spelen en
figuren. Toneelkunst en processiecultuur in Oudenaarde tussen
Middeleeuwen en Moderne Tijd. Amsterdam University Press. Amsterdam,
1996.
- <Door: Annemarie Kets-Vree:> E. Du Perron. Het land van
herkomst. Geannoteerde uitgave, verzorgd door F. Bulhof en G.J.
Dorleijn. Amsterdam, [1996].
- Periodiek:
- <Door: Nelleke Moser en Thomas Vaessens:> Overzicht van
bijdragen in 15 letterkundige, literaire, algemeen-culturele, binnen-
en buitenlandse tijdschriften.
- Mededeling:
- <Door: Eep Francken:> Gingko Bilboa; vertalingen voor
Pim Lukkenaar.
Jaargang 2, nummer 4, november 1997
- Jan Konst.
'Het goet of quaet te kiezen', De rol van de vrije wil in Vondels
Lucifer, Adam in ballingschap en Noach. Blz. 319-337.
(Konst laat aan de hand van drie toneelstukken zien dat Vondel een
traditioneel rooms-katholieke visie op de 'vrije wil' aanhoudt.
Onderzoekers als Te Winkel, Stuiveling, Kazemier en King maakten
gebruik van de predestinatieleer bij hun interpretatie van de
Lucifer. Ze zagen dan ook zwakheden in Vondels stuk waar die
niet waren. Andere vakgenoten zijn daartegen toen in het geweer
gekomen. Nieuw bij Konst is dat hij twee andere stukken van Vondel
bij zijn interpretatie betrekt. Mijn indruk is dat verkeerde
interpretaties ten gevolge van protestantisering bij onze auteurs
van handboeken en andere vakwetenschappelijke bijdragen tot nu toe
niet de aandacht hebben gekregen die ze verdienen.)
- Jan Oosterholt.
De smaak voor het 'reële', Opvattingen over de nationale smaak
in een aantal poëticale verhandelingen uit de laatste decennia
van de achttiende eeuw. Blz. 338-349.
(Oosterholt vraagt zich af of de opvattingen die Nederlandse
kunstbeschouwers in 1750-1800 erop nahielden omtrent het 'realisme'
in de vaderlandse schilderkunstige traditie een tegenhanger hadden
in poëticale verhandelingen uit dezelfde periode. De enige
pendant blijkt te vinden zijn bij Rhijnvis Feith, die de
vaderlandse smaak voor het 'reële' wist te integreren in zijn
sentimentele poëtica.)
- Marco Goud.
'Ik had het druk met Weensche vrienden', Over P.C. Boutens'
'Doodenmasker voor Hugo van Hofmannsthal'. Blz. 350-364.
(Over Boutens' hommage aan de grote Oostenrijkse auteur, die hij
ter gelegenheid van een P.E.N.-congres in 1929 te Wenen had
ontmoet. Boutens was zeer onder de indruk van Hofmannthals
persoonlijkheid en bezat ook een aantal werken van hem. Een kleine
maand na deze eerste en enige ontmoeting zou Hofmannsthal
overlijden. Goud geeft een interpretatie van het
gelegenheidsgedicht dat Boutens naar aanleiding van dit overlijden
schreef en houdt een pleidooi voor meer interpretaties in het licht
van een cultuur- en literatuurhistorische context, speciaal met
betrekking tot Boutens' oeuvre.)
- Doris Edel.
De Ierse achtergronden van de Reis van Sint Brandaan. Blz. 365-373.
(Recensie-artikel over de studie van Clara Strijbosch, getiteld:
De bronnen van "De reis van Sint Brandaan. Hilversum, 1995.
Omdat Strijbosch in haar studie zoveel gewicht toekent aan de Ierse
achtergrond, en ze zich dus op keltologisch terrein begeeft, meent
Edel "dat de keltoloog ertoe stelling dient te nemen". Dit laatste
gebeurt, wat Edel betreft, op tamelijk onaangename toon. De kritiek
komt erop neer dat Strijbosch, ondanks haar oog voor de orale
dimensie, zich onvoldoende heeft losgemaakt van de op een
Urtext gerichte tekstkritiek. Strijbosch krijgt tenslotte
nog het welgemeende advies om vooral de tijd te nemen om zich als
mediëviste in de keltistiek in te werken, tenminste "als zij
van plan is het onderzoek naar de Ierse achtergronden van
Middelnederlandse en continentale werken voort te zetten". Ai, de
lezer begint te voelen dat deze recensie daartoe allerminst een
stimulans kan zijn.)
- Grensverkeer:
G.J. Dorleijn.
Tegen trends. Blz. 374-377.
(Observaties naar aanleiding van de lectuur van Stephen Jay Gould:
Full House, The Spread of Excellence from Plato to Darwin.
New York, 1996. Dorleijn las bij toeval het boek van de
zoöloog (paleontoloog) en geoloog Gould. Het gaat over de
neiging trends te zien waar die niet zijn, bijvoorbeeld omdat een
verschijnsel geïsoleerd wordt beschouwd. Dit laatste is
trouwens in de neerlandistieke studies over literatuur niet
ongewoon. Helaas zijn de uitlatingen die Gould aan het verschijnsel
Kunst (door hem teruggebracht tot klassieke muziek) wijdt, volgens
Dorleijn dermate onbevredigend dat iemand anders dit maar moet
overdoen.)
- Boekbesprekingen:
- <Door: Hans Bertens:> Jack van der Weide. Detective en
anti-detective: narratologie, psychoanalyse, postmodernisme.
Vantilt. Nijmegen, 1996.
- <Door: Hans Anten:> Michel van Nieuwstadt. De verschrikkingen van
het denken. Over Menno ter Braak. Historische Uitgeverij.
Groningen, 1997.
- <Door: Dieuwke van der Poel:> Saskia Raue. Een nauwsluitend
keurs, Aard en betekenis van Den triumphe ende 't palleersel van den
vrouwen (1514). Uitgave in eigen beheer. IJsselstein, 1996.
- <Door: Jan Konst:> W. Abrahamse. Het toneel van Theodore
Rodenburgh
(1574-1644). AD&L. Amsterdam, 1997.
- <Door: Lotte Jensen:> A. Agnes Sneller. Met man en macht, Analyse
en interpretatie van teksten van en over vrouwen in de vroegmoderne
tijd. Kok Agora. Kampen, 1996.
- <Door: Anneke C.G. Fleurkens:> Jacobus Reinier de Vroomen. Toneel
op school, Een historisch en theoretisch onderzoek naar opvattingen
over en gebruik van drama in educatie. Een wetenschappelijke proeve
op het gebied van de Letteren. Universitair publikatiebureau KUN.
Nijmegen, 1994.
- <Door: Marijke Meijer Drees:> P.J. Buijnsters en L.
Buijnsters-Smets. Bibliografie van Nederlandse school- en
kinderboeken 1700-1800. Zwolle, 1997.
- <Door: Erwin Mantingh:> Karel Porteman, Werner Verbeke, Frank
Willaert (red.). Tegendraads genot, Opstellen over de kwaliteit van
middeleeuwse teksten. Peeters. Leuven, 1996.
- <Door: M.A. Schenkeveld-van der Dussen:> Willem van den Hull.
Autobiografie (1778-1854). Ed. Raymonde Patmos. Hilversum, 1996.
F.A. Hartsen. Nederlandsche toestanden; uit het leven van een
lijder. Hilversum, 1996.
- <Door: Lia van Gemert:> Een theatergeschiedenis der Nederlanden,
Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Hoofdred.
R.L. Erenstein. AUP. Amsterdam, 1996.
- <Door: Netty van Megen:> Op reis met de VOC, De openhartige
dagboeken van de zusters Lammens en Swellengrebel. Ed. M.L. Barend-
van Haeften, m.m.v. E.S. van Eck van Heslinga. Walburg Pers.
Zutphen, 1996.
- Periodiek:
- <Door: Nelleke Moser en Thomas Vaessens:> Overzicht van
bijdragen
in 29 letterkundige, literaire, algemeen-culturele, binnen- en
buitenlandse tijdschriften.
- Mededelingen:
- <Door: F.F.X. Smulders en J.M.J. Sicking:> Vanwege het
Constantijn
Huygens Instituut en de Cahiers Nederlandse letterkunde.
Jaargang 2, nummer 3, augustus 1997
- Maaike Meijer.
'Inleiding'. Blz. 199-207.
(Over de invalshoeken die worden gebruikt in de zes bijdragen over
werk van vrouwelijke auteurs. Die invalshoeken zijn kennelijk
willekeurig, want volgens Meijer hadden er nog meer aan de orde
kunnen komen. Zij denkt hierbij aan "de relatie tussen gender en
genre (sommige genres werden uitsluitend door mannen, andere meer
door vrouwen beoefend, waardoor deze genres zelf ook symbolisch
gegenderd raakten)". Ze denkt voorts "aan de intermannelijke
sociale controle die heerst in de literaire kritiek, aan de
samenhang tussen gender en poëtica, aan de overeenkomsten tussen
processen van uitsluiting waar het gaat om homo/lesbische auteurs
en zwarte auteurs". De lezer van dit aardige thema-nummer kan zich
dus gelukkig prijzen dat de invalshoeken van deze geleerde niet
werden uitverkoren.)
- Dieuwke van der Poel.
Vrouwelijke auteurs in de Middelnederlandse letterkunde, Een
verkenning. Blz. 208-227.
(Chronologisch overzicht, voornamelijk gebaseerd op de bekende
literatuurgeschiedenissen. Wel is recente secundaire literatuur
hier en daar verwerkt, maar soms ook niet. Dat wreekt zich
bijvoorbeeld in het geval van Roseane Coleners, bij wie wordt
verwezen naar Van Duyse 1838. Daardoor mist Van der Poel andere
vrouwelijke auteurs, onder wie een Erasmusvertaalster. Ook wordt de
rol van vrouwen in het rederijkersmilieu niet geproblematiseerd.)
- M.A. Schenkeveld-van der Dussen.
De canonieke versus de 'echte' Anna Roemersdochter Visscher. Blz.
228-241.
(Nagegaan wordt of de behandeling van Anna Roemersdochter in de
bekende literatuurgeschiedenissen "adequaat" is. Natuurlijk niet,
denk ik dan, maar hetzelfde geldt ook voor vrijwel alle mannelijke
auteurs. In elk geval problematiseert Schenkeveld de positie van
Anna Roemersdochter in de Nederlandse literatuurgeschiedschrijving
en dat is winst. Anna R. zou niet een moraliste in de trant van
Cats zijn, maar Cats zelf was evenmin in de eerste plaats een
moralist. Volgens Schenkeveld is Anna R. een geestige en
vernieuwende auteur die "vraagtekens zet bij de (mannelijke) normen
en pretenties van de poézie". Bij wat Schenkeveld prijst als een
met vaart geschreven knap bruiloftsdicht voor Heinsius, vermeldt
zij niet dat het een dichtende tijdgenoot was opgevallen dat Anna
R. daarin ten onrechte dacht dat 'Helicon' een synoniem van
'Parnassus' was. Dit laatste, tevens een bepaalde vorm van
amateurisme, leidt misschien tot een nog duidelijkere
positiebepaling van de 'echte' Anna Roemersdochter.)
- Erica van Boven.
Ver van de literatuur, Het schrijverschap van Ina Boudier-Bakker.
Blz. 242-257.
(Boudier-Bakker zocht "geen enkele aansluiting bij de literaire
traditie en presenteerde zich bij herhaling als iemand die geheel
op zichzelf stond en geen invloeden" onderging. Door zich te
concentreren op de centrale rol van het moederschap in Boudier-Bakkers
romans, komt Van Boven tot de vaststelling dat haar romans
bewust zijn geconstrueerd, vanuit een vaste intentie. Ina
Boudier-Bakker zou de burgerlijke ideologie steunen, die voorschrijft dat
de vrouw uitsluitend tot haar recht komt in het van de buitenwereld
afgeschermde privé-domein en de onveranderlijke natuur.)
- Lia van Gemert en Ans J. Veltman-van den Bos.
Schrijfsters in de literaire kritiek tussen 1770 en 1850. Blz. 258-270.
(In enkele Nederlandse tijdschriften tussen ca. 1770 en 1850 werd
gereageerd op vrouwenliteratuur. Typerend voor die reacties was dat
er een apart waardensysteem bestond voor de beoordeling van
vrouwengeschriften: vrouwen kunnen immers zonder mannelijke leiding
geen zelfstandige keuze maken en ze hebben ook geen kaas gegeten
van literaire esthetiek. De blinde dichteres Petronella Moens
daarentegen ontsnapte min of meer aan dit soort beoordeling, juist
vanwege haar fysieke handicap. Voorts verwierf ze zich de nodige
sympathie bij de recensenten omdat ze Verlichtingsdenkbeelden voor
een groot publiek probeerde toegankelijk te maken.)
- Mieke B. Smits-Veldt.
Maria van Reigersberch, De canonisering van een vaderlandse
echtgenote. Blz. 271-291.
(Hierin wordt de ontwikkeling geschetst van het beeld dat
eeuwenlang in de literatuur van Maria van Reigersberch werd
geschetst. Het 17e-eeuwse beeld van de moedige echtgenote verandert
in de 18e eeuw in dat van de verdediger der Vaderlandse vrijheid,
in de 19e eeuw in dat van de dienstbare echtgenote en moeder. Naar
mijn smaak getuigt de roman Vaderland in de verte van Annie
Romein-Verschoor, die in het overzicht van Mieke Smits het eindpunt
vormt, van het grootste inlevingsvermogen: Maria als tragische
vrouw in relatie tot haar echtgenoot en kinderen. Dit sluit
merkwaardig genoeg het beste aan bij een vergelijking die Vondel
maakt: "Gelijck Marye neffens 't kruis, Vw bruigom [...] trooste
hele jaren". Smits ziet daaraan voorbij, maar het lijkt me dat dit
beeld van Maria van Reigersberch, eerder in de rol van moeder van
het al te veeleisende wonderkind Hugo de Groot dan als echtgenote,
nog het dichtst bij de werkelijkheid komt.)
- Jozien Moerbeek.
Stiefdochters van de literatuur? De vrouwelijke auteur in de
Nederlandse en Vlaamse schoolcanon. Blz. 292-304.
(Onderzoek naar de aandacht die vrouwelijke auteurs binnen het
literatuuronderwijs krijgen. Ze krijgen namelijk aanzienlijk minder
aandacht dan hun mannelijke collega's. Pleidooi om deze situatie te
veranderen door onder meer het aanbod van het onderwijsmateriaal te
wijzigen.)
- Stand van zaken:
- Erica van Boven.
I. Vrouwenstudies in de Nederlandse letterkunde. Blz. 305-309.
(Overzicht van de ontwikkelingen op het gebied van vrouwenstudies
gedurende de laatste decennia. 'Gender-studie', waarbij de
processen worden bestudeerd die betekenis geven aan
sekseverschillen, vormt het voorlopige eindpunt.)
- M.A. Schenkeveld-van der Dussen.
II. Vrouwenliteratuur 1550-1850.
(De oogst op het gebied van de vroeg-moderne letterkunde vanuit een
gender-perspectief is betrekkelijk mager, maar daar komt
geleidelijk verandering in doordat het aantal vrouwelijke
universitaire docenten groter is dan vroeger. Onderzoekers uit
Utrecht, Leuven en Nijmegen en wat 'losse' medewerkers zijn al een
paar jaar bezig met het samenstellen van een grote bloemlezing van
zo'n 150 vrouwelijke auteurs uit de jaren 1550-1850. De bloemlezing
wordt voorzien van een inleiding en commentaar.)
- Grensverkeer:
- Paul Wackers.
Een steuntje in de rug: Jill Mann's Geoffrey Chaucer. Blz.
314-316.
(Over Jill Mann's studie van Chaucers werk, die Chaucers ideeën
over en de benaderingen van vrouwen in zijn werk bestudeert.
Verbindingen met de maatschappelijke structuur worden hierin niet
gelegd, omdat literatuur als verbeelding van de werkelijkheid door
haar eigen aard een kritisch en een idealistisch aspect bevat. Van
beide aspecten wordt door Mann het karakter onderzocht. Wackers
heeft grote bewondering voor haar aanpak).
- Boekbesprekingen:
- <Door: Annelies de Jeu:> Marlies Hoff. Johanna Cornelia
Ziesemis-Wattier (1762-1827). 'De grootste actrice van Europa'. Astrea.
Leiden, 1996.
Jaargang 2, nummer 2, mei 1997
- R. van Stipriaan.
Historische distantie in de Spaanschen Brabander. Blz. 103-127.
(De interpretatie van de z.g. historische realia in Bredero's stuk
wordt opnieuw geproblematiseerd. Het werk van Pontanus (1614) is
daarbij een grote hulp. Van Stipriaan weet geloofwaardig te maken dat
het stuk zich afspeelt in het 'Spaansgezinde Amsterdam ten tijde van
de Opstand'. Dit getuigt van een ruim en wat vlottend chronologisch
besef' bij Bredero. Artikel bevat mooie vondsten).
- Tineke Jacobi.
Het schandaal Bakhuizen van den Brink. Over de breuk in de redactie
van De Gids in 1843. Blz. 128-142.
(Het conflict binnen De Gids-redactie zou zijn gegaan om een recensie,
geschreven door Van Vloten. Die recensie vormde de aanleiding voor een
theologisch verschil tussen Bakhuizen en Potgieter. Dat is de
traditionele visie. Tineke Jacobi weet evenwel duidelijk te maken dat
de breuk in de redactie begon met een geschil om het privé-leven van
Bakhuizen.)
- G.R.W. Dibbets.
Brandtbrieven bij een trouwpartij. Iets over gender en genre aan het
einde van de zeventiende eeuw. Blz. 143-155.
(Dibbets bereidt een uitgave voor van de correspondentie van de
gereformeerde predikant Joannes Vollenhove. Een brief aan Vollenhove
van Joannes Brandt, met enkele regels van Geeraerdt Brandt, de vader
van de laatste, wordt door Dibbets nader besproken met het oog op
'gender' en 'genre'-kwesties. In de brief verstrekken de Branden
namelijk informatie over de toekomstige bruid van Joannes Brandt,
zodat Vollenhove stof heeft voor een epithalamium.)
- Margaretha H. Schenkeveld.
'Aan den boschvijver'. Aspecten van H. Roland Holst, Tusschen tijd en
eeuwigheid. Blz. 156-157.
(Enigszins gewijzigde tekst van toespraak, gehouden op 28 oktober 1996
te Amsterdam ter gelegenheid van de presentatie van Elsbeths Etty's
biografie.)
- Stand van zaken:
- Jaap Goedegebuure en Odile Heynders. De voortgang van het
twintigste-eeuwse poetica-onderzoek. Blz. 162-163.
(De auteurs gaan in op de dissertatie van Anten over de poetica van
Bordewijk en op de dissertatie van Peperkamp over de poetica van
Vroman.)
- Grensverkeer:
- W.P. Gerritsen. Brandaan polyglot. Blz. 168-172.
(Over de Zuid-Afrikaanse Brandaan-vertaling van G.J. de Klerk en de
Italiaanse van Marie-Louise Rotsaert. Gerritsen geeft wat
tekstvoorbeelden, bespreekt die kritisch en betrekt er ook Schutte's
bespreking van de Brandaan-sonnetten van de hand van D.J. Opperman
bij. Erg leuke lectuur.)
- Boekbesprekingen:
- <Door: Anne Marie Musschoot:> Ton Anbeek. Het donkere hart.
Romantische obsessies in de moderne Nederlandse literatuur. Amsterdam
University Press, Amsterdam 1996.
- <Door: Ton Harmsen:> R. van Stipriaan. Leugens en vermaak. Boccaccio's
novellen in de kluchtcultuur van de Nederlandse renaissance. Amsterdam
University Press, Amsterdam 1996.
- <Door: P.B.M. Blaas:> Toos Streng. 'Realisme' in de kunst- en
literatuurbeschouwing in Nederland tot 1875. Een begripshistorische
studie. Amsterdam University Press, Amsterdam 1995.
- <Door: Nelleke Moser:> Mireille Vinck-van Caekenberghe. Een onderzoek
naar het leven, het werk en de literaire opvattingen van Cornelis van
Ghistele (1510/1511-1573), rederijker en humanist. Gent, Koninklijke
Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent 1996.
- <Door: M.G. Kemperink:> Elisabeth Leijnse. Symbolisme en nieuwe
mystiek in Nederland voor 1900. Een onderzoek naar de Nederlandse
receptie van Maurice Maeterlinck. Met de uitgave van een handschrift
van Lodewijk van Deyssel. Librairie DROZ S.A., Geneve 1995.
- <Door: Nigel E. Palmer:> Paul Wackers e.a. (red.). Verraders en
bruggenbouwers. Verkenningen naar de relatie tussen Latinitas en
Middelnederlandse letterkunde. Prometheus. Amsterdam 1996.
- <Door: S.D. Post:> Els Stronks. Stichten of schitteren. De poézie van
zeventiende-eeuwse gereformeerde predikanten. Den Hertog, Houten 1996.
- <Door: Hans Anten:> Lutgarde Nachtergaele. Apollo op vrijersvoeten.
Een onderzoek naar de thematische coherentie in de 'Verzamelde
verhalen van S. Vestdijk. Recueil de travaux d'histoire et de
philologie. Louvain-la-Neuve 1996.
- <Door: Fabian R.W. Stolk:> P. Sars. Adriaan van Dis; de zandkastelen
van je jeugd. De school van de literatuur. Nijmegen-Leuven 1996.
- <Door: Fabian R.W. Stolk:> J. Joosten. Tom Lanoye; de ontoereikendheid
van het abstracte. De school van de literatuur. Nijmegen-Leuven 1996.
- <Door: Marijke Meijer-Drees:> V.D. Roeper en G.D.J. Wildeman. Reizen
op papier. Journalen en reisverslagen van Nederlandse
ontdekkingsreizigers, kooplieden en avonturiers. Walburg Pers,
Amsterdam 1996.
- Periodiek:
- <Door: Nelleke Moser en Thomas Vaessens:> Overzicht van
neerlandistische bijdragen in 21 letterkundige, literaire,
algemeen-culturele, binnen- en buitenlandse tijdschriften.
Jaargang 2, nummer 1, februari 1997
- M.G. Kemperink.
`De kuise plooien van haar witte gewaad', Metaforen in het
fin-de-siecle-proza. Blz. 2-28.
(Onderzoek naar een constante in het eindnegentiende-eeuws
verhalend proza. De huidige indeling in stromingen zoals
symbolisme, Jugendstil, sensitivisme, neoromantiek, etheticisme
lijkt onvruchtbaar, omdat werk van een en dezelfde auteur nu eens
tot de ene stroming, dan weer tot een andere wordt gerekend.
Kemperink zoekt naar wat teksten uit de periode 1890- 1910
verbindt, in plaats van van naar wat hen scheidt. Richt zich op
positieve en negatieve connotaties van bepaalde metaforen en heeft
daarvoor een nuttig schema ontworpen (p. 7). Bij toetsing aan het
gebruik van metaforen uit de periode 1865-1880 blijkt dat de
metaforen die uitgaan van de tegenstelling zinnelijk-rein in de
periode 1890-1910 dominant zijn.)
- Arie Jan Gelderblom.
Schrijvende leidsvrouw en kindervriendin: Anna Barbara van
Meerten-Schilperoort (1778-1853). Blz. 29-44.
(Onderzoek naar leven en werk van een productieve, voornamelijk
didactische auteur, die vanuit een vrome, christelijke achtergrond
voor vrouwen en kinderen schreef. Haar aantrekkelijkste roman is
`Emilia van Rozenheim' Zij richtte ook een soort voorloper van de
Libelle op, het vrouwentijdschrift Penelope (1821-1835), waarin
huisvlijt een grote rol speelt. De vrouw die wilde leren hoe ze
voor eigen genoegen en dat van haar echtgenoot kunstbloemen,
tasjes, breitobbetjes, schilderijtjes van fijngeknipt haar,
speldenkussens enz. moest vervaardigen, kon bij dat tijdschrift
terecht. Anna Barbara van Meerten-Schiperoort moet een wat
merkwaardig mens zijn geweest. Zij was zo verzot op de gezonde
buitenlucht van Gouda, dat ze haar lunch steevast in de tuin
gebruikte. Voor het laatst in februari 1853, waarop ze overleed
aan een koutje, dat zich had ontwikkeld tot een
borstvliesontsteking. Haar werk, dat uit de familienalatenschap
stamt, bevindt zich in de Librije van Gouda, thans een onderdeel
van het Streekarchief Hollands Midden. Het artikel is toepasselijk
geillustreerd.)
- R. van Stipriaan.
De Spaanschen Brabander, een kluchtig spel. Blz. 45-66.
(Aantrekkelijk betoog waarin Van Stipriaan laat zien dat de
Spaanschen Brabander eerder als een klucht dan als een blijspel
dient te worden beschouwd. Jeronimo vertoont alle trekken van een
kluchtfiguur. De spreekwoordelijke Hollandse `botheid' komt in
Jeronimo's ogen neer op `gebrek aan onderscheidingsvermogen', zeg
maar: kortzichtigheid of domheid. Waar ik het niet mee eens ben,
is Van Stipriaans gelijkstelling van satire aan moralisme (p. 59).
Deze gelijkstelling gaat weliswaar op voor de Juvenalische satire,
maar niet voor de Horatiaanse (waartoe de Spaanschen Brabander
eerder behoort). Voorts lijkt Van Stipriaan zich niet bewust te
zijn van de beperkingen van een louter literatuurwetenschappelijke
benadering. Wie er daarentegen van uitgaat dat Bredero een
schrijvende schilder is, komt snel tot het inzicht dat zijn
Spaanschen Brabander aansluit bij geschilderde herbergtaferelen,
bordeeltjes en boerenscenes. Van Stipriaans benadering maakt dat
volgens mij onvoldoende zichtbaar.)
- W.P. Gerritsen.
De burggravin van Vergi uit het slijk gehaald, Literair-
historische vragen bij twee middeleeuwse insignes. Blz. 67-74.
(Artikel naar aanleiding van archeologische vondsten (lood-tinnen
insignes uit de periode 1375-1425) in Dordrecht en Nieuwlande
(Zeeland). De Nijmeegse kunsthistoricus Koldeweij meent dat die
insignes de voyeur-scene uit de Middelnederlandse versnovelle `Die
borchgravinne van Vergi' weergeven. Gerritsen gaat hiermee akkoord
en besluit dat deze Vergi-insignes (die bij zijn artikel zijn
afgebeeld) een hoogst curieus getuigenis vormen van de relatie
tussen literatuur en beeldende kunst in de Middeleeuwen.)
- Stand van zaken: Bertram Mourits en Thomas Vaessens. This game is
shareware, Internet en de letterkundige neerlandistiek. Blz.
75-84.
(Over Internet als encyclopedie, als verzameling elektronische
teksten, tijdschriften en discussielijsten, en als bibliotheek.)
- Grensverkeer: Marita Mathijsen. Een frisse geitewollen
sok: Rudolf Schenda's Volk ohne Buch. Blz. 85-87.
(Observaties na herlezing van Schenda's boek uit 1970. Volgens
Mathijsen is het boek nog steeds inspirerend en heeft het zijn
essayistische kracht behouden.)
- Boekbesprekingen:
- <Door: M.A. Schenkeveld-van der Dussen:> Jan Fontijn. Trots
verbrijzeld: het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901. Querido.
Amsterdam, 1996.
- <Door: Jaap Goedegebuure:> Ena Jansen. Afstand en verbintenis,
Elisabeth Eybers in Nederland. J.L. van Schaik. Pretoria, 1996.
- <Door: Jaap de Gier:> A. Maljaars. Het Wilhelmus: auteurschap,
datering en strekking. Een kritische toetsing en nieuwe
interpretatie. Kampen, 1996. E. Hofman. Nieuw licht op het
Wilhelmus en zijn dichters. Zoetermeer, 1996.
- <Door: Els Stronks:> Bladeren in andermans hoofd. Over lezers en
leescultuur. Red. T. Bijvoet, P. Koopman, L. Kuitert en G.
Verhoeven. Sun. Nijmegen, 1996.
- <Door: Ellen Grabowski:> O.S. Lankhorst en P.G. Hoftijzer.
Drukkers, boekverkopers en lezers in Nederland tijdens de
Republiek. Den Haag Sdu (Nederlandse cultuur in Europese context;
1), 1996. - Periodiek:
- <Door: Nelleke Moser en Thomas Vaessens:> Overzicht van
neerlandistische bijdragen in 19 letterkundige, literaire,
algemeen-culturele, binnen- en buitenlandse tijdschriften.
Jaargang 1, nummer 4, november 1996
- P.J. Buijnsters.
Schatgraven in Niemandsland. De herontdekking van het Nederlandse kinderboek
uit de achttiende eeuw. Blz. 317-328.
(Verzoek aan de neerlandistiek om
aandacht voor het kinderboek. Aanleiding daartoe vormt de geboorte van
de `Bibliografie van Nederlandse Schoool- en Kinderboeken 1700-1800', samengesteld
door Buijnsters en zijn echtgenote. In deze bibliografie worden de titels
van ongeveer 1700 Nederlandstalige publicaties opgenomen, veelal aan de
hand van boeken in privé-bezit.)
- Hugo Brems.
Het is niets meer, dan dit schilderij. Over de gedichtencyclus "Schilderij"
van Rutger Kopland. Blz. 329-340.
- Gert de Jager.
Het geheim van het sonnet. De Tachtigers en de aantrekkingskracht van
een literaire vorm. Blz. 341-354.
- Soetje Oppenhuis de Jong.
Agloval en de compilator. De geschiedenis van een verhaaldraad in de
Lancelotcompilatie. Blz. 355-366.
- Wouter Abrahamse.
`Gekabaste cierselen'. Bronnen van Theodore Rodenburgh'. Blz. 367-376.
- Henk Peters.
Waarom Paulus de Boskabouter en Frits van Egters elkaar waarschijnlijk
nog nooit hebben ontmoet. Over jeugdliteraire geschiedschrijving. Blz.
377-387.
- Stand van zaken:
- A.M.A. van den Oever. Boon-onderzoek. Blz. 388-395.
- Boekbesprekingen:
- <Door: Ute Langner> Gesine G"ossner. Frauen und Literatur
in den Niederlanden: Feminismus, Literaturbetrieb, Literaturwissenschaft
und literarische Produktion von Frauen vom Ende der sechziger bis zur Mitte
der achtziger Jahre. Frankfurt/M. u.a., Peter Lang, 1994.
- <Door: Fabian R.W. Stolk:> Gerald de Vriend. Literatuuronderwijs
als voldongen feit; legitimeringen voor het leren lezen van literatuur
op school. Amsterdam, 1996. Amsterdamse Historische Reeks 30. Diss. UvA.
- <Door: Arie Jan Gelderblom:> Evert M. Wiskerke. De waardering
voor de zeventiende-eeuwse literatuur tussen 1780 en 1830. Hilversum, Verloren,
1995. Diss. UvA.
- <Door: M.A. Schenkeveld-van der Dussen:> Door enen engen hals;
Nederlandse beschouwingen over vertalen 1550-1670. Verzameld en ingeleid
door Theo Hermans. Stichting bibliographia Neerlandica. 's-Gravenhage,
1996.
- <Door: Marita Mathijsen:> J.C. Bloem. Het onzegbare geheim. Verzamelde
essays en kritieken 1911-1963. Bezorgd door H.T.M. van Vliet. Amsterdam,
1995. - Periodiek:
- <Door: Nelleke Moser en Thomas Vaessens:> Overzicht van neerlandistische
bijdragen in 19 letterkundige, literaire, algemeen-culturele, binnen- en
buitenlandse tijdschriften.
Meer recente nummers van dit tijdschrift
[Tijdschriftenoverzicht]