Ewoud Sanders.
Tot de laatste stuiver. Namen van munten in uitdrukkingen. Blz.
324-327.
(Uitdrukkingen hebben een lang leven, zelfs als de betekenis
van de daarin gebruikte woorden niet meer bekend is, zoals in "op
zijn falie krijgen" ("falie"= regenmantel, middeleeuws Nederlands).
Om die reden is het aannemelijk dat uitdrukkingen met "stuiver",
"dubbeltje", "kwartje" en "gulden" niet met euro zullen verdwijnen.
Er zijn geen spreekwoorden met "rijksdaalder" of "riks", en evenmin
zijn er spreekwoorden met benamingen voor bankbiljetten (wel
bijnamen, zoals "(rooie) rug", "vuurtoren", "geeltje"). Bovendien
keren die munten en visuele kenmerken in het eurostelsel niet
terug. Het is derhalve te verwachten dat die benamingen spoedig in
de vergetelheid raken. In dit artikel zijn een groot aantal
uitdrukkingen met "stuiver", "dubbeltje", "kwartje" en "gulden"
bijeengebracht. Tevens worden de muntnamen etymologisch en
historisch verklaard.)
Ada van der Linden.
Afscheid van "piek", "joet" en "geeltje". Bijnamen van
verdwijnende munten en biljetten. Blz. 328- 329.
(Dit artikel geeft een globaal overzicht van de bijnamen voor
onze munten en bankbiljetten, de verklaring ervan en de benamingen
voor eerder verdwenen munten, zoals een achtste stuiver (duit), een
cent (spie o.a.), een vierde stuiver (oord), 2,5 cent (plak of
plakker) en 150 cent ofwel daalder.)
Ton den Boon.
"Zalmkit", "frontloading" en "eurokwartje". Hebben de
eurowoorden toekomst? Blz. 330- 331.
(Naar aanleiding van de introductie van de euro zijn een groot
aantal gelegenheidswoorden ontstaan, zoals
"afrondingsproblematiek", "duale fase" en starterspakket". Als de
invoering van de euro met succes voltooid is, zal er aan die
woorden geen behoefte meer bestaan en zullen ze dus nooit in het
woordenboek terechtkomen. Er zijn in de introductiefase ook een
aantal bestaande bancaire termen van stal gehaald die nu bijna
exclusief op de euro lijken te slaan, zoals "frontloading", "dode
voorraad" en "versterf" of "verstervingswinst". Voorzover ze niet
al in het woordenboek staan, komen ze er wellicht nu wel in. Een
uitdrukking als "Zalmkit" haalt mogelijk het woordenboek, omdat
het, net als het "tientje van Lieftinck", de "geschiedenis" in zal
gaan.)
Taaladviesdienst.
Vraag en antwoord. Blz. 333.
(Wat betekent "geronnen" in bv. "zo gewonnen, zo geronnen"? Is
het "pitstop"of "pitsstop"? Wat is juist: "polshoogte nemen"of
"poolshoogte nemen"? En hoe zijn de regels voor hoofdlettergebruik
bij namen die voorafgegaan worden door adellijke titels, m.a.w. is
"baron van Voorst tot Voorst" correct geschreven? Deze vier vragen
staan deze keer centraal.)
Redactie Onze Taal.
Groenman-Taalprijs voor Ivo de Wijs. Het juryrapport en enkele
citaten uit het dankwoord van De Wijs. Blz. 334-335.
(Als geen ander heeft Ivo de Wijs aan de taal kleur gegeven met
de vele gedichten, dialogen, conferences en liedjes die hij met
zijn eigen cabaretgroep op de planken en als presentator voor de
microfoon (Vroege vogels) heeft gebracht. Meer dan duizend
liedteksten heeft hij geschreven. De Wijs is een dichter met
métier, een vakman die de techniek van het verzen maken
grondig beheerst.
Zelf zegt hij in zijn dankwoord, dat je, als je aan een tekst zorg
kúnt besteden, die zorg ook moet besteden. Maar als dat door
omstandigheden niet kan, zoals bij de meeste sprekers in de
praktijk, vindt hij het ook best. Een zin als "Hij stak met kop en
schotels boven de rest uit" kan goed werken. Scherpslijpers
verwijst hij graag naar "Literaire kunst" van Lodewick, waarin alle
taalfouten stijlfiguren worden genoemd.)
Ingmar Heytze.
Schoolpoëzie. Blz. 335. Raptus.
(Er bestaan geen echte dichtersopleidingen. De ware kunst van
het dichterschap moet men zichzelf aanleren, door vele jaren studie
en oefening. Een docent is daarbij niet nodig, want je moet het
wiel toch zelf uitvinden. Overigens is Heytze sinds kort docent
poëzie op de schrijfopleiding van een Utrechtse hogeschool...
hij hoopt van zijn studenten nog heel wat te leren.)
Redactie Onze Taal.
Het jaar 2001. Meningen van taalgebruikers. Blz. 338-339.
(Bart Chabot en Arjen Duinker (dichters), Marinel Gerritsen
(hoogleraar Interculturele Bedrijfscommunicatie), Ruud Hendrickx
(taaladviseur VRT), Twan Huys (NOS-correspondent VS), Ad Melkert
(voorzitter Tweede-Kamerfractie PvdA), Jacomine Nortier
(taalkundige), Els Ruijsendaal (voorzitter Algemeen Nederlands
Verbond) en Jan W. de Vries (emeritus hoogleraar Nederlandse
taalkunde) geven antwoorden op de volgende zes vragen:
1. Wat viel u in 2001 op als het gaat om taal in de ruimste zin van
het woord? 2. Wat vindt u de belangrijkste taalgebeurtenis van dit
jaar? 3. Wat is het beste boek (of artikel, of bericht of iets
dergelijks) over taal dat u dit jaar las of gebruikte? 4. Wat is
het ergste woord van 2001? 5. Wat is het mooiste woord van 2001? 6.
Wie was dit jaar de beste taalgebruiker?)
Marc van Oostendorp en Kees van der Zwan.
Het jaar 2001. Van euro tot oorlog. Blz. 340-342.
(Dit jaar was het Europees Jaar van de Talen. Op allerlei
manieren moesten we enthousiast worden gemaakt voor de talenrijkdom
van Europa. Maar de activiteiten gingen tamelijk onopgemerkt
voorbij. Er werd natuurlijk wel over andere taalkwesties
gediscussieerd. Daarvan wordt in 32 punten - verspreid over de
twaalf maanden - verslag gedaan: de euro, gebarentaal, Maxima,
'Turk' in Van Dale enz.)
Marc van Oostendorp.
"Is het Zeeuws minder waard dan het Limburgs?" Twee jonge
Zeeuwen over de positie van hun streektaal. Blz. 344-345.
(Marco Evenhuis, oprichter van het Zeeuwse culturele
tijdschrift Noe, en streektaalconsulent Marjolein de Visser spannen
zich in voor een betere positie van het Zeeuws. Visser probeert de
verschillende groepen die in Zeeland met het dialect bezig zijn bij
elkaar te krijgen om te zien hoe ze samen de druk op de Haagse
politiek kunnen opvoeren om de erkenning van het Zeeuws erdoor te
krijgen. Ze zou het oneerlijk vinden als het Zeeuws niet erkend zou
worden, terwijl het Nedersaksisch en het Limburgs dat wel zijn. Het
Zeeuws is toch zeker niet minder waard dan het Limburgs !)
Wim Blokzijl en Roos Naeff.
Zoevende zinnen en vliegende vlakken. Adviezen voor
PowerPoint-presentaties. Blz. 346-349.
(De overheadprojector verliest steeds meer terrein aan het
presentatieprogramma PowerPoint. In tegenstelling tot de sheets is
de digitale PowerPoint-projectie goed leesbaar. Te goed eigenlijk,
want nu laten sprekers vaak in één projectie veel te
veel zien, terwijl het programma nu juist het gemak biedt van een
stapsgewijze opbouw van de visuele ondersteuning. Omdat de techniek
tot zo veel in staat is, hebben sprekers de neiging om met allerlei
effecten het verhaal op te leuken. Niet doen! Gebruik ook geen
geluid, maar wel kleur. Controleer hoe uw diavoorstelling er
geprojecteerd uitziet. En zo staan er nog veel meer van dergelijke
tips in dit artikel,)
Marc van Oostendorp.
Dozen verkopen zonder moeite. Blz. 349.
(Stel dat u zich moet toeleggen op de productie en distributie
van lege dozen. U moet eerst een innovatief businessplan opstellen.
Hoe structureert u de presentatie van dat plan zodanig dat uw
superieuren overtuigd raken van de waarde van uw plan? Dat kunt u
doen met de "Wizard AutoInhoud" in het programma PowerPoint. De
hele presentatie (innovatief !) is naar schatting binnen vijf
minuten voor u in elkaar gezet. Maar u moet uw innovatief
businessplan nog wel zelf maken!)
Marc van Oostendorp.
Heeft gezien / gezien heeft. Blz. 350. Het proefschrift van ...
Shalom Zuckerman.
(Zuckerman laat aan een proefpersoon een plaatje zien waar
Nijntje op staat met een step, en zegt dat Nijntje blij is.
Vervolgens vraagt hij "Waarom is Nijntje blij?". Het antwoord is
dan "Omdat ze een step heeft gekregen" of "Omdat ze een step
gekregen heeft". Het blijkt dat proefpersonen in deze en
soortgelijke situaties consequent kiezen voor de ene of de andere
vorm. Eerder hadden onderzoekers vastgesteld dat Groningers een
voorkeur hebben voor "gekregen heeft" en Limburgers voor "heeft
gekregen". Maar Zuckerman vond in zijn onderzoek (The Acquisition
of "Optional" Movement, Groningen) dergelijke verbanden met de
geboortestreek van zijn proefpersonen niet meer terug. Wel stelde
hij vast dat 70 procent kiest voor "heeft gekregen". De keuze
blijkt bovendien afhankelijk van de talige context. Als een woord
als "nooit" of "vrijwel" wordt toegevoegd, zegt men "Omdat zij die
step niet gekregen heeft". Of "omdat de legers elkaar vrijwel
afgeslacht hebben" en niet "...hebben afgeslacht". Merkwaardig was
dat de kinderen van de proefpersonen vrijwel allemaal kozen voor
"gekregen heeft". Maar als ze ouder worden, beginnen sommigen de
volgorde om nog niet helemaal opgehelderde redenen te veranderen.
Sprekers van het Nederlands kunnen worden onderverdeeld in twee
"dialecten" die overigens niet corresponderen met maatschappelijke
verschillen. Daardoor is de onderlinge tolerantie hoog.)
Arjan Broere.
"Ik ken u toch ergens van?". Receptievaardigheden voor
beginners. Blz. 351.
(December is de receptiemaand bij uitstek. De kunst is in
gesprek te komen met mensen die je interessant of de moeite waard
vindt en oninteressante mensen te vermijden of netjes kwijt te
raken. In dit artikel vindt u daarvoor nuttige tips.)
Raymond Noë.
InZicht. Blz. 353-354. Deze rubriek licht u in over nieuwe
boeken, cd-roms, congressen, lezingen e.d. in taalkundig Nederland.
(Deze keer: korte besprekingen van 7 boeken, 1 mededeling en 1
tijdschrift:
John Man, "Alfa bèta. Hoe ons alfabet vormgaf aan de
westerse beschaving"
A.L. Hottenhuis, Wat (nog) niet in Dijkhuis staat". Aanvulling
op het in 1979 gepubliceerde "Twents in woord en gebruik" van
G.J.H. Dijkhuis.
Wim Klooster, "Grammatica van het hedendaags Nederlands. Een
volledig overzicht"
Bas Hageman, "Barbarismenwoordenboek. Hoe Nederlands is uw
Nederlands nog?"
Herman J. Claeys, "Vlaams dialectenwoordenboek" (bevat zo'n
14.000 woorden van het Brabants, het Limburgs en het Vlaams, met
etymologische bijzonderheden en informatie over de verwantschap met
andere dialectwoorden. Een substantieel deel bestaat uit (voor de
Vlaamse dialecten kenmerkende) gallicismen)
Nicoline van der Sijs, "Chronologisch woordenboek. De ouderdom
en herkomst van onze woorden en betekenissen" (handelseditie van
haar dissertatie).
Amira Armenta, "Een nieuwe tong" (meertaligheid is handig en
nuttig, maar alleen als je dagelijks je moedertaal kunt spreken).
Etymologisch woordenboek op internet. De eerste gedeelten van
het "Groot etymologisch woordenboek van het Nederlands" (EWN) zijn
nu op internet te raadplegen
(http://iiasnt.leidenuniv.nl/ied/index2.html).
Tijdschrift: "Naamkunde", verschijnt tweemaal per jaar. Een
gemiddelde aflevering telt onveer 150 pagina's. Het bevat
voornamelijk wetenschappelijk onderzoek naar eigennamen en de
context waarin ze voorkomen. Redactie: M. Devos, A. Marynissen, J.
Van Loon, R.A. Ebeling, D. Gerritzen en K.F. Gildemacher.
Jaargang 70, nummer 11, november 2001
Redactie Onze Taal.
Nederlands digitaal. Blz. 280 (7 art.).
(Dit extra dikke themanummer is gewijd aan de ontwikkelingen in
de computertechnologie, zoals spraakherkenning, programma's die
teksten kunnen samenvatten, sprekende computers die de docent
gedeeltelijk kunnen vervangen en de steeds geraffineerder wordende
zoekmachines op het internet.)
Herbert Blankesteijn.
De computer spreekt tegen. Is spraaktechnologie gehandicapt?
Blz. 281-283.
(Spraaksynthese is slechts in enkele gevallen zinvol,
bijvoorbeeld bij afasie. Voor slechtzienden is het ouderwetse
cassettebandje verreweg te prefereren boven een computerstem. Bij
het surfen op het internet moet de blinde de tekst die hij of zij
wil horen eerst selecteren... Een brailleleesregel is praktischer.
Het complement van spraaksynthese is spraakherkenning, en wel in
twee varianten: spraakbesturing en dicteren. Bij spraakbesturing
(wissen!, opslaan!) is het te gebruiken vocabulair weliswaar
beperkt, maar de gebruiker moet een groot aantal commando's uit het
hoofd leren. Bij dicteren moet een uiterst ingewikkeld programma
ontworpen worden, dat zeer veel werkgeheugen vereist.
Spraaktechnologie is overigens nog volop in ontwikkeling, maar
voorlopig lijken de toepassingsmogelijkheden voor gehandicapten
zeer beperkt.)
Strik, Helmer.
"Dat heb ik helemaal niet gezegd!" De prestaties van de
spraakherkenner. Blz. 284-286.
(Een spraakherkenner gebruikt drie informatiebronnen, die
mensen ook gebruiken: akoestische modellen van de klanken die in
een taal voorkomen, een woordenlijst en een taalmodel. De
spraakherkenner begint met de klanken te onderscheiden,
bijvoorbeeld de klanken "eu" en "ui". Vervolgens beschikt hij over
een woordenlijst in twee versies: een in grafemen (gewone spelling)
en een in fonemen (klankschrift). Op basis van de woordenlijst weet
hij dat "duir" niet maar "deur" wél bestaat. Tenslotte
beschikt hij over een taalmodel dat hem in staat stelt te beslissen
dat in de zin "In Holland staat een huis" het woord "huis"
waarschijnlijker is dan "heus". Een groot probleem is dat er zeer
veel uitspraakvariaties zijn, waarop je een computerprogramma niet
kunt voorbereiden. Sprekers maken niet alleen gebruik van de reeds
genoemde herkenningsmodellen, maar ook van visuele informatie
(lippen, wenkbrauwen, mimiek en gebaren). En bovendien maken mensen
bij hun communicatie gebruik van hun algemene kennis die zegt hoe
je een zin als "Vandaag is Wall Street ingestort" moet
interpreteren. De niet-talige informatiebronnen zijn uiterst
lastig, zo niet onmogelijk te vangen in een goed werkend programma.
Automatische spraakherkenning is dus verre van een opgelost
probleem.)
Jan Kuitenbrouwer.
Dag zeik niet. Blz. 287.
(In deze column die eerder in de Volkskrant verscheen,
beschrijft Kuitenbrouwer zijn worsteling met het door hem
aangeschafte spraakbesturingsprogramma Philips FreeSpeech (versie:
'98). Hij probeerde deze column aan de pc te dicteren, maar dat
ging niet bepaald voorspoedig. JK: Ik hou u op de hoogte. PC: En
kou nu op de hoop ze. JK: Dat zei ik niet. PC: Dag zeik niet.)
Sjaak Priester.
Linkse koppelingen. Blz. 287.
(In de Nederlandse versie van het Amerikaanse programma "Adobe
GoLive 5.0" staat ergens dat er gekozen kan worden tussen "rechts"
en "koppelingen". De vertaler (of een vertaalmachine?) heeft
blijkbaar "left" vertaald in "links" en vervolgens dat
(Nederlandse) woord opgevat als een meervoud van het Engelse "link"
en is zo tot "koppelingen" gekomen.)
Peter-Arno Coppen.
"Een mooie manier om taal te beschrijven". Interview met drie
hoogleraren computerlinguïstiek. Blz. 288-290.
(De geïnterviewden zijn: Harry Bunt, Jan Landsbergen en
Remko Scha. Gedrieën begonnen zij rond 1970 hun
carrière bij Philips, waar zij zich moesten bezighouden met
kunstmatige intelligentie, oftewel AI (Artificial Intelligence). De
meest relevante toepassing leek toen de ontwikkeling van een
systeem voor het halen van informatie uit een gegevensbestand. Zo
ontstond "PHLIQA", een computerprogramma dat vragen in een
natuurlijke taal (Engels) accepteerde. Eind zeventiger jaren ging
ieder zijns weegs. Hun verdere onderzoek leidde niet meteen tot
concrete toepassingen, maar hun fundamentele onderzoek heeft de
ontwikkeling van het geautomatiseerde 'Openbaar vervoer
reisinformatie' mogelijk gemaakt. Zij hebben geen hoge
verwachtingen van QA (Question Answering), waarbij gewerkt wordt
met beperkte contexten. Deze zijn goed voor eenvoudige situaties,
zoals theaterreservering en reisinformatie. De laatste tijd is er
veel meer aandacht voor "multimodaliteit": het gelijktijdig
gebruiken van toetsenbord, spraak, muis en aanraakscherm.
Uiteindelijk specialiseerde Bunt zich in de dialoogtheorie, de
relatie tussen taal, context en gespreksdeelnemers (waaronder de
computer). Scha verdiepte zich vooral in de manier waarop een
computer gebruik zou kunnen maken van de waarschijnlijkheden in de
taal, ook in relatie tot de context. Landsbergen werkte het
vertaalontwerp van PHLIQA verder uit voor de automatische vertaling
tussen natuurlijke talen.)
Wilbert Spooren.
De computer leert lezen. Automatische tekstsamenvatting en de
betekenis van woorden. Blz. 291-293.
(Word 2000 heeft een knop waarmee je een samenvatting van een
tekst kunt maken. Het resultaat is echter beroerd. Maar er is een
nieuwe ontwikkeling: de Latente Semantische Analyse (LSA). Het
uitgangspunt van deze methode is dat de betekenis van een woord
bepaald wordt door woorden die vaak in de omgeving van dat woord
voorkomen. De basis wordt gevormd door een gigantisch groot corpus
teksten. Vindt de computer daarin dat "Greenpeace", "natuur" en
"bos" vaak bijeen staan, en dat elders in dat corpus "bos" en
"natuur" naburige woorden zijn van "gezondheid", dan kan hij
concluderen dat er tussen "Greenpeace" en "gezondheid" een latent
verband bestaat. Volgens de ontwerpers kan LSA ook ingezet worden
bij de automatische beoordeling van schriftelijke werkstukken van
studenten. Deze worden vergeleken met voorbeeldwerkstukken in het
corpus. De beoordelingen door de LSA-computer blijken sterk overeen
te komen met die van menselijke beoordelaars. Overigens zijn we nog
ver verwijderd van een volautomatische samenvatting.)
Theo Stielstra.
Aan een half woord genoeg? De taalgevoeligheid van
zoekmachines. Blz. 293-295.
(De eerste generatie zoekmachines hield zich helemaal niet
bezig met taalkwesties. Maar nu er zo'n slordige 1,5 miljard
pagina's op het web staan, wordt het steeds dringender dat
zoekvragen preciezer worden geformuleerd. En daarmee schuift de
ontwikkeling in de richting van zoekmachines die vragen in een
natuurlijke taal kunnen begrijpen. Een dergelijke zoekmachine vindt
men op de site van de Postbank. De techniek erachter is ontwikkeld
door Q-Go, een bedrijf dat zich richt op zoeken in het Nederlands.
Deze natuurlijke-taalmachine is op zijn best wanneer de vragen
binnen een beperkt domein worden gesteld.)
Marc van Oostendorp.
Een moord beramen met vakantiekiekjes.Teksten (de)coderen met
de computer. Blz. 296-297.
(Met behulp van computers kan de communicatie via e-mail en fax
door inlichtingendiensten worden gevolgd. Dit gebeurt door alle
berichten razendsnel door te lezen op verdachte woorden en
woordcombinaties. Gesproken berichten zijn heel wat lastiger te
volgen. Toch maakt men gebruik van automatische spraakherkenning,
maar dan alleen bij verdachte personen, wier spraakeigenaardigheden
na verloop van tijd te herkennen zijn.
Er zijn computerprogramma's voor het versleutelen van
berichten, maar evenzeer voor het ontcijferen ervan. Een
geavanceerde manier om een code te kraken, is gebaseerd op de
statistische eigenschappen van een bepaalde taal (voorbeeld: in het
Nederlands komen de "e" en woorden als "de", "het" en "een" veel
voor). In de Tweede Wereldoorlog hadden de Amerikanen
Navajo-indianen in dienst die berichten in hun - zeer
gecompliceerde- taal verstuurden en weer terugvertaalden. De
Japanners hebben die berichten nooit kunnen ontcijferen.)
Jan Erik Grezel.
Een praatjesmaker met een spraakgebrek. Taal- en
spraaktechnologie in het talenonderwijs. Blz. 298-300.
(Idealiter leert men een vreemde taal in de de
vreemdetaalomgeving. Met de nieuwe taal- en spraaktechnologie kan
men die vreemdetaalomgeving in het klaslokaal creëren, bv.
door leerlingen interactief met internet of een computerprogramma
te laten communiceren, en er meteen spraak aan te koppelen.
Leerlingen blijken dit leuk te vinden. Volgens Lou Boves (KUN)
staan programma's waarbij leerlingen met de computer moeten
spreken, nog in de kinderschoenen. Maar met korte zinnetjes binnen
een beperkte context lukt het al heel aardig.)
Ingmar Heytze.
Cyberpoëzie. Blz. 300. Raptus.
(De virtuele dichter "Ray Kurzweil's Cybernetic Poet" kan meer
dan een ander pc-programma: het analyseert het werk van een dichter
en is daarna in staat volkomen nieuwe strofen te schrijven. Het
gaat nog maar met korte gedichtjes zoals haiku's en epigrammen: een
sonnet is nog te moeilijk. Een zorgelijke ontwikkeling? Nee, want
wat geeft het als een lezer geraakt wordt door een gedicht uit de
computer? Het gaat erom dát ie geraakt wordt. Het wachten is op de
winnaar van de Buddingh'-prijs die toegeeft dat de helft van zijn
werk uit de computer kwam.)
Redactie Onze Taal.
Loos alarm. Blz. 301.
(Opnieuw een greep uit de inzendingen van lezers die hun
spellingchecker van Word 2000 of Word 97 hebben betrapt op
lachwekkende alternatieven voor goed gespelde woorden en
eigennamen. "Veenendaal"? Nee, suggestie "mensentaal". "Mailtje"?
Nee: "asieltje".)
Redactie Onze Taal.
Weesmoeder. Blz. 304.
(Hoe zou je iemand kunnen noemen die een kind, een broer of een
zus heeft verloren? Op die vraag reageerde een aantal mensen. Men
suggereerde "nabestaande", "eremoeder", "moeder-zaliger",
"verliesmoeder", "weemoeder" en "weesmoeder". Alleen het Hebreeuws
kent dergelijke woorden.)
Ewoud Sanders.
Telefoonbotje. Blz. 304.
(Hoe noem je de korte, hevige pijn die je voelt als je je
elleboog stoot? Dat was de vraag in het juninummer. Uit de
tientallen readcties is een lijst te maken van zo'n veertien
woorden als bv. "elektrisch botje", "schokbotje", "telefoonbotje",
"jodenbotje" en weduwnaarsbotje".)
Taaladviesdienst.
Vatten/vaten. Vraag en antwoord. Blz. 305.
(Het verschil in meervoudsvormen heeft te maken met de herkomst
van die woorden. "Vat" (waar je iets in kan doen) kwam in het
Middelnederlands al voor met de meervouden "vate" en "vaat". "Vat"
in de betekenis van "handvat" is van oorsprong geen zelfstandig
naamwoord, maar is afgeleid van een werkwoord, nl. 'vatten'.)
Taaladviesdienst.
Meld u aan / houdt u rekening met... Vraag en antwoord. Blz.
305.
(In "meld u aan" is "u" lijdend voorwerp; "meld" krijgt dus
geen -t. In de tweede zin is "u" onderwerp en moet "u" een "t"
krijgen.)
Taaladviesdienst.
Newyorks/New-Yorks/New Yorks. Vraag en antwoord. Blz. 305.
(De naslagwerken verschillen van mening over de vraag welke van
de drie de juiste spelling van het bijvoeglijk naamwoord is. De
voorkeur gaat uit naar "New Yorks", omdat dit het beste aansluit
bij de spellingregels voor aardrijkskundige regels waarin streepjes
blijven staan ("Zuid-Hollands"). Het lijkt dus logisch dat ook
spaties blijven staan.)
Taaladviesdienst.
91 Andere woorden voor "loungen" / Ander woord voor ...
"interface". Blz. 306
(57 Lezers droegen 91 alternatieven aan voor "loungen".
Uiteindelijk is gekozen voor "uitspannen" dat mooi verwijst naar
"uitspanning" en "ontspannen".
Gevraagd wordt om alternatieven voor "interface", het geheel
van middelen dat de computergebruiker ter beschikking heeft om een
programma te bedienen (bijvoorbeeld toetsenbord, aanraakscherm,
invulscherm, aanklikbare velden en gesproken invoer.)
Harry Cohen.
Smetteloos Nederlands. Wat willen taalpuristen nu eigenlijk?
Blz. 308-310.
(Leenwoorden vernederlandsen in de loop der tijden, en wel
zodanig dat ze niet meer als woorden van vreemde herkomst worden
ervaren. Veel woorden van buitenlandse oorsprong zijn in feite
internationalismen: ze hebben in vele talen ingang gevonden, zoals
"radio" en "computer". Zojuist is verschenen het
"Barbarismenwoordenboek. Hoe Nederlands is uw Nederlands nog?" van
Bas Hageman. De auteur stelt dat een leenwoord pas een barbarisme
is, als het zich niet voegt naar onze regels en gebruiken (1) en
als het bovendien ook niet nodig is, omdat er bruikbare, goed
Nederlandse alternatieven zijn (2). Maar wat is er eigenlijk tegen
de uitbreiding van het aantal synoniemen in de Nederlandse
woordenschat? En waarom vult Hageman zijn lexicon voor dertig
procent met woorden die als ingeburgerd worden aangemerkt? Dit zou
nog te verklaren zijn als hij een wetenschappelijk werk op het oog
had gehad. Nu dat niet het geval is, had hij zich beter kunnen
beperken tot die leenwoorden, die niet ingeburgerd zijn, onder
aanreiking van goed Nederlandse alternatieven voor de puristen. Wie
een boek schrijft om anderen te vertellen wat mag en niet mag,
riskeert de Charivarius ("briljant taalvirtuoos"maar ook "pedante
zeur") van de toekomst te worden.)
Battus.
De degen wint bij tegenwind. Opperlandse vingeroefeningen (4).
Blz. 311 (4e en laatste voorpublicatie uit "Opperlandse taal- en
letterkunde" waarvan de herziene editie net verschenen is.)
(Er zijn 676 woorden die overgaan in andere woorden door de
laatste en eerste letter te verwisselen: "Gein/neig", "keur/reuk".
Er kan een extra medeklinker (r of l) ingesmokkeld worden:
"Murw/wurm", "flop/plof". Of met twee medeklinkers aan beide
kanten: "drent/trent", "glans/slang". Ook zijn er voorbeelden van
twee lettergrepen: "lacher/rachel", "laven/navel". En tenslotte nog
mooie gevallen als "diernaam/miernaad" en
"remonstrantenhoed/demonstrantenhoer".)
Nicoline van der Sijs.
Naaste familie. Blz. 312-313. Etymologica.
(Onze naaste familie wordt gevormd door talen die net als de
onze teruggaan op het Germaans: het uitgestorven Oost-Germaanse
Gotisch, de Noord-Germaanse talen Deens, Faeroers, IJslands, Noors
en Zweeds, en de West-Germaanse talen Engels, Duits en Fries.
De Germanen kwamen tussen 1000 en 500 v.Chr. vanuit Zweden en
Noorwegen naar het zuiden. De aldaar wonende volken namen het
Germaans over. In de Romeinse tijd heeft het Germaans veel woorden
uit het Latijn overgenomen. Na de val van het Romeinse Rijk (476)
trokken de Germanen in verschillende richtingen weg. In de
Nederlanden vestigden zich de Saksen (in het oosten) en de Franken
(in het binnenland). Het moderne Nederlands is ontstaan door een
vermenging van de verschillende dialecten, met het Frankisch als
basis.)
Riemer Reinsma.
Dries. Geschiedenis op straat. Blz. 314.
(Een dries was in de vroege middeleeuwen een stuk
gemeenschapsgrond dat beurtelings als bouw- en als grasland werd
gebruikt. Naast de meest voorkomende straatnaam "Dries" vinden we
"Dres(ch)" in West-Friesland, Heiloo en Akersloot, en "Driest" in
Bussum, de Gelderse Vallei en Maarsbergen en op de Noord-Veluwe.)
Raymond Noë.
"Kagh kwam dojinnekik". De taal van Atlantis. Blz. 315.
(Voor de Disney-film "Atlantis, the Lost Empire" bedacht de
taalkundige Marc Okrand een taal. Hij nam het Indo-Europees als
uitgangspunt en construeerde op basis daarvan een taal die daar van
een voorloper had kunnen zijn. Hij zocht naar klanken die in veel
talen voorkomen. Het resultaat klinkt sierlijk en vloeiend. De
grammatica is echter niet van Indo-Europese "oorsprong", met
achtervoegsels en geheel afwijkende woordvolgorde. Speciaal voor de
acteurs maakte Okrand een video "How to speak Atlantean". Ook het
Atlantisch alfabet moest een voorloper lijken van andere
schriftsoorten. De schriftvorm is "boustrofedon": de eerste regel
wordt van links naar rechts geschreven, de tweede van rechts naar
links, enzovoorts.)
Guus Middag.
Centenvanger. Blz. 316-317. Woordenboek van de poëzie.
(De slotzin van "De graafmachine", een gedicht van de
Braziliaanse dichter Ledo Ivo, luidt: "In de slaperige ogen van de
centenvanger op de bus over de boulevard / is deze wereld een
vertoning". Wat is een centenvanger? Geen enkel Nederlands
woordenboek kent dit woord. De vertaling van August Willemsen lijkt
niet juist. In het Portugees staat er "trocador". Dit blijkt een
vaak nogal slaperige functionaris te zijn die achterin de bus in
ruil voor kaartjes munten in ontvangst neemt.)
Redactie Onze Taal.
Tamtam. Taalberichten. Blz. 317.
Twee berichten:
1. Taalgen gelokaliseerd.
In 1998 kwamen Britse onderzoekers een gen op het spoor dat,
als het beschadigd raakt, de spraak verstoort. De ontdekkingen
werden gedaan bij een familie bestaande uit veertig, over drie
generaties verdeelde mensen, van wie de helft kampt met een
hardnekkig spraak-probleem. De oorzaak is een "verschrijving" in
hun DNA. Maar daarmee was nog niet het "taalgen" gelokaliseerd. Dat
gebeurde pas, toen hetzelfde gebrek gevonden werd bij iemand die
niet tot deze familie behoorde.
2. Taal Bin Laden.
De Marokkaans-Nederlandse schrijver Faoud Laroui heeft
uitgelegd hoe het komt dat mensen zich vrijwillig door Bin Laden de
dood in laten jagen: deze spreekt een glashelder klassiek Arabisch,
wat bij moslims veel respect afdwingt.
Noë, Raymond.
Inzicht. Blz. 318-319.
(Korte bespreking van 4 boeken, een aantal websites over
doventaal en 3 aankondigingen:
Nelleke Moser, " De strijd voor rhetorica. Poëtica en
positie van rederijkers in Vlaanderen, Brabant, Zeeland en Holland
tussen 1450 en 1620".
Erica Huls, "Dilemma's in menselijke interactie. Een inleiding
in de strategische mogelijkheden van taalgebruik" (over
beleefdheidstheorie)
Johan de Caluwé en en Ariane van Santen, "Gezocht:
functiebenamingen (m/v). Wegwijzer voor vorming en gebruik van
Nederlandse functiebenamingen"
Hans Bennis, "Tegengestelde krachten in taal" (uitgebreide
versie van zijn inaugurale rede vanwege zijn benoeming tot
bijzonder hoogleraar taalvariatie aan de UvA)
De Landelijke Vereniging van Neerlandici (LVVN) houdt op 24
november 2001 een congres onder de titel "Zorg om het schoolvak
Nederlands".
De Stichting Tekstcorpora en Databestanden in de Humaniora
(STDH) houdt op 16 november 2001 een studiedag over het internet
als corpus voor taalkundig onderzoek.
Op 13 december 2001 vindt in Leiden de twaalfde juniorendag van
de Nederlandse Vereniging voor Toegepaste Taalkunde (ANéLA)
plaats.
En tot slot een vijftal belangrijke websites over gebarentaal:
Dovenschap (www.dovenschap.nl), Vi-taal (www.denhaag.org/~vitaal),
Gebarenbieb (www.gebarencentrum.nl), Effatha (www.effatha.nl) en
Computergebaren (http://users.pandora.be/cyberdeaf).
Jaargang 70, nummer 10, oktober 2001
Charles den Tex.
Vaag Nederlands rukt op. "Een stukje corporate image voor ons als
professionals". Blz. 240-242. Taalmythen.
(Er bestaan opvattingen over taal die zo hardnekkig zijn dat het
is alsof ze niet meer bewezen hoeven te worden. In deze aflevering van
de serie "Taalmythen" gaat het om de stelling "Vaag Nederlands rukt
op". Communicatieadviseur Charles den Tex is het daarmee eens, maar
taalkundige en lexicograaf Riemer Reinsma denkt er heel anders over.
Den Tex: Met de opkomst van de nieuwe zakelijkheid, het
no-nonsensebeleid, begonnen politici zich te bedienen van metaforen die
ontleend zijn aan de markt en het bedrijfsleven. De spoorwegen een
bedrijf noemen, dat zich moet onderwerpen aan de tucht van de markt is
een vaagheid, want er is geen markt: de NS is een monopolistische
uitvoeringsorganisatie van een publieke taak. Een ander teken van
vaagheid is het gebruik van "als": een politicus zegt niet dat het niet
kan, maar "Als minister zeg ik dat dit niet kan". Dit gebruik van "als"
is een manier om alle opties open te houden. Steeds meer mensen weten
niet eens meer dat ze in metaforen praten. Op basis daarvan valt te
verwachten dat de vaagheid alleen maar erger kan worden.)
Riemer Reinsma.
Taalmythen. Een eiland van vaagheid in een oceaan van
duidelijkheid. Vage taal alleen in politiek in opmars. Blz. 242-244.
(Anders dan Charles den Tex denkt (zie het vorige artikel) is vage
taal geen wijdverbreid verschijnsel. Op zijn hoogst zijn alleen
politici de laatste jaren opvallend vager gaan praten. Burgers houden
tegenwoordig de politici goed in de gaten, vandaar dat de laatsten er
behoefte aan kunnen hebben zich niet al te duidelijk uit te drukken.
Ook de machthebbers in het bedrijfsleven spelen niet altijd open kaart
tegenover hun personeel. Er zijn geen aanwijzingen dat gewone burgers
onder elkaar vager zijn gaan praten.)
Taaladviesdienst.
Vraag en antwoord. Blz. 249.
(Drie kwesties staan deze keer centraal: is het "de/het stempel"in
uitdrukkingen als "een belangrijk(e) stempel drukken", waarom is het
"promiscue" met een -e ook in de onverbogen vorm terwijl dat niet geldt
voor bv. "continu" en "cru", en is het aan te raden "hernemen" te
gebruiken in zinnen als "het toneelstuk wordt hernomen"?)
Jaap de Jong.
Retorica als remedie tegen de oppervlakkigheid. Interview met
Quintilianus-vertaler Piet Gerbrandy. Blz. 250-252.
(Over het vertalen van Quintilianus' "Institutio oratoria" heeft
Gerbrandy twaalf jaar gedaan, maar het is dan ook "een geniaal boek van
een geniale vertaler" (Hugo Brandt Corstius) geworden. Voor de Grieken
en de Romeinen was spreekvaardigheid van zeer groot belang, omdat
alleen daarmee invloed uit te oefenen was op de politieke
besluitvorming. Bij de tegenwoordige media komt het meer aan op
uiterlijk voorkomen en is het met de taalbeheersing en het stijlgevoel
erbarmelijk gesteld. Ook het verdwijnen van de "donder- en
bliksempreken" heeft onze toesprakencultuur zeer verschraald. Waarom
dan toch dit boek vertaald? Omdat het historisch erg interessant is:
het staat vol met mooie anekdotes over politieke gebruiken, normen en
waarden, en omgangsvormen. Voor schrijvers en journalisten is het een
goudmijn vol adviezen over de zin van stijlfiguren, zinsbouw en
argumentatie. Wat is Quintilianus' belangrijkste inzicht? Zonder
precisie, toewijding en inspanning bereik je op taalgebied niets. Een
goede opleiding kost twintig jaar. Onzorgvuldig formuleren is een teken
van onzorgvuldig denken. Gerbrandy is uiterst pessimistisch over het
huidige onderwijs: hij spreekt van "vermaledijde basisvorming".)
Ton den Boon.
Verse woorden. De persoonlijke noot. Blz. 253-254.
(Wat er in een woordenboek komt is voor een deel afhankelijk van
de interesse van de redacteur. Een redacteur met grote belangstelling
voor klassieke muziek zal een incourant woord als "bachtrompet"
opnemen, terwijl hij courante woorden uit de popcultuur over het hoofd
ziet. Daarbij moet men wel bedenken dat de woordenschat rond klassieke
muziek in de loop der eeuwen vaste betekenissen heeft gekregen, terwijl
die van de popmuziek nog volop in beweging is. Onlangs genoteerd:
adoptiekoe, calamiteitenverlof, flitsgeheugen, gelbra, muziekmobieltje,
pleisterpil, ruimtezeilen, schepsaus, schroefdak, subsidieval.)
Redactie Onze Taal.
Toch zoekfunctie "volledige tekst" op Van Dale-cd-rom. Blz. 254.
(In de plusversie van de cd-rom van Van Dale leek de fulltext-
zoekfunctie te ontbreken. Toch kun je die met wat moeite wel gebruiken:
druk tegelijk Shft, Ctrl, Alt en F10 in en de optie 'Volledige tekst'
komt toch. Van Dale zegt dat zo gedaan te hebben omdat de optie
Geavanceerd zoeken beter is dan de optie Volledige tekst. Alleen met
Geavanceerd zoeken doorzoek je ook bv. de aanhangsels waarin citaten
staan.)
Jan Renkema, Jan, Emmy Vallen en Hans Hoeken.
Tuinapparatuur of Garden Equipment? Verschillen in betekenisnuance
tussen Nederlandse en Engelse termen. Blz. 257-259.
(Er wordt vaak op gewezen dat Engelse termen een andere
betekenisnuance hebben dan Nederlandse. Verondersteld wordt dat Engelse
termen meer geassocieerd worden met trendgevoeligheid en exclusiviteit
dan hun Nederlandse equivalenten. In een onderzoek aan de KUB werden
aan 120 proefpersonen drie paren winkelnamen (geheel in het
Engels/geheel in het Nederlands) en twee paren personeelsadvertenties
(met veel Engelse termen/geheel in het Nederlands) voorgelegd. Bij de
winkelnamen werd de exclusiviteit gemeten door te vragen naar de prijs
van de producten en de leeftijd van het koperspubliek, en bij de
personeelsadvertenties naar de hoogte van het salaris, de genoten
opleiding, het aantal jaren ervaring en het aantal werknemers. Het
imago van winkels en bedrijven werd gemeten in termen van
deskundigheid, betrouwbaarheid en trendgevoeligheid. De resultaten van
dit onderzoek leveren geen bewijs voor het bestaan van verschillen in
betekenisnuance tussen Engelse termen en hun Nederlandse equivalenten.
Het maakt de proefpersonen dus niet zoveel uit of er nu Engels of
Nederlands wordt gebruikt. Jongeren staan ook niet positiever tegenover
Engelse termen dan ouderen. Dit onderzoek werd mede mogelijk gemaakt
door de instelling van de Leerstoel Taalverzorging van het Genootschap
Onze Taal.)
Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal.
Een standbeeld voor Lambert ten Kate. Een achttiende-eeuwse
taalkundige pionier opnieuw uitgegeven. Blz. 260-262.
(Binnenkort verschijnt er een heruitgave van "Aenleiding tot de
kennisse van het verhevene del der Nederduitsche sprake" van Lambert
ten Kate (1723). In 1710 debuteerde hij als taalkundige met
"Gemeenschap tussen de Gottische spraeke en de Nederduytsche". Anders
dan zijn tijdgenoten ging hij systematisch te werk door te zoeken naar
regelmaat, onder meer aan de hand van een lijst van overeenkomstige
woorden in het Gotisch en het Nederlands. In de jaren 1710-1723 werkte
hij zijn bevindingen verder uit, hetgeen resulteerde in zijn
"Aenleiding". Hij ontdekte regelmatige klinkerwisselingen in de
zogenaamde onregelmatige werkwoorden, waarbij hij verschillende
werkwoordklassen onderscheidde. Pas in de negentiende eeuw zou Jacob
Grimm opnieuw die klinkerwisselingen onder de aandacht brengen en de
term "ablaut" munten. Ook bedacht hij de empirische benadering: regels
vinden in het materiaal in plaats van ze zelf te bedenken. In de
"Aenleiding" komen niet alleen etymologie en werkwoordsystematiek aan
de orde maar ook spreekstijlen: hoogdravend, deftig en gemeenzaam. Hij
pleitte ook voor twee spellingen: een die gebaseerd is op gewoonte en
een op het principe dat één klank moet corresponderen met
één teken. Jammer genoeg vond dit laatste geen ingang.)
Alied Blom.
Vijf keer meer dan. Blz. 262-263.
(In het oktobernummer 2000 van dit tijdschrift keurde de
Taaladviesdienst de zin "Duitsland, met tachtig miljoen inwoners, heeft
vijf keer meer inwoners dan Nederland met zijn zestien miljoen
inwoners" af. Het argument was dat dit zou neerkomen op 16 miljoen plus
5 keer 16 miljoen, dus 96 miljoen. Maar nergens in Van Dale of het WNT
vindt men een aanwijzing dat "keer meer" vermenigvuldiging en optelling
in zich combineert. In een naschrift handhaaft de Taaladviesdienst met
klem van argumenten zijn standpunt. Maar beiden zijn het er over eens
dat "vijf keer zo veel" de voorkeur verdient.)
Susanne van der Kleij en Marc van Oostendorp.
"De Vlaamse vergadercultuur is mannelijker". Taalkundige Marinel
Gerritsen over cultuurverschillen in communicatie. Blz. 264-265.
(Marinel Gerritsen is sinds kort hoogleraar 'interculturele
bedrijfscommunicatie vanuit sociolinguïstisch perspectief' aan de
Katholieke Universiteit van Nijmegen. Eind september hield ze haar
inaugurele rede over verschillen in communicatiecultuur tussen
Nederland en Vlaanderen. Een handig begrip om culturen te vergelijken
is "onzekerheidsvermijding". In sommige culturen probeert men zo veel
mogelijk onzekerheden uit te sluiten, waardoor contracten langer en
gedetailleerder worden, terwijl organisaties hiërarchisch zijn
opgebouwd. Vlaanderen is daar een duidelijk voorbeeld van. In Nederland
is men gemakkelijker: contracten zijn kort en organisaties platter. Met
andere woorden, Nederlanders durven wat meer risico te nemen. Ook kan
men bedrijfsculturen uitzetten op een schaal van "typisch mannelijk"
naar "typisch vrouwelijk". Vrouwelijk is streven naar een goede sfeer
en goede relaties met je baas en collega's. Mannelijk is de nadruk
leggen op prestaties en competitie. De Vlaamse cultuur is wat
mannelijker. Cultuurverschillen zijn te meten door mensen lijstjes
woorden voor te leggen en hun te vragen de woorden die bij hen opkomen
te melden. Bij "werk" komt zowel bij Vlamingen als Nederlanders "geld"
als eerste associatie op, maar als tweede geven de Vlamingen
"vervelend" en de Nederlanders "leuk". In gezamenlijke vergaderingen
zijn de Vlamingen wantrouwig en bang om hun mond open te doen (angst
voor domme opmerkingen), terwijl zij de Nederlanders arrogant vinden.
Deze begrijpen op hun beurt weer niet waarom die Vlamingen niets
zeggen.)
Ewoud Sanders.
Een telegram uit Darmstadt. Nog meer uitdrukkingen met een
woordspeling op een geografische naam. Blz. 266-267.
(Vijf aanvullingen van lezers op uitdrukkingen met woordspelingen
op Nederlandse en Belgische plaatsnamen die Sanders besprak in de
vorige twee nummers van Onze Taal; verder twaalf uitdrukkingen met
woordspelingen op buitenlandse steden, zoals "een telegram uit
Darmstadt" (buikloop), "het is daar in Hongarije" (het is daar armoe
troef - ook in Duitsland wordt Ungarn in verband met honger gebracht),
"Over Kalis thuiskomen" (berooid van een reis terugkomen) of "Hij komt
van Kleef" (hij is gierig).)
Battus.
Opperlandse vingeroefeningen (3). Het gefietste. Blz. 268.
(Bij wijze van voorproefje van de herziene uitgave van zijn
standaardwerk "Opperlandse taal- en letterkunde" mag Battus onze taal
nog even creatief uitbreiden. Aldus: "Ge kent: het gebeente, de
verzameling beenderen. De "ge-te"-constructie verdient een
wedergeboorte, dus: Het gefietste, de verzameling fietsen op een
stationsplein." En: "Op het Amerikaanse continent onderscheidt men vijf
gebergtes. Waarom die dan niet tezamen het "gegebergtete" genoemd?".)
Frank Jansen.
Zoek de verschillen. Blz. 269.
(Met voorbeelden laat hij zien hoe twee gemeenten op eenzelfde
verzoek (toezending van een geboortebewijs in verband met een
voorgenomen huwelijk) zeer verschillend reageren: de een keurig en
vriendelijk, de ander bars en afstandelijk.)
Redactie Onze Taal.
Loos alarm. Blz. 270.
(Nog meer voorbeelden van rare adviezen van de spellingchecker, nu
van Word 2000, zoals "Satan" voor "Sadam" en "hertenkampen" voor
"hertentamen".)
Ingmar Heytze.
Raptus. Wat bedoelt de dichter? Blz. 270.
(Val een dichter niet lastig met vragen zoals: Wat inspireert u?
Dicht u alleen als u inspiratie hebt, of kunt u het altijd? Want ze
weten zich er geen raad mee. Dichten is een van de hoogste vormen van
denken - in feite is het niet-denken. Daarom kan een dichter ook met
geen mogelijkheid zeggen wat hem inspireert. "Inspiratie is een kogel.
Je voelt er niets van totdat hij inslaat, en dan heb je wel iets beters
te doen dan uitleggen waar hij eigenlijk vandaan komt.".)
Reinsma, Riemer.
Geschiedenis op straat. Bus. Blz. 271.
(De naam "Bus" komt vooral in het Zuiden van Nederland voor:
bijvoorbeeld De Bus in Nistelrode. Van oorsprong hoeft het niet altijd
om bebost terrein te gaan: het kan ook slaan op een weiland dat met
riet begroeid is: Busch (Krommenie), Busch en Dam (Uitgeest).)
Redactie Onze Taal.
Tamtam (Taalberichten). Blz. 273.
(Drie berichten:
1. Discussie over "Turk" in Van Dale.
Volgens de Nationale Ombudsman heeft de politie ten onrechte
geweigerd serieus een klacht over discriminatie in de grote Van Dale
te onderzoeken. Volgens de klager horen uitdrukkingen als "aangaan als
een Turk" en "aan de Turken overgeleverd zijn" niet in het woordenboek
thuis. Deskundigen menen echter dat S. voor de rechter geen schijn van
kans maakt. Het woordenboek is geen zeef, maar een reservoir.
2. Website hekelt Van Dale-cd-rom.
De Vlaamse beroepspuzzelaar Dirk Serneels verzamelt op zijn website
"Het Schan Dale Blunderweb" allerlei fouten en gebreken van de Van Dale
op cd-rom. Uitgever Schutz is niet onder de indruk. U vindt de website
op: http://belgacom.net/schandale/ 3. Nicoline van der Sijs krijgt Visser-Neerlandiaprijs.
(Voor de manier waarop zij historische teksten toegankelijk heeft
gemaakt voor een breed publiek en voor de "liefde voor onze taal- en
cultuurhistorie" die uit haar werk naar voren komt.)
Raymond Noé.
InZicht (met informatie over nieuwe boeken, congressen en lezingen
in taalkundig Nederland). Blz. 274-275.
Korte bespreking van 6 boeken, 1 aankondiging en 2 tijdschriften:
"Vroegmiddelnederlands woordenboek"
(handelseditie van het vorig jaar zomer door het Instituut
voor Nederlandse Lexicologie gepresenteerde gelijknamige boek
over het Nederlands van de dertiende eeuw; zie website: http://www.inl.nl/.)
Wim Daniëls, "Van Dale junior spreekwoordenboek"
(gericht op kinderen vanaf een jaar of tien; ca. 2500
spreekwoorden en uitdrukkingen)
Hans van Driel, "Digitaal communiceren"
(over de karakteristieken van oude (papier), nieuwere (tv)
en nieuwste media (internet) en de consequenties daarvan voor de
communicatie. Gaat ook in op de kenmerken en kwaliteit van
websites)
Jean-Bernard Bamps en Joachim Lennert, "De taal van de menukaart.
Frans"
Peter Schelling, "De taal van de menukaart. Italiaans"
Jaap de Berg, "Trouw schrijfboek"
(vernieuwde en uitgebreide editie: 130 pagina's meer; is ook
in z'n geheel op internet te vinden, en wel op http://www.schrijfboek.nl/)
Op 1 november 2001 houdt de Europese Beweging Nederland (EBN) een
openbaar debat onder de titel "Meertaligheid in een Europese Unie van
27 landen", met als centraal thema de (on)werkbaarheid van de
taalkundige pluriformiteit
Tijdschrift.
"L1 - Educational Studies in Language and Literature" is een
nieuw internationaal tijdschrift over het zogenaamde L1-onderwijs
(moedertaal- of standaardtaalonderwijs).
"Met andere woorden" is een kwartaalblad dat uitgegeven wordt door
het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG). Het informeert over allerlei
aspecten van het bijbelvertalen. Hoofdred.: L. van Kampen.
Jaargang 70, nummer 9, september 2001
Frank Jansen
"Taal is vooral ook leuk". Een blik op de Nederlandse
taalcolumns. Blz. 204-206.
(In dit artikel worden de taalcolumnisten Huib Boogert (De
Telegraaf), Wim Daniëls (Eindhovens Dagblad en Brabants
Dagblad), Liesbeth Koenen (NRC Handelsblad), Jan Kuitenbrouwer (de
Volkskrant) en Ewoud Sanders (Nederlandse Staatscourant) met
elkaar vergeleken. Opmerkelijk is de kloof die er blijkt te
bestaan tussen deze taalcolumnisten en algemene columnisten als
Ronald Plasterk, Max Pam, S. Montag, Frits Abrahams, Jan Blokker,
Jan Mulder, Koos van Zomeren en anderen die ook vaak over taal
schrijven. Zou een rondetafelgesprek verhelderend kunnen werken?
Onderwerp: taal en communicatie.)
Redactie Onze Taal.
Loos alarm. Blz. 210.
(Wederom voorbeelden van lachwekkende alternatieven die de
Word-spellingchecker geeft voor woorden en namen die hij niet
kent. Voor 'Willem Elsschot' suggereert hij 'Willem Nekschot' als
alternatief. Wie in Velp woont kan zijn woonplaats beter 'Help'
noemen, aldus deze checker.)
Taaladviesdienst.
Vraag en antwoord. Blz. 211.
(Is "controleren" ok correct in de betekenis "beheersen" of is
het dan een anglicisme? Wat is het verschil tussen "over" en "na"
bij tijdsaanduidingen? En wat doet iemand die het huwelijk "door
de bijslaap voltrekt" (aldus Van Dale in 1950): "consumeert" hij
of "consummeert" hij?)
Marc van Oostendorp.
Zingen in gebarentaal. Doventolken op het concertpodium. Blz.
212-213.
(De Amerikaanse actrice Mindy Brown vertaalt al sinds eind
jaren tachtig muziek in gebarentaal. Tijdens haar theateropleiding
volgde ze uit louter nieuwsgierigheid ook een cursus Amerikaanse
Gebarentaal. Ze trad geregeld op met het LA Philharmonic Orchestra
en sprak dan van te voren met de dirigent over zijn visie op de te
spelen stukken, welke beelden en wat voor een verhaal hij daarbij
had. Brown en de bekende Nederlandse doventolk Gerdinand Wagenaar
treden op met het theater-programma "Zipper". Op het congres van
Onze Taal op 3 november zal een deel van "Zipper" te zien zijn.)
Taaladviesdienst.
Andere woorden voor "royalty watcher". Ander woord voor ...
"loungen". Blz. 214-215.
(142 Lezers stuurden 199 verschillende alternatieven in, van
"oranjegluurder" en "kroonkijker" tot "vorstenvolger". "Volger"
wordt beschouwd als de beste vertaling van "watcher", vandaar dat
de keus is gevallen op "koningshuisvolger".
Een ander woord wordt nu gevraagd voor "loungen", een vorm van
uitgaan - voor zowel jongeren als ouderen - die het beste kan
worden omschreven als "het zalig nietsdoen in gezelschap", met de
nadruk op sfeer, comfort en onthaasten.)
Ingmar Heytze.
Rapture. Blz. 215. Raptus.
(Rond 1997 ontstond er een serieus literair debat over de
vraag of rap en poëzie geen verwante kunstvormen waren,
sterker nog: of rap eigenlijk niet een nieuwe poëzie was.
"Rappers hebben de poëzie door mond-op-mondbeademing op het
nippertje gered. De poëzie zal van binnenuit worden
geëlektrificeerd en nooit meer dezelfde zijn", aldus Gerrit
Komrij. Een juiste voorspelling of niet, het succes van de
nederhop geeft de dichter in ieder geval stof tot nadenken. En als
het gaat om plezier en vrijheid in de omgang met taal, geven
rappers dichters makkelijk het nakijken.)
Jan Erik Grezel.
"Compleet is een woordenboek nooit". Interview met dr. F. de
Tollenaere, de archeoloog van het Nederlands. Blz. 216-218.
(Félicien de Tollenaere (89) studeerde Germaanse
filologie in Gent. Hij kwam na een korte periode als leraar
terecht bij het Woordenboek der Nederlandsche Taal in Leiden
terecht, waar hij veertig jaar werkte. Hij nam het initiatief tot
oprichting van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) in
Leiden en legde het fundament voor de Nederlandse
computerlexicologie met zijn boek "Nieuwe wegen in de
lexicologie". Hij werd bekend door zijn bewerking van het het
populaire "Etymologisch woordenboek" van Jan de Vries.
De Tollenaere vertelt over zijn werk aan het WNT ("ik deed een
jaar over het voorvoegsel "ver-", en ook aan "van" heb ik een jaar
gewerkt"). Woordenboekenmakers en etymologen nemen veel over van
hun voorgangers, ook hun fouten. Maar hij is altijd erg kritisch
geweest en heeft zodoende veel fouten kunnen herstellen. Overnemen
mag, maar wel met bronvermelding.)
Redactie Onze taal.
Tamtam (Taalberichten). Blz. 219.
(Drie berichten:
1. Spraakverwarring oorzaak dodelijk vliegtuigongeluk (in '00
kwam een Britse piloot bij een ongeluk op de luchthaven Charles de
Gaulle om het leven en raakte zijn collega zwaar gewond, doordat
de verkeersleider Frans sprak, terwijl de piloten die taal niet
machtig waren);
2. Weinig Nederlands in allochtone gezinnen (in bijna de helft
van de gezinnen van Turkse of Marokkaanse afkomst in Den Haag
wordt weinig of geen Nederlands gesproken. Toch blijkt ook dat
allochtonen het belang van de Nederlandse taal onderkennen)
3. Dordtse politie leert Papiamento (Om beter met de
Antilliaanse jongeren te kunnen communiceren hebben Dordtse
politieagenten basaal Papiamento geleerd. Het blijkt te helpen).
Nicoline van der Sijs.
Verre familie. Blz. 220-221. Etymologica.
(Het Nederlands heeft naaste en verre familie. Onze naaste
familie zijn de andere Germaanse talen, waaronder het uitgestorven
Gotisch. Onze verre familie omvat veel meer talen. Daarin kunnen
we woorden kunnen vinden die de Indo-Europese talen
gemeenschappelijk hebben, de zg. erfwoorden. De oudste geschreven
Indo-Europese taal is het Hettitisch (spijkerschrift). Hierin zijn
veel oude kenmerken behouden gebleven. Voor de bestudering van de
Indo-Europese talen zijn de gegevens van de Indo-Iraanse tak het
belangrijkst. Hierin zijn zeer veel teksten overgeleverd. Nauw
verwant hieraan zijn het (Oud-)indisch en het Iraans. De oudste
geschreven vorm van het Oudindisch zijn teksten in het Sanskriet.
Van het Sanskriet, Grieks en Latijn bestaan verreweg de meeste
teksten. Dat is de reden waarom bijna ieder Nederlands woord dat
tot het Indo-Europees kan worden herleid, wel een verwant uit een
of meer van deze talen heeft.)
Ewoud Sanders.
Van Aardenburg tot Zwijndrecht (2). Uitdrukkingen met een
woordspeling op een plaatsnaam. Blz. 222-225.
(Het Nederlands telt zeer veel uitdrukkingen waarin een
plaatsnaam voorkomt: "kijken of je het in Keulen hoort donderen",
"zo oud als de weg naar Rome". Ooit kon een plaats zich
onderscheiden, waarna er een gevleugelde uitdrukking kon ontstaan.
Een relatief kleine groep geografische uitdrukkingen stoelt echter
op een talig principe: op woordspeligheid of volksetymologie. Zo
kun je van een dom iemand speels zeggen "Hij komt/is van Domburg".
Sanders heeft een verzameling van 105 geografische uitdrukkingen
aangelegd die stoelen op dit talige principe. Dit is deel twee;
deel 1 verscheen in Onze Taal, nr 7/8.)
Guus Middag.
Diensthuis. Blz. 226-227. Woordenboek van de poëzie.
(Met "ijzeren diensthuis" in zijn gedicht "Liefst niet" doelt
Anton Korteweg op het met aluminiumplaten afgewerkte gebouw waarin
het Nederlands Letterkundig Museum is gehuisvest waarvan hij
directeur is. Het gedicht staat in de bundel "Voor de goede orde"
(1988). "Werkhuis" zou in dit verband beter hebben gepast, ware
het niet dat hij ook wil verwijzen naar Exodus 20:2: "Ik ben de
Heere uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid
heb". Noteren wij daarom in het woordenboek van de poëzie:
"'diensthuis' (bijbels): slavernij; ook wel, ten onrechte,
gebruikt voor de vrijwillige slavernij van een leuke
directeursbaan, acht uur per dag, bij een landelijke
museuminstelling op het gebied van de Nederlandse letterkunde en
dierzelver documentatie, of voor het pand, aan alle eisen van de
Arbowet voldoend, waarin deze functie wordt uitgeoefend (Prins
Willem-Alexanderhof 5, 2595 BE Den Haag).")
Battus
Het lam is lam. Opperlandse vingeroefeningen (2). Blz. 227.
(Een voorproefje uit de herziene uitgave van zijn "Opperlandse
taal- en letterkunde": honderd voorbeelden van zelfstandige
naamwoorden die tevens bijvoeglijk naamwoord zijn, zoals "het lam
is lam, het wild is wild". Deze opsomming is nog niet volledig. "U
kunt er vast tien bij verzinnen.")
Hans Heestermans.
Hoe braaf is braaf? Over veranderende woordbetekenissen. Blz.
230-231.
(Er was een tijd dat "stout" "fier","zelfbewust" betekende.
Hoe kunnen woordbetekenissen veranderen van positief naar negatief
en andersom?. Deze vraag behandelde Heestermans in zijn lezing
tijdens de jaarvergadering van het Genootschap Onze Taal op 7 juni
2001. Ook bij het tegengestelde van "stout", namelijk "braaf" zien
we een ontwikkeling van het positieve naar het minder positieve.
Ook het omgekeerde komt voor: bv. het woord "wreed", dat in de
jeugdtaal van nu "leuk" betekent.)
Marc van Oostendorp.
Het bedrijfsleven en het Fries. Blz. 232. Het proefschrift van
... Ab van Langevelde.
(Voor zijn proefschrift "Bilingualism and Regional Economic
Development" (RUG) interviewde de econoom Van Langevelde 24
managers van Friese bedrijven, die in meerderheid van mening waren
dat het Fries goed was voor de klantenbinding en de sfeer op de
werkvloer gunstig beïnvloedde. Uit de interviews bleek
echter ook dat de ondernemers zich nogal boos maakten over de
invoering van Friestalige gemeentenamen, want dat was verwarrend
en duur. Overigens neemt het aantal Friestaligen in Friesland nog
steeds af.)
P.H.M. Smulders.
Kort verslag jaarvergadering Genootschap Onze Taal. Blz.
228-229.
( Steeds meer belangstelling voor de Taaladviesdienst en voor
de website, een licht dalend ledenaantal, informatie over de pas
gestarte Tilburgse leerstoel Taalverzorging van Jan Renkema en de
benoeming van Ludo Permentier als nieuw bestuurslid: dat zijn
enkele hoofdpunten uit het verslag over de jaarvergadering van het
Genootschap Onze Taal.)
Raymond Noë.
Inzicht. Blz. 233-234.
(Deze rubriek licht u in over nieuwe boeken, con gressen,
lezingen e.d. in taalkundig Nederland. Deze keer: korte
besprekingen van acht boeken, een tentoonstelling en een website.)
Andrew Baxter, "Effectief corresponderen in het Engels" ;
Luc Herman en Bart Vervaeck, "Vertelduivels. Handboek
verhaalanalyse" (een overzicht van traditionele en recente
inzichten uit de verhaalanalyse);
P.G.J. van Sterkenburg, "Vloeken" (zo'n tweehonderd pagina's
meer dan de eerste druk);
A.M. Duinhoven, "Analyse en synthese in het Nederlands" (de
zinsbouw van het hedendaags Nederlands (en elke andere taal) is
het product van de steeds terugkerende keuze tussen analyse en
synthese, simpel gezegd, tussen "tafel waaraan mensen ontbijten"
en "ontbijttafel");
Merel Houdijk en Joke Scheepers, "Voorbereid op taalstage";
G.F. Diercks en J.C.F. Nuchelmans, "Latijn dat leeft.
Repertorium van Latijnse woorden en uitdrukkingen in het
Nederlands van nu";
L. Koelmans, "Het Nederlands van Michiel de Ruyter.
Morfologie, woordworming, syntaxis";
"Het ABC op reis" (een tentoonstelling die de komende twee
jaar door Nederland zal reizen. Ze gaat in op alfabetisering en
analfabetisme);
Een interessante website is die van Ruud Hendrickx, de
taaladviseur van de VRT. De site lijkt op de stijlboeken die
sommige kranten hebben uitgegeven. Hier vindt u ook Hendrickx'
taalcolumn en de complete tekst van het Taalcharter van de VRT,
waarin deze omroep zijn taalbeleid formuleert. Zie
http://www.taaldatabanken.com/
Jaargang 70, nummer 7-8, juli - augustus 2001
Jan Erik Grezel.
Veeltalig voetbal. Spraakverwarring onder topvoetballers? Blz.
168-172.
(Ajax-trainer Co Adriaanse vindt dat zijn spelers Nederlands
moeten kunnen spreken en verstaan. De spelers worden daarom op
Nederlandse les (volgens de "Delftse methode") gestuurd. Ook bij
Vitesse heeft men een strenge taalpolitiek: Nederlandse les is
verplicht. Wie lessen verzuimt loopt kans niet te worden
opgesteld.)
Jan Erik Grezel.
"Dick, jij geen vrije schop geven". Scheidsrechter Jol over de
omgang met buitenlandse spelers. Blz. 173.
(Als scheidsrechter Dick Jol in het buitenland fluit, bedient
hij zich van Engels en Duits, en zo nodig van lichaamstaal, maar
in Nederland alleen tegen spelers die pas hier zijn. De andere
buitenlanders moeten "zijn Nederlands maar kunnen begrijpen". Als
een speler iets in een vreemde taal tegen hem zegt, begrijpt hij
meestal uit de toon en de lichaamstaal wel wat de ander bedoelt.
Hij juicht het toe dat buitenlandse spelers verplicht worden
Nederlands te leren. In de scheidsrechters-opleiding wordt veel
aandacht besteed aan het communicatieve aspect. Het is
bijvoorbeeld handig te weten dat gebaren niet overal hetzelfde
betekenen.)
Redactie Onze Taal.
Word-leed. Blz. 176.
(In de rubriek "Loos alarm" zijn al heel wat voorbeelden boven
tafel gekomen van missers van de Word-spellingchecker. Zo
verandert Word "IJsland" in "Ijsland", omdat Word onze "IJ" niet
kent. Zijn er nog meer ergernissen te melden? De redactie wil een
lijst met klachten samenstellen en deze overhandigen aan
Microsoft, de maker ervan.)
Taaladviesdienst.
"Zij zijn elkaars gelijke(n)". Blz. 177. Vraag en antwoord.
(Wanneer komt er een slot-n na "gelijke"? Is het "aambeeld" of
"aanbeeld"? Is "verzoeke" een aanvoegende wijs? En moet in de zin
"Personen moeten langer dan tien jaar overleden zijn voordat er
een straat naar hen vernoemd mag worden" niet het woord "geleden"
worden ingevoegd? Deze vier taalkwesties worden in dit nummer van
Onze Taal besproken.)
Ewoud Sanders.
Van Aardenburg tot Zwijndrecht (1). Uitdrukkingen met een
woordspeling op een plaatsnaam. Blz. 178-180.
(Het Nederlands telt zeer veel uitdrukkingen waarin een
plaatsnaam voorkomt: "kijken of je het in Keulen hoort donderen",
"zo oud als de weg naar Rome"). Ooit kon een plaats zich
onderscheiden, waarna er een gevleugelde uitdrukking kon ontstaan.
Een relatief kleine groep geografische uitdrukkingen stoelt echter
op een talig principe: op woordspeligheid of volksetymologie. Zo
kun je van een dom iemand speels zeggen "Hij komt/is van Domburg".
Sanders heeft een verzameling van 105 geografische uitdrukkingen
aangelegd die stoelen op dit talige principe.)
Redactie Onze Taal.
Congres Onze Taal 3 november. Blz. 181.
(Het volgende congres zal worden gehouden in de Rotterdamse
Doelen, en wel op 3 november. Thema: de wisselwerking tussen taal
en beeld. Zes sprekers zullen worden afgewisseld door drie
optredens waarin het thema op bijzondere wijze wordt belicht: een
opvoering uit de nieuwe musical "Kuifje", Jacques Brel en David
Bowie in gebarentaal, en een optreden van Bart Chabot.)
Redactie Onze Taal.
Cd-rom met alle jaargangen Onze Taal. Blz. 181.
(Ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag wil
Genootschap Onze Taal een cd-rom uitbrengen waarop alle jaargangen
van het tijdschrift staan, dus van 1932 tot 2000. Deze uitgave
moet dit najaar ter beschikking komen en zal Euro 35 (NLG 77,-)
kosten. Wie weleens geschreven heeft in Onze Taal en nog geen
brief van Onze Taal heeft ontvangen, kan het beste zelf contact
opnemen met de redactie (tel. +31 (0)70-356.12.20, e-mail
onzetaal@onzetaal.nl. De uitgave is geen commercieel project.)
Riemer Reinsma.
Poldersloten in Pleimuiden. Nederlandse namen op oude
zeekaarten. Blz. 182-184.
(Nederlandse zeevaarders gaven vaak Nederlandse namen aan
markante plaatsen aan de kusten waarlangs zij voeren. Soms zijn
die namen verbasteringen van plaatselijke benamingen, zoals
"Kemenesse" (Les Cheminées, een Franse eilandengroep in het
kanaal), "Kantelberg" (Canterbury) en "Pleimuiden" (Plymouth).
Maar ook gaven de Nederlanders geheel eigen namen, alsof er geen
plaatselijke namen bestonden, zoals "Ter Stolp" aan de Poolse
kust. De cartograaf Lucas Jansz. Waghenaer publiceerde in 1584 en
1585 "Spieghel der Zeevaerdt". In 1942 promoveerde de neerlandicus
B.C. Damsteegt met de "Nieuwe spiegel der zeevaart", waarvan
onlangs een herziene herdruk verscheen, bevattende dertig kaarten,
die een compilatie vormen van de vele kaarten die Damsteegt
aantrof in de zeemansgidsen en zeeatlassen die van 1540 tot in de
achttiende eeuw verschenen zijn.)
Battus.
Opperlandse vingeroefeningen. Blz. 184-185.
(In november verschijnt er een nieuwe, herziene editie van
Battus' "Opperlandse taal- en letterkunde". Tot november zal er in
Onze Taal een maandelijks voorproefje daarvan verschijnen. Dit
keer over anagrammen ("De ogen van de gnoe") en ("X-rijke
woorden") over het zoveel mogelijk vóórkomen van een
letter in een zo kort mogelijk woord: zeven maal de letter "a" in
"baccalaureaatsgraad", vijf maal een "b" in "hobbeldebobbel" ...
drie maal een "z" in "jazzmuziek".)
Nicoline van der Sijs.
Klanken en wetten. Blz. 186-187. Etymologica.
(Toen de verschillende talen zich uit het Indo-Europees
ontwikkelden, traden er klankveranderingen op, met name bij de
medeklinkers. Voor ons is de verandering in het Germaans
interessant, de zogenaamde Germaanse klankverschuiving, beschreven
door Jacob Grimm. Na de Germaanse klankverschuiving traden er ook
binnen het Germaans klankverschuivingen op, waardoor de
verschillen ontstonden tussen de moderne Germaanse talen. Deze
(Oud)hoogduitse klankverschuiving vond waarschijnlijk in de tweede
helft van de vijfde eeuw plaats. Deze was verantwoordelijk voor
een regelmatig verschil tussen de Nederlandse en Duitse
medeklinkers: appel/Apfel, tijd/Zeit, dorp/Dorf, ik/ich,
pond/Pfund. Kennis van deze klankwetten maakt het lezen van
etymologische woordenboeken eenvoudiger en behoedt de amateur voor
het te snel leggen van verbanden tussen woorden uit verschillende
talen.)
Ad Foolen.
"Ik liep weg om meteen terug te komen". Is het
'vooruitblikkende' "om" een taalfout? Blz. 188-189.
(In zinnen als "Zwemmer Van den Hoogenband verliet het
startblok als laatste maar nam na zeventig meter de leiding om
deze niet meer af te staan" kan "om" niet door "teneinde" worden
vervangen. Om die reden keurden taaladviseurs als Charivarius
zulke zinnen af. Tegenwoordig staat men er milder tegenover. Het
valt op dat het vooruitblikkende "om" steeds voorkomt aan het eind
van een beschrijving die twee of meer samenhangende gebeurtenissen
beslaat. Dit prospectieve "om" het markeert de laatste in een
reeks van gebeurtenissen.)
Peter de Langen.
Straattaal. Blz. 189.
(In een multiculturele omgeving bezigen jongeren op straat
woorden uit een immigrantentaal: bv. "djaffen" (= stelen). Soms
worden bestaande woorden van een andere betekenis voorzien: een
pen straffen (stelen), gierige schoenen (mooie schoenen), een
wrede (prachtige) film. Maar dat soort woordgebruik is wel aan
mode onderhevig.)
Jef Braekmans.
Vreemdvormingen. Blz. 189.
(Het Deense woord voor waterstof is "brint", dat aan het begin
van de negentiende eeuw werd gemunt door de Deense wetenschapper
H. Orsted. Het is afgeleid van "braende" (branden). In iedere
andere taal is het vakwoord afgeleid van een woord voor "water'.
Braekmans noemt dit verschijnsel een "exologisme" oftewel
"vreemdvorming".)
Marc van Oostendorp.
Hoe meer dialecten, hoe beter. Deskundigen maken zich sterk
voor de streektaal. Blz. 190-191.
(Tijdens een symposium dat onlangs werd gehouden op het
Meertens Instituut stonden twee meningen tegenover elkaar. Aan de
ene kant, bijvoorbeeld bij de Taalunie, de opvatting dat met het
officieel erkennen van enkele streektalen er nieuwe ongelijkheid
ontstaat. Door sommige streektalen een aparte status toe te kennen
creëeer je immers ongelijkheid: de streektalen met een status
zullen zich ontwikkelen tot nieuwe standaardtalen, waarbij de
andere varianten zullen achterblijven. Aan de andere kant heerst
de opvatting dat het Europese Handvest nu juist bedoeld is om de
taalkundige rijkdom in Europa te bevorderen. De meeste deskundigen
waren het wel eens dat het de moeite waard is de bestaande
taalvarianten te beschermen. Sommige dialecten (het Eilanders bv.,
dat op Schiermonnikoog wordt gesproken) zijn aan het uitsterven.)
Redactie Onze Taal.
Loos alarm. Blz. 191.
(Wie met een ingeschakelde spellingcontrole op z'n pc "Willem"
of "Bill Gates" intypt, krijgt als suggestie "Wielklem" en "Bil
Gajes" aangereikt. Wie meer voorbeelden kent van alternatieven die
de spellingchecker aanbiedt voor goed gespelde woorden die hij
niet kent, kan ze insturen naar Onze Taal. Meer voorbeelden worden
gevraagd. Het gaat om woorden uit de Nederlandse woordenschat en
algemeen bekende eigennamen.)
Guus Middag.
Bereshit. Blz. 192-193. Woordenboek van de poëzie.
(De beginwoorden en de titel van het boek Genesis in de joodse
bijbel luiden, in getranscribeerde vorm, "beresjiet" of
"bereshit". Letterlijke betekenis: "in den beginne" (Hebr.). Rob
Schouten wijdde er in zijn bundel "Infauste dienstprognose" (2000)
een gedicht aan. Het lijkt zo verdacht veel op een bekend
Nederlands woord. Een "uitzendknurft" bij een uitgeverij die de
nieuwe spelling meende te moeten toepassen, maakte er tegen
Schoutens zin "berenshit" van.)
Ingmar Heytze.
Podiumdichters. Blz. 193. Raptus.
(Veel van onze dichters hebben goede banen met dito inkomens
("comfortabel ongelukkig" volgens Anton Korteweg). Geeft niet, als
ze maar geen "podiumdichter" worden, die volgens de heersende
opinie per definitie mindere poëzie zouden schrijven, omdat
ze hun werk aanpassen aan de eisen die een podium stelt. In
Nederland zijn geen dichters die vinden dat hun werk uitsluitend
op het podium thuishoort. Er zijn wel dichters die van nature
toegankelijk schrijven en goed voordragen. Ze kiezen niet, maar
delen: de combinatie van papier en podium maakt hen zo succesvol.)
Redactie Onze Taal.
Tamtam. Taalberichten. Blz. 194.
(Drie berichten: Voortaan ongekuiste taal in Handelingen
Kamer, "Max" en "Anne" populairstkindernamen, Scepsis over
pauselijke vertaaleisen (liturgische teksten moeten zo dicht
mogelijk bij de Latijnse tekst blijven).)
Oostendorp, Marc van.
Schoow. Blz. 196. Het proefschrift van ... Klarien van der
Linde.
(In 1992 schreef A.P.G. Seijkens in Onze Taal over kinderen
die [schoow] i.p.v. [school] zeggen. Klarien van der Linden
onderzocht dit verschijnsel voor haar dissertatie en kwam tot de
conclusie dat een en ander te maken heeft met de zogenaamde
klinkerachtigheid van medeklinkers. Bij een klinker, zoals de "a"
stroomt de lucht onbelemmerd; bij de "p" wordt de mond gesloten.
De meeste klanken liggen wat klinkerachtigheid betreft tussen de
"a" en de "p" in. De overgang van de slot-l in "school" naar een
"w" is volgens Van der Linde een verandering in klinkerachtigheid.
Dat een verandering in klinkerachtigheid haar oorsprong vindt in
de hersens en niet in de mond, bleek uit de verschillen die Van
der Linden vond tussen twee soorten taalstoornissen. Als door een
hersenbloeding het grammatica-aansturend deel van de hersenen
wordt getroffen, neemt men waar dat betrokkenen relatief vaak
[schoow] zeggen. Dit gebeurt niet als het spraakaansturend deel is
aangetast. In haar proefschrift "Sonority Sunstitutions" (RU
Groningen) komt ze tot de conclusie dat klinkerachtigheid meer te
maken heeft met het taalsysteem dan met de fysieke aspecten van de
taal.)
Riemer Reinsma.
De Aa. Blz. 197. Geschiedenis op straat.
(De alom in ons land voorkomende geografische aanduiding "Aa"
als riviernaam komt via "aha" van het Gotische "ahva" (water) en
is verwant met het Latijnse "aqua". In Friesland, Noord-Holland en
Zeeland veranderde ""aa" in "ee". Na enige tijd veranderde "ee" in
"ie" en dat weer in "ij", zoals het "IJ" in Amsterdam.)
Raymond Noë. Inzicht. Blz. 198-199.
(Deze rubriek licht u in over nieuwe boeken, cd-roms,
congressen en lezingen in taalkundig Nederland en België.
Deze keer: korte bespreking van acht boeken, één
mededeling en aandacht voor het tijdschrift Ad Rem.)
"Prisma woordenboek Nederlands" (35-ste druk).
(Er verschenen ook herziene uitgaven van de nieuwe
Prisma-woordenboeken Frans, Duits, Engels, Italiaans en Spaans.)
Eric Tiggeler, "Vraagbaak Nederlands. Van spelling tot stijl:
snel een helder antwoord op praktijkvragen over taal".
Ton den Boom, "Woorden en hun betekenis" .
Michel C. Vrisekoop, "Grammaticale termen. Het gereedschap
voor elke taal".
Rien van den Berg, Koos van Noppen en Gert Marchal
(samenstellers), Het groot citatenboek over God, geloof en kerk.
"WAN2TLK? SMS-WRDBKJE" (lijsten met voor de sms-taal typerende
afkortingen van woorden en woordgroepen).
Jenny van der Toorn-Schutte, "Cultuur en tweedetaalverwerving.
Een taalkundig-anthropologische vergelijking tussen Oost en West"
(Zij betoogt dat de culturele verschillen tussen Nederlanders en
buitenlanders wel eens een belangrijke oorzaak kunnen zijn van de
teleurstellende resultaten van het verplichte onderwijs in de
Nederlandse taal aan buitenlanders.).
Quintilianus, "De opleiding tot redenaar", voor het eerst in
het Nederlands vertaald (door Piet Gerbrandy).
Scryption, het museum voor schriftelijke communicatie in
Tilburg, huisvest van 23 juni t/m 21 oktober "Het LetterLabyrint",
een doe-tentoonstelling gericht op gezinnen met kinderen van 8-12
jaar.
Mededeling: sinds 14 juni is er het eerste elektronische wetenschappelijke
tijdschrift over Nederlandse taal- en letterkunde. Het adres:
www.neerlandistiek.nl.
Tijdschrift: Ad Rem, orgaan van de Vlaamse Vereniging voor
Zakelijke Communicatie (VVZC). Redactie: Eric dams (hoofdred.) en
Johan Papen (eindred.). (Aandachtsgebied: taalbeheersing, met name
interne en externe communicatie.)
Jaargang 70, nummer 6, juni 2001
Ewoud Sanders.
Hoest? Veel suc6! De razendsnelle opkomst van het Sms-lands.
Blz. 132-134.
(Hoewel het samenstellen van een SMS-bericht erg omslachtig is,
heeft dit medium een hoge vlucht genomen. Het is namelijk goedkoper
dan telefoneren. De duur en de aard van een telefoongesprek heb je
niet in de hand, die van een sms wel. Een sms is te kort om je te
vergalopperen en lang genoeg om de essentie over te brengen. Doordat
een bericht maar 160 tekens, inclusief spaties, kan bevatten, is een
compleet stelsel van afkortingen, cijfers en tekens tot ontwikkeling
gekomen. Taalkundigen noemen dit "reductie" (bv. "ff" voor
"effen/even"). René Appel, bijzonder hoogleraar Nederlands
als tweede taal en deskundige op het gebied van straattaal, denkt
dat de invloed van het sms-taaltje op op het taalgebruik van
jongeren niet groot zal zijn. Wel zou het de schrijfvaardigheid
negatief kunnen beïnvloeden.)
Taaladviesdienst.
Andere woorden voor "disclaimer" / Ander woord voor "royalty
watcher". Blz. 138.
(97 Inzenders droegen 168 equivalenten aan voor de term
"disclaimer". Hoewel "vrijwaring" goed gekozen is, gaat toch de
voorkeur uit naar "vrijwaringsclausule". Gevraagd wordt naar
alternatieven voor "royalty watcher".)
Taaladviesdienst.
(Waarom heeft "geüpdatet" wel een trema en "geuit" niet?
Waarom betekent "schrikkelen" (overslaan) niet "toevoegen"? Is "voor
wat betreft" goed Nederlands en hoe komen we eigenlijk aan het
vraagteken? Op deze vijf vragen laat de Taaladviesdienst haar licht
schijnen.)
Jan Erik Grezel.
Er gaat niets boven het Gronings. Interview met Siemon Reker,
bijzonder hoogleraar Gronings. Blz. 140-143.
(Van de zeventigplussers kent nog zo'n 98 procent Gronings, van
de Groningers onder de veertig nauwelijks 50 procent. Men denkt dat
het Gronings een barrière is voor een maatschappelijke
carrière. In die visie moet het dialect afgeleerd worden.
Onzin, want kinderen blijken heel goed twee talen tegelijk te kunnen
leren. Tegenover de gêne van de Groningers over hun dialect
staat de taaltrots van de Limburgers. Die gêne heeft te maken
met de maatschappelijke factor. Een taal heeft het moeilijk als die
negatief stigmatiseert.
Reker, die per 1 maart 2001 benoemd is als bijzonder hoogleraar
Gronings aan de Rijksuniversiteit Groningen, is vooral
geïnteresseerd is de dynamiek van het dialect: hoe verandert
het Gronings? En welke kant gaat het op en hoe snel? Hij is
voornemens samen met de collega's Fries en Nedersaksisch over de
grenzen van het Gronings heen te kijken naar het hele gebied van
Noord- en Oost-Nederland.)
Ingmar Heytze.
Raptus. Blz. 143.
(Sommige dichters vinden het niet voldoende om een gooi naar de
onsterflijkheid te doen: ze willen ook uitleggen hoe je moet gooien.
Voor hen is niets zo belangrijk als definiëren wat goede
poëzie is en wat niet. We zouden ze "duidende dichters" kunnen
noemen. De classicus Ilja Pfeijffer heeft zich als zo'n duidende
dichter ontpopt. Een goed gedicht zou volgens hem de
"inelkaargewikkeldheid" van de dingen moeten aantonen. Dat het
daardoor onbegrijpelijk wordt, lijkt hij eerder nastrevenswaardig
dan belemmerend te vinden. De dichters die hij hekelt zijn niet de
gevestigde veertigplussers, maar juist de aanstormende angry young
men. Hij vermoordt niet zijn vaderen maar zijn broeders. Geen wonder
dat hij hardhandig van repliek gediend is. Het debat is te volgen op
de site http://www.epibreren.com/pages/reacties.html)
Redactie Onze Taal.
Tamtam. Blz.144.
Drie berichten:
Lof voor Nederlands van Maxima.
(In Nederland hadden journalisten grote waardering voor haar
beheersing van het Nederlands. Het viel Jan Stroop op dat zij zich
niet bezondigde aan het Poldernederlands. Zij volgde overigens in
België een cursus Nederlands.)
Werkgroep Nederlands als wetenschapstaal.
(Tien jaar geleden opperde de toenmalige minister van
onderwijs, Jo Ritzen, dat Engels de voertaal zou moeten worden op
de Nederlandse universiteiten. Voor de KNAW was dit reden om een
werkgroep in het leven te roepen die zal onderzoeken of het
Nederlands nog te redden valt als wetenschapstaal.)
Belgische topambtenaren verplicht tweetalig.
(Eind maart besloot de ministerraad dat de hoogste ambtenaren
voortaan Nederlands en Frans moeten beheersen. Voorheen maakte men
in voorkomend geval gebruik van de "taaladjunct" die een hoge
ambtenaar was toegewezen.)
Ewoud Sanders.
Telefoonbotje en weduwnaarspijn. Blz. 145.
(De plek aan je elleboog waar je je als kind zo vaak bezeerde,
kent vele namen: tinteldoos, electriciteitsknobbel, telefoonbeentje,
telefoonbotje, weduwnaarsbotje of jodenbeentje. Het gaat overigens
niet om een botje, maar om de "nervus ulnaris" oftewel de
elleboogzenuw. De typische pijn die je bij het stoten van je
elleboog voelde, wordt "weduwnaarspijn" genoemd. Die pijn is hevig
maar gaat vrij snel over, net zoals de smart die een man voelt
wanneer hij weduwnaar wordt. Ondersteuning voor deze verklaring
wordt gevonden in internationale spreekwoordenboeken. Zo zeggen de
Noren: "Een elleboogstoot en een weduwnaarstraan doen smart zolang
ze duren, maar zijn gauw gedaan".)
Peter Burger.
Ooievaarskuitenvet en andere fopopdrachten. Blz. 145.
(Er zijn legio fopopdrachten (1 april) bekend: haal eens het
plintentrappetje, een pot gestreepte verf, een pond
ooievaarskuitenvet etc. De laatste inventarisatie dateert van 1958.
Zijn er nog meer voorbeelden? Worden ze op 1 april nog gebruikt of
is het een uitstervende vorm van folklore?)
Nicoline van der Sijs.
Het ontstaan van de etymologie. Blz. 146-147.
(Dit is het eerste artikel van een rubriek, Etymologica geheten,
die bedoeld is als een cursus etymologie voor leken. Etymologie als
wetenschap dateert pas van het einde van de achttiende eeuw. Toen
begon men in te zien dat er taalfamilies waren met een
gemeenschappelijke oorsprong. Deze werd Indo-Germaans genoemd,
tegenwoordig Indo-Europees. De talen die tot de Indo-Europese
taalfamile behoren, hebben een groot aantal overeenkomsten in
woordenschat, structuur en klanken. De gemeenschappelijke woorden
worden "erfwoorden" genoemd, alledaagse woorden, zoals namen voor
mensen, lichaamsdelen, familierelaties, weersverschijnselen, etc.
Weliswaar kennen die erfwoorden in de onderscheiden talen
verschillende klanken (Ned. oog, Du. Auge, Eng. eye), maar die
verschillen zijn voor een groot deel regelmatig en onderworpen aan
klankwetten. De moderne etymologie is gebaseerd op taalvergelijking,
waarbij klankwetten als uitgangspunt gelden.)
Frank Jansen.
Sprekende kleding. Heeft de pratende jas de toekomst? Blz.
148-150.
(Het is zeer de vraag of slimme jassen met ingebouwde
communicatie-apparatuur de toekomst hebben. Mannen willen ook wel
eens een andere jas aan, en wat moeten ze dan met al die
electronica? En vrouwen hebben hun spullen sowieso altijd in een
handtasje. Bovendien is het onaannemelijk dat mensen op straat in
hun kraag willen praten. Overigens is het communiceren d.m.v.
kleding zo oud als de wereld. Een toga trekt men aan om gezag uit te
stralen, een hoed zet men op om boven anderen uit te kunnen steken.
Teksten op kleding zijn van recente datum (eerder liet de techniek
belettering niet toe). Het gebruik van het mobieltje zal
waarschijnlijk niet toenemen, maar dat van de sms wel: met name bij
jongeren die graag korte persoonlijke berichten willen doorgeven via
het schermpje op de sms. Het wordt door anderen meestal niet als
storend ervaren.)
Redactie Onze Taal.
Loos alarm. Blz. 150.
(In reactie op de oproep in het meinummer zijn een flink aantal
voorbeelden ingezonden van koddige suggesties die spellingcheckers
geven voor goede Nederlandse woorden en namen die ze evenwel niet
kennen: "waanidee" (Wanadoo), "groepsseks" (Groesbeeks) en Proefdier
(prof. dr.).)
Klaas J. Eigenhuis.
Waar komt "fuut" vandaan? Blz. 151.
(Het is naar alle waarschijnlijkheid geen klanknabootsend woord,
want een volwassen fuut zegt bepaald niet [fuut]. In het woordenboek
van Kiliaan (1599) komt "fuut" niet voor, wel "Aers-voet". De
aarsvoet dankt zijn naam aan "den zeer agterlyken stand der Pooten",
zo schrijft Martinus Houttuyn bijna twee eeuwen later. In diens
tweede boek over vogels (1763) duikt voor het eerst het woord "fuut"
op: "Wy noemen hem Aarsvoet, Foet of Fuut". Klaarblijkelijk liet men
soms het eerste deel van de naam weg en de ontwikkeling van "foet"
naar "fuut" is te vergelijken met die van "hoes" naar "huus".)
Marcel Grauls.
Nog eens: tompoes en Napoleon. Blz. 152-153
(In Europa werden allerlei producten genoemd naar het kleine
mannetje Tom Thumb/Tom Pouce dat in heel Europa optrad (zie het
januarinummer van 2001, waar A.A. de Boer stelde dat de tompoes
genoemd is naar Napoleon). In het voetspoor van het WNT concludeert
Grauls dat het dus zeer goed denkbaar is dat een Amsterdamse
banketbakker een taartje naar deze Tom Pouce noemde. Te meer, omdat
Tom Thumb als een enorme zoetekauw bekend stond.)
P.C. Paardekooper.
Hoe zacht is "saft"? Blz. 153.
(Rembrandt zal i.p.v. "zacht" en "zachtjes" respectievelijk
"saft" en "saggies" gezegd hebben, Wel was al een verschil in
gebruikswaarde: hij zal Saskia om "safte kwasten" gestuurd hebben en
tegen zijn deftige opdrachtgevers gezegd hebben dat zijn
schilderijen met de "zachte kwast" waren gedaan. "Saft" is
verdwenen, maar "saggies" nog niet. In het Zuid-Afrikaans komen
"saft" en "zacht" ("sag") nog naast elkaar voor. Het eerste heeft
vaak een ongunstige betekenis, nl. een aanduiding van dronkenschap.)
Ton den Boon.
Gevleugelde namen. Blz. 154-155.
(Niet alleen woorden zijn betekenisdragers, ook namen kunnen
incidenteel een algemene betekenis ontwikkelen. In teksten waarin
een Nederlandstalige spreker een concrete voorstelling van een
buitenplaats wil oproepen, kiest hij bijna vanzelf voor
"Lutjebroek". "Timboektoe" staat voor een willekeurige exotische
uithoek van de wereld. Ook namen van bekende personen vervullen soms
de functie van betekenisdragende woorden: de Caruso van de
rock'n'roll, een Rambo in krijtstreep. Of titels van boeken: De
jaren ... revisited (naar de roman van Evelyn Waugh, "Brideshead
revisited").)
Marc van Oostendorp.
Niet bang voor meertaligheid. Parlementariër Judith
Belinfante over taalpolitiek). Blz. 156-157.
(Als lid van de Tweede Kamer houdt Judith Belinfante zich o.a.
bezig met de Nederlandse Taalunie. Ze is voorzitter van de
betreffende Interparlementaire Commissie. De angst voor
meertaligheid die naar voren komt in discussies over de
multiculturele samenleving en over de uitbreiding van de Europese
Unie, deelt zij niet. In haar familie, die van Spaans/Portugese
afkomst is, werd tot in de negentiende eeuw Spaans, Portugees,
Nederlands en Hebreeuws gesproken. En dat is niet schadelijk
gebleken.
Toch is zij van mening dat binnen de Europese Unie het
Nederlands moet worden verdedigd. Iedereen moet de Europese wetten
en besluiten in zijn eigen taal kunnen lezen. Iedereen moet tot lid
van het Europese Parlement kunnen worden verkozen en moet daar
kunnen functioneren, ook al spreekt men geen woord over de grens.
Als dat niet op de huidige manier kan, dan moeten andere middelen
worden ingezet, bijvoorbeeld taaltechnologie of vertalingen vanuit
een andere taal. Onder haar voorzitterschap heeft de
Interparlementaire Commissie zich sterk gemaakt voor "sociaal
taalbeleid", dat gericht is op taal als middel om volwaardig in de
maatschappij te kunnen functioneren. Erkenning van streektalen?
Moeten we eens beter naar kijken. "Ik weet niet of erkenning per se
nodig is.".)
Redactie Onze Taal.
Weesmoeder of ...? Blz. 157.
(Er zijn wel woorden voor kinderen die een of beide ouders
hebben verloren, maar voor een ouder van een overleden kind is geen
woord. "Weesmoeder" en "weesvader" zijn al in gebruik (bestuur van
weeshuis). Hetzelfde geldt voor kinderen die een broertje of zusje
verloren hebben. Gevraagd wordt of er gewestelijke of plaatselijke
benamingen zijn.)
Joy Burrough-Boenisch.
Kootjes? Blz. 158.
(In het Engels bestaat geen woord voor vinger- en teenkootje. Er
bestaat wel een medisch woord: "phalanx". Als men dat woord al kent,
dan is het toch meestal alleen in de militaire betekenis. Men
spreekt over "the top of one's finger" of over "two-thirds", als men
twee kootjes bedoelt. De "tip of a finger" is overigen wat in het
Nederlands "vingertop" heet.)
Ab Klaassens.
Lekker kort. Blz. 158.
(In het streven naar beknopte formuleringen worden rare fouten
gemaakt, zoals "overgevoelige mensen voor smog" of "een
vergelijkbaar inkomen met andere sectoren". Ook aanduidingen als
"woordvoerder Wilting van de Amsterdamse politie" of "voorzitter Van
Nieuwenhoven van de Tweede Kamer" zijn onjuist.)
Felix van de Laar.
Ikik. Blz. 158-159.
(Veel Vlamingen zeggen "ikik" als ze "ik" bedoelen. Niet altijd,
alleen als een zin met een ander woord begint: "Hij vroeg wat ikik
ervan vond". De eerste helft van "ikik" is overigens onbeklemtoond.
Het verschijnsel heet "reduplicatie", aldus de redactie in een
nawoord waarin het werk van grammatici als Liliane Haegemann en
Jan-Wouter Zwart genoemd wordt.)
Riemer Reinsma.
Klif. Blz. 159. Geschiedenis op straat.
(Bij de straatnaam "Klif" zou je denken aan een steile rots op
de kust. Dat zou voor It Klif in het Friese Gaasterland en voor 't
Klif in Urk nog wel op kunnen gaan, maar niet voor de Klifstraat in
Kerkrade of de Klifsbergweg in Vlodrop. Volgens het WNT is "klif" of
"klift" een bodemverheffing, een hoogte of een steilte. Het is
verwant met het Engelse "cliff" en met de Nederlandse vorm "klef",
zoals "De Klef" in Beers en Sint Anthonis, en de "Zwarte Klef" in
Venray. Waarschijnlijk hoort Kleef in Duitsland in hetzelfde rijtje
thuis.)
Guus Middag.
Koolpikravenzwart. Blz. 160-161. Woordenboek van de poëzie.
(Een beschouwing over het woord "koolpikrave(n)zwart" dat
voorkomt in de laatste regel van het sonnet "De tombe van Pierre
Kemp" uit de sonnettenbundel "Tomben" van Jan Kuijper. In de eind
2000 verschenen nieuwe vertaling van Hoffmanns "Der Struwwelpeter"
(Piet de Smeerpoets) door diezelfde Jan Kuijper lezen we: "Een
koolpikravenzwarte neger,/ nog zwarter dan een schoorsteenveger,/
die liep onder zijn parasol:/ dan scheen de zon niet op zijn bol."
In het Duits blijkt "Kohlpechraben schwarz" gewoon in het
woordenboek te staan, met als betekenis "tiefschwarz".)
Raymond Noë.
Inzicht. Blz. 162-163. (Korte bespreking van vijf boeken en een
website, voorts nog een aankondiging:)
Guy Janssens (red.), "Welk nieuw profiel voor de studie
Nederlands?" (een bundel lezingen gehouden tijdens een colloquium
dat werd georganiseerd door het Belgische Interuniversitair Centrum
voor Neerlandistiek. Steeds meer afgestudeerden blijken aan de slag
te gaan in communicatieve beroepen in plaats van het onderwijs);
Milo O. Frank, "Effectief communiceren in 30 seconden of
sneller";
Wim Zaal (red.). "Bar & boos. De slechtste gedichten in de
Nederlandse taal" (gecanoniseerden als Vondel, Achterberg en
Bilderdijk blijken ook weleens een slechte dag gehad te hebben);
Nienke Bakker, "Guido Gezelle, opbouw en analyse van zijn
bastaardwoordenboek" (zijn leven lang verzamelde Gezelle woorden en
uitdrukkingen uit het West-Vlaams. Een deel daarvan waren Franse
bastaardwoorden, die hij "schuimwoorden" noemde. Zijn pogingen om
een schuimwoordenboek gepubliceerd te krijgen, mislukten);
B.C. Damsteegt, "Nieuwe spiegel der zeevaart. Beknopte
historische atlas van de Europese kusten met de oude Nederlandse
Namen" (nieuwe versie van zijn dissertatie uit 1942, herzien door de
auteur zelf...!);
Het Meertensinstituut houdt op 12 juni 2001 een symposium over
taalwetenschap en streektaalbeleid onder de titel "Taal of
tongval".
Website:
"De geschiedenis van het Nederlands" is de naam van een
drietalige (Nederlands, Duits en Engels) website van het Institut
für Nederlandistik van de universiteit van Wenen. Het is een
schoolvoorbeeld van hoe een een vrij grote hoeveelheid informatie
overzichtelijk gepresenteerd kan worden:
http://www.ned.univie.ac.at/publicaties/taalgeschiedenis/nl/)
Jaargang 70, nummer 5, mei 2001
Renée van Bezooijen.
Régionale omroepen, ádequate voorzieningen. Verschuift
de klemtoon echt steeds vaker naar voren? Blz. 104-106.
(Er heerst een algemeen gevoelen dat bij de uitspraak van Nederlandse
bijvoeglijke naamwoorden de laatste jaren steeds vaker de klemtoon naar
voren verschuift. Uit een beperkt onderzoek naar dit verschijnsel in
radio-opnames uit de jaren vijftig, zeventig en negentig blijkt dat die
verschuiving wel klopt, maar dat die zich het vaakst voordeed in de
zeventiger jaren. Het is dus niet een recent verschijnsel, zoal velen
menen. Het onderzoeksmateriaal bevat 389 bijvoeglijke naamwoorden die
onmiddellijk worden gevolgd door een zelfstandig naamwoord. Veertig
daarvan behoren tot de categorie 'deelbare' (donkerblauw, grootscheeps,
ongunstig), en daarvan is uit de literatuur bekend dat deze zeer vaak
onderhevig zijn aan klemtoonverschuiving. Bij de ondeelbare ligt het
anders. Hoe meer de spreker zich inspant om zijn toehoorders te
overtuigen, des te vaker zal hij in ondeelbare bijvoeglijke naamwoorden
de klemtoon naar voren halen. Omgekeerd, hoe formeler en neutraler de
gesprekssituatie, des te vaker blijft de klemtoon op zijn eigen plaats.)
Redactie.
Loos alarm. Blz. 109.
(In deze nieuwe rubriek zullen voorbeelden gegeven worden van
onzinnige en/of vermakelijke adviezen van de automatische
spellingcontrole. Wie bijvoorbeeld "mobieltje" intikt, krijgt van de
spellingchecker van Word het advies dit te vervangen door "fobietje". En
in de zin "Neerlandici waren vroeger allesdoeners" suggereert Word het
laatste woord te vervangen door "flesopeners"... Lezers van Onze taal
wordt verzocht voorbeelden aan te dragen.)
Redactie.
Tamtam. Blz. 110.
Drie berichten:
Italiaanse dyslectici beter af dan Engelse.
(Hoewel de biologische oorsprong (hersenstoring) van dyslexie bij
alle nationaliteiten gelijk is, blijkt uit experimenten dat Franse
dyslectici beter lezen dan Engelse en Italiaanse nog beter dan Franse.
Dit komt doordat de Engelse en Franse spelling veel inconsequenter zijn
dan de Italiaanse. Het Engels heeft 1120 manieren om veertig
verschillende klanken weer te geven. Het Italiaans kent slecht 33 letters
en lettercombinaties, die ongeveer evenzoveel klanken vertegenwoordigen.)
Godsnaam in nieuwe bijbelvertaling is "HEER".
Studie Fries aan UvA blijft toch bestaan.
Taaladviesdienst.
Vraag en antwoord. Blz. 111.
(Vier kwesties worden deze keer aangesneden: wanneer wel/niet een
kleine letter aan het begin van een zin, is een vrouw van het Berbervolk
"Berber" of "Berbers", is het "Je moet door dat masker heen kijken" of
"je moet door dat masker heenkijken"? En krijg je iets op je "bord" of
op je "brood"?)
Jan Erik Grezel.
"Nederland heeft geen buitenlandse taalpolitiek". (Interview met
prof. dr. Jan W. de Vries, het gezicht van het Nederlands in de wereld).
Blz. 112-114.
(De Vries' naam zal altijd verbonden blijven met de studie Nederlands
in het buitenland en met de opleiding "Dutch Studies" in Leiden. In 1969
kreeg hij de opdracht de afdeling Nederlands aan de Universitas Indonesia
in Jakarta nieuw leven in te blazen. Na drie jaar werd hij voor de tropen
afgekeurd. Vanaf '72 was hij als taalkundige verbonden aan de Leidse
universiteit. Via lexicale morfologie en sociolinguistiek verschoof zijn
aandacht naar het Nederlands van buitenlanders, en met name naar de
fonetische aspecten ervan: welke klankeigenschappen van het Nederlands
maken onze taal voor buitenlanders moeilijk, niet alleen bij het spreken
maar ook bij het verstaan? Toen hij in 1985 buitengewoon hoogleraar werd,
is hij zich gaan bezighouden met de invloed die het Nederlands op het
Indonesisch heeft gehad en omgekeerd. In dezelfde tijd is de afdeling
Dutch Studies opgericht. Afgestudeerden gaan naar hun land terug en
worden vaak docent of komen terecht in het bedrijfsleven of bij
ambassades. De Vries betreurt het dat Nederland geen buitenlandse
taalpolitiek heeft. Dat Dutch Studies bekendheid kreeg was voornamelijk
zijn eigen inspanning. Hij wordt als hoogleraar voorlopig niet opgevolgd.
Dat is schadelijk voor het gezicht van de afdeling.)
Riemer Reinsma.
Lange Mare. Blz. 115. Geschiedenis op straat.
(Waar in Leiden nu de Lange en Stille Mare zijn, stroomde vroeger een
zijtak van de Oude Rijn, tussen Leiden en het (!) Haarlemmermeer. "Mare"
hangt etymologisch samen met "meer". In Zuid-Limburg heb je ook "maren",
maar die verwijzen naar vroegere ondiepe waterpoelen. In Noord-Groningen
was een "maar" een geul die door het binnenstromende zeewater werd
gevormd.)
Jan Don.
Dé afwas gaat in hét sop. Het (on)voorspelbare geslacht
van Nederlandse woorden. Blz. 116-118.
(Moedertaalsprekers kennen zo'n 60.000 woorden. Daarvan zijn er 40.000
zelfstandige naamwoorden. Is het een kwestie van leren en onthouden dat
we van elk zelfstandig naamwoord weten of het een de- dan wel een het-
woord is? Of is er een systematiek te ontdekken? Dat laatste is min of
meer het geval. De spreker hanteert een beslisprocedure:
Is het zelfstandig naamwoord geleed?
Ja. Het rechterdeel bepaalt het geslacht (het computerspel, de
spelcomputer).
Neen. Ga door naar 2.
Kan het zelfstandig naamwoord ook als werkwoord gebruikt worden?
Neen. Het woordgeslacht moet onthouden worden.
Ja. Ga door naar 3.
Wordt het werkwoord Wordt het werkwoord onregelmatig vervoegd?
Neen. Het woordgeslacht moet onthouden worden. (Lopen, de loop; zien,
het zien.)
Ja. Het zelfstandig naamwoord heeft het lidwoord "de". (Bouwen, de
bouw.)
Van de 40.000 zelfstandige naamwoorden zijn er 35.000 geleed, zodat ten
aanzien van 5.000 met behulp van de beslisboom het woordgeslacht bepaald
moet worden. Overigens zijn er ook nog andere indicatoren, zoals het
achtervoegsel "heid", dat "de" verlangt.)
Ad Welschen.
@: "apenstaartje" of "at"? Blz. 119.
(In het Angelsaksisch handelsverkeer heeft het teken @ al heel lang
de betekenis van "at the cost of", vandaar dat het onderhavige teken ook
vaak mondeling aangeduid wordt met "at" in plaats van het ondertussen wat
oubollig geworden "apenstaartje". Nu het in e-mail-adressen gebruikt
wordt, kan @ ook weer gelezen worden als het gewone Engelse "at" (op, te,
bij). Is er een Nederlands alternatief te bedenken? In een kader zijn
benamingen voor @ in andere talen te vinden.
Bob Kroon e.a.
Taalergernissen. Blz. 120-121.
(Onder het motto "Genootschap, doe er wat aan!" geven 11 lezers lucht
aan hun ergernissen op taalgebied:
zinnen als "Volgens mij is dat een mooie auto". Het lijkt het
erop dat de spreker afstand neemt van zijn eigen bewering;
"eigenaresse" in plaats van "eigenares". We zeggen toch ook niet
"tovenaresse";
in kranten en op de radio wordt steeds meer "om" gebruikt waar dat
fout is, zoals in "Hij is tegenstander om illegalen te detineren".
Charivarius zou zich in zijn graf omdraaien, want hij keurde "Wij
verzoeken u om..." al af;
de r wordt in de Randstad steeds vaker uitgesproken als een j ("hiej
is uw biej");
gelijkhebberige zinnen als "Het kan niet zo zijn dat ...";
overtreffende trappen die op zijn Engels worden gevormd zoals "het
meest ingewikkeld". Ook "het meest goede" is al gesignaleerd;
het betrekkelijk voornaamwoord "die" in plaats van "dat"neemt hand
over hand toe (weervrouw op de TV: "een regenfront die ons land zal
bereiken");
vroeger had je naast "generaliseren" "veralgemenen". Dat laatste werd
"veralgemeniseren". En nu kun je al "algemeniseerbaar" tegenkomen ;
er wordt de laatste tijd door de ondertitelaars wel erg letterlijk
uit het Engels vertaald: "ingezworen worden" (to be sworn in) i.p.v.
"beëdigd";
het gewone Nederlandse woord "duidelijk" blijkt afgedaan te hebben.
Daarvoor in de plaats kwam "helder" en nu is het "transparant";
"Aquaplaning" moet worden uitgesproken als [aakwaapleening] en niet
zoals vaak gebeurt als [aakwaaplenning]. Er wordt immers niets "gepland".
Ook het Vlaamse "watergladheid" is een goed alternatief.)
Ewoud Sanders.
Bommelskont. Blz. 122-123.
(Uit lezersreacties blijkt dat variaties van "Bommelskont" het vaakst
worden genoemd als voorbeelden van fictieve plaatsnamen (Zie Onze Taal
0010). Het WNT neemt dit woord letterlijk, namelijk als de kont van de
bommel (= duivel).)
Ingmar Heytze.
Raptus. Blz. 123.
(Geestvervoering (raptus) door poëzie is een periodieke
aandoening. Er zijn dagen dat je hevig aangedaan kunt raken door een
willekeurig goed gedicht, en op andere dagen in het geheel niet. Met het
schrijven ervan gaat het niet anders. Het zou interessant zijn aan oudere
dichters te vragen hoe lang zij over hun beste werk hebben gedaan.
Waarschijnlijk stonden die in een paar minuten op papier. Een goed
gedicht maakt geen dramatische opkomst, maar staat onopgemerkt in de
coulissen als een ernstig kind, tot het moment dat de dichter het
opmerkt.)
Marc van Oostendorp.
Oogbewegingen en tekstbegrip. Het proefschrift van: Reinier Cozijn.
Blz. 124.
(Een van de middelen waarover de psycholinguïstiek beschikt is
de oogbewegingsregistratietest. Reinier Cozijn gebruikte die test om een
preciezer beeld te krijgen van de manier waarop mensen een oorzakelijk
verband tussen zinnen leggen. Hij doet daarvan verslag in zijn
dissertatie "Integration and Inference in Understanding Causal Sentences"
(KUB). Wie leest springt met zijn oog door de tekst. Hij leest niet
letter voor letter, maar laat zijn oog heel even op een bepaald punt
rusten, bekijkt de letters eromheen en springt dan verder naar een
volgend rustpunt. Gemiddeld maakt een lezer vier of vijf sprongen per
seconde. Bij elke sprong ziet hij ongeveer drie letters links en acht
rechts van het rustpunt. Als de tekst moeilijk is kan de lezer ook even
terugspringen. Het bleek Cozijn dat lezers meer moeite hebben twee zinnen
te lezen die in een causaal verband ten opzichte van elkaar staan zonder
signalering (met behulp van het voegwoord "omdat") dan wanneer die zinnen
wel met "omdat" verbonden zijn.)
Raymond Noë.
Inzicht. Blz. 126-127.
(Deze rubriek licht u in over nieuwe boeken, congressen, lezingen
e.d. in taalkundig Nederland. Deze keer korte besprekingen van zes boeken
en één tijdschrift:)
Susanne Gerritsen, "Een goed gesprek. Over communicatieve
vaardigheden". (In dit boek wordt vanuit recente taalkundige inzichten
beschreven wat er in een gesprek precies gebeurt, wat er zoal fout kan
lopen en wat daaraan te doen is.)
Henk Huizinga, "Retail marketing". (800 termen en hun betekenis uit
de wereld van de detailhandel.)
Andrew Robinson, "Alfabet, hiëroglief en pictogram. De
geschiedenis van het schrift".
J.B. Berns en J. van Marle (red.), "Overzees Nederlands". (Het
Meertens Instituut hield in 1993 een symposium over "Nederlands in den
vreemde". Het boek bevat de tekst van vier lezingen.)
Kees Groeneboer, "Van Radja Toek tot Goesti Dertik. Herman Neubronner
van der Tuuk als veldlinguïst in negentiende-eeuws Indonesië".
(In de reeks Mededelingen van de Koninklijke Academie voor
Wetenschappen.) De "excentrieke taalkundige" Van der Tuuk (1824-1894)
bestudeerde het Bataks (midden-Sumatra) en later het Balinees en maakte
die talen toegankelijk in een spraakkunst en een woordenboek.
Veronique De Tier en Ann Marynissen (red.), "Het dialectenboek 6.
Van de streek. De weerspiegeling van dialecten in familienamen."
Tijdschrift:
(De Vlaams-Nederlandse Stichting Ons Erfdeel geeft sinds 1957 vijf
maal per jaar het tijd-schrift Ons Erfdeel uit. Het richt zich op de
gemeenschappelijke Vlaams-Nederlandse cultuur, met het accent op
hedendaagse onderwerpen, voornamelijk literatuur, maar ook taal, theater,
beeldende kunst, muziek, film en architectuur; hoofdred. Jozef
Deleu.)
Jaargang 70, nummer 4, april 2001
Peter Burger.
De huisstijl van de kwaliteitskranten. De grote stijlboekentest.
Blz. 76-79.
(De stijlboeken van De Volkskrant, Trouw en NRC Handelsblad
besteden relatief veel aandacht aan spellingkwesties en erg weinig
aan stijl. Het boek van de NRC is het degelijkst, dat van de
Volkskrant het bondigst, terwijl het stijlboek van Trouw de beste
prijs-kwaliteitsverhouding heeft. Die van de Volkskrant (op cd-rom)
en Trouw (gratis via internet) zijn ook digitaal verkrijgbaar. De
stijlboeken van het Financieele Dagblad en De Standaard worden
slechts kort genoemd, omdat ze alleen financieel-economisch resp.
Vlaams gericht zijn.)
Taaladviesdienst. Blz. 83.
(Drie taalkwesties: "Georges/George's/George' boek", "Joost mag
het weten" en "voor/over/ het voetlicht halen/komen/brengen.)
Taaladviesdienst. Blz. 131.
Andere woorden voor ... "branddating". Ander woord voor ...
"disclaimer". Blz. 84-85.
(73 Inzenders bedachten 131 alternatieven voor "branddating".
Het vaakst (9x) werd "merkkoppelen/merk(en)koppeling voorgesteld. Op
dit woord, dat duidelijk is en ondubbelzinnig, is de keus gevallen.
Een ander woord wordt gevraagd voor "disclaimer", volgens de Van
Dale van 1999 een "mededeling in een publicatie waarin een
onderneming haar aansprakelijkheid beperkt".)
Marc van Oostendorp.
Onze Taal als dagblad. Blz. 85.
(Op de website van Onze Taal (www.onzetaal.nl) is vanaf nu van
alles te vinden: elke dag taalnieuws, de inhoudsopgaven van Onze
Taal sinds 1997, een register van alle nummers van 1980 t/m 2000,
een doorzoekbare versie van de rubriek "InZicht", koppelingen naar
andere websites over taal, ca. 750 op verschillende manieren
doorzoekbare taaladviezen, een afdeling met elektronische versies
van artikelen en boeken over taal (Dossiers) en een archief van
kortere en langere artikelen over taalgebeurtenissen van de
afgelopen vier jaar (Nieuws).
Ton den Boon.
Nieuwe economie. Blz. 86-87.
(Tot 1998 komt "nieuwe economie' niet vaker dan 20 à 30
keer voor in de kranten die in de Persdatabank zijn opgeslagen. In
1999 raakt het begrip in de mode om het in 2000 tot meer dan 2000
meldingen te brengen. Vooralsnog is het een containerbegrip (geen
scherp afgebakende betekenis; de taalgebruiker kan er zelf nadere
invulling aan geven). Andere onlangs genoteerde woorden: akoestische
schok, Balkansyndroom, eurochipper, FSE, gekkekattenziekte,
groensparen, kanjermonument, man-vrouwfirma, precessie en
stads-opiumkit.)
Dick Smakman.
Poldernederlands of Gooise "r"? De waardering van moderne
uitspraakverschijnselen. Blz. 88-89.
(Aan 191 mensen die meer dan gemiddeld geïnteresseerd zijn
in de Nederlandse taal (lid van de nieuwsgroep nl.taal op internet)
is gevraagd op de schaal "kan echt niet - kan niet echt - het mag
eventueel - het mag - het moet" aan te geven wat zij vinden van een
aantal veranderingen in de uitspraak van het Nederlands. Tussen de
eerste en tweede positie zitten: ui?au, oo?ou, ei?aai, eu?ui en
ee?ei. De eerstgenoemde klankverandering wordt het meest afgewezen.
Tussen de tweede en derde positie bevinden zich: ou/aau, s/z, de
Gooise r en v/f. Van de de zachte (zuidelijke) g vindt men dat die
eventueel wel mag. Concluderend: de uitspraak van de de Gooise r is
omstreden, maar de verstemlozing van de v en de zachte g lijken een
kans te maken op een plaatsje in de standaarduitspraak van het
Nederlands.)
Leendert Plug.
Mag et wa minde weze? Geluidswegval in het Nederlands. Blz.
90-91.
(In informele spraak worden woorden vaak onvolledig
uitgesproken, met name in onbeklemtoonde lettergrepen. Fonetici
hebben met geavanceerde apparatuur ontdekt dat weggevallen geluiden
sporen achterlaten. Bijvoorbeeld dat de s in [kasje] waarmee
"kastje" bedoeld wordt, iets langer is dan die waarmee "kasje"
bedoeld wordt. Uit onderzoek is ook gebleken dat kinderen die
"kikker" en "pindakaas" uitspreken als [titter] en [pindataas],
systematisch een andere t gebruiken voor de k dan voor de t.
Kennelijk zijn spraakorgaan en oor in staat zeer subtiele klanken
voort te brengen respectievelijk te verstaan.)
Marc van Oostendorp.
Een taal is een taal als haar sprekers dat willen. De erkenning
van het Zeeuws. Blz. 92-93.
(Op taalkundige gronden is niet uit te maken of een bepaalde
manier van spreken een taal dan wel een dialect is. Een taal is een
dialect met een geweer en een dialect een taal met pech; een
politieke kwestie dus. Het Fries, dat als eerste als taal gezien
werd, is erkend volgens deel III van het Europees handvest. Het
Nedersaksisch en het Limburgs hebben ook een erkenning verworven,
maar slechts volgens deel II: dus geen subsidies en voorzieningen.
Het merkwaardige is dat voor het Nedersaksisch en het Limburgs
wetenschappelijke attesten zijn gevraagd en afgegeven waarin
taalkundig (?) wordt aangetoond dat dat talen zijn. De toenmalige
staatssecretaris had zich nooit met die attesten mogen verenigen. De
Nederlandse Taalunie was trouwens tegen. Nu staan de Zeeuwen te
trappelen, maar zij zijn zo verstandig niet de "wetenschappelijke"
kaart te spelen maar de politieke. Dat is verstandig.)
Ingmar Heytze.
Raptus. Blz. 93.
('Raptus' is een nieuwe rubriek waarin dichter Ingmar Heytze zal
ingaan op alles wat met poëzie te maken heeft. De centrale
vraag zal daarbij zijn hoe taal kan zorgen voor "geestvervoering" (=
Lat. raptus). Zingen is de voorouder van praten, en poëzie is
de oermoeder van proza. Zoals de mens het dier heeft verdrongen, zo
heeft het proza de poëzie verbannen naar een verre uithoek van
de literatuur. De dichter leeft in de gedoogzone, als een bedelaar,
van subsidies en dankzij een handvol welwillende uitgevers. Zijn
fragiele status is het directe gevolg van de ontoereikendheid van de
taal om er de (binnen)wereld mee uit te drukken, en van de wens van
de dichter om dat desondanks te proberen.)
Riemer Reinsma.
"Alitalia bruid van KLM". Huwelijkskandidaten in metaforen. Blz.
94-95.
(In het bedrijfsleven grijpt men bij berichtgeving over fusies
graag naar de huwelijksmetafoor. Gewoonlijk wordt in dat proces de
begeerde partij - aan wie de keuze is - de bruid genoemd:
"vooralsnog draaien twee bruidegommen om een bruid en kan HBG
kiezen". Het valt op dat bedrijven en politieke partijen niet snel
van zichzelf zeggen dat ze de bruid zijn: daaraan kleeft kennelijk
ook zwakheid.)
Riemer Reinsma.
Kostverloren. Geschiedenis op straat. Blz. 95.
(De naam "Kostverloren" komt in tientallen plaatsen in ons land
voor als straatnaam of als onderdeel daarvan, en verwees
oorspronkelijk naar iets waarvan de kosten als verloren moesten
worden beschouwd. Menno van Coehoorn schreef in 1685 over bepaalde
verdedigingswerken: "Souden wij sodanige werken, (...) geen
kostverlorens derven (= mogen) noemen? Ten zy men om het schoon
gesigt der Muurwerken so veel wilde spanderen".)
Marc van Oostendorp.
Van letter naar klank. Blz. 96. Het proefschrift van ...
( Psychologe Heike Martensen doet in haar proefschrift "How does
a Word Become a /w3:d/? The Role of Sublexical Phonology in Adult
Reading" (KUN) verslag van haar onderzoek maar de leesstrategie van
volwassenen. Zetten ze elke letter om in de bijbehorende klank of
maken ze gebruik van grotere eenheden ? Martensen liet proefpersonen
op een computerscherm woorden zien die zij moesten lezen. Tot op een
duizendste van een seconde nauwkeurig mat ze de tijd tussen het
moment waarop het woord op het scherm verscheen en het moment waarop
de proefpersoon het woord begon te lezen. Taalkundigen verdelen een
lettergreep in twee delen: alles wat vooraf gaat aan de klinker heet
de aanzet ("gr" in "greep"), alles wat erop volgt (eep) het 'rijm'.
Dat rijm kan weer worden verdeeld in een uitsluitend uit klinkers
bestaande kern en de coda, die alleen uit medeklinkers bestaat.
Nederlanders bleken vooral gebruik te maken van de kleinere
eenheden, terrwijl uit eerder gehouden Engels onderzoek blijkt dat
Engelsen juist naar de grotere eenheden kijken. Waarschijnlijk komt
dat doordat er in het Engels een veel grotere discrepantie bestaat
tussen spelling en uitspraak ("though", "though" en "cough" rijmen
niet, ondanks dezelfde groep "ough'). Een "c" kan op twee manieren
worden uitgesproken, afhankelijk van de erop volgende klinker. In
theorie zou het mogelijk zijn dat de Nederlanders van hun strategie
(aanzet- kern-coda) afwijken als ze een "c" tegenkomen. Maar uit
metingen blijkt dat dit niet het geval is. De Nederlandse lezer
blijft de lettergrepen verdelen in aanzet, kern en coda.)
Redactie.
Tamtam Taalberichten. Blz. 97.
(Drie berichten: "'Taalverdediging : extreem-rechtse werkgroep,
"Duitsers willen 'Sprachpolizei'" en "Vlaams Parlement tegen
afkortingen".)
Raymond Noë.
Inzicht. Blz. 98-99. Deze rubriek licht u in over nieuwe boeken,
congressen en lezingen in taalkundig Nederland. Korte bespreking van
7 boeken en een nieuwe rubriek "Website":
H.L. Cox, "Van Dale spreekwoordenboek" (derde editie, weer
dikker dan de vorige doordat er nieuwe talen aan zijn toegevoegd.
Naast Nederlands, Engels, Duits, Frans, Latijn en Spaans nu ook
Fries en Zuid-Afrikaans.)
Jelle de Vries, "Onze Nederlandse spreektaal", oftewel de ONS,
een tegenhanger van de ANS
Ewoud Sanders, "De taal van het jaar. Nieuwe woorden en
uitdrukkingen, editie 2001"
Jacomine Nortier, "Murks en straattaal. Vriendschap en
taalgebruik onder jongeren" (De toename van het aantal buitenlandse
jongeren heeft een grote invloed op het Nederlands van allochtone čn
autochtone jongeren. Zo ontstaat een nieuw soort straattaal, het
"Murks".)
Manita Koop, "Dat is goud. Tuinbouwtaal uit 't Westland"
IVN, "Perspectieven voor de internationale neerlandistiek in de
21ste eeuw. Handelingen veertiende Colloquium Neerlandicum"
Rob Groeneveld, "Vaarwel gulden" (Wat gaat er na de invoering
van de euro gebeuren met al de aanduidingen van geld, zoals "piek",
"heitje", "duppie" enz.?
Website De rubriek "Tijdschrift" zal voortaan worden afgewisseld
met de nieuwe rubriek "Website". Diverse taalsites worden hier kort
besproken:
de frequente vragen bij de nieuwsgroep nl.taal
(http://arachne.jaze.net/~reinpost/nl-taal-faq.html,
mailinggroep Spits (http://groups.yahoo.com/group/spits),
mailinglist Vertalers (http://groups.yahoo.com/group/vertalers),
het beste uit de nieuwsgroep nl.taal
(http://www.xs4all.nl/~onnoz/nl-taal/index.html)
een site met verhaspelde 'spreekmoorden en verzegdes'
(http://home.wxs.nl/~herelder/verzegden.txt).
Jaargang 70, nummer 2-3, februari-maart 2001
Marinel Gerritsen en Frank Jansen.
Teloorgang of survival? De taalkenmerken die het lot van Engelse
leenwoorden bepalen. Blz. 40-42.
(Uit lexicografisch onderzoek blijkt dat de helft tot driekwart
van de Engelse leenwoorden vanzelf verdwijnt. Er zijn vijf "talige"
factoren die het (gebrek aan) succes van Engelse leenwoorden
bepalen:
woordsoort (zelfstandige naamwoorden en werkwoorden hebben
een grotere overlevingskans dan bijvoeglijke naamwoorden);
concreetheid (leenwoorden met een concrete betekenis verdwijnen
minder dan die met een abstracte);
uitspreekbaarheid (Engelse woorden die zich gemakkelijk laten
inpassen in het Nederlandse klankensysteem hebben een grotere
overlevingskans);
lengte (het Engelse woord verdwijnt minder als het Nederlandse
equivalent minstens een lettergreep langer is);
gelijkenis (als naast het leenwoord een Nederlands woord
voorkomt dat er sterk op lijkt, verdwijnt het eerder).
Uit een experiment met 92 mavo- en vbo-scholieren blijkt dat
driekwart kiest voor het Nederlandse alternatief, omdat ze dat
gemakkelijker vinden, begrijpelijker voor de toehoorder en minder
"kakkerig". Leerlingen die de betekenis van een Engels leenwoord
niet kennen, gebruiker dat vaker dan degenen die de betekenis wel
kennen. Zij die de Engelse leenwoorden op zijn Nederlands
uitspreken, gebruiken die vaker dan degenen die dergelijke woorden
op zijn Engels uitspreken. De conclusie is verrassend: leer kinderen
de juiste uitspraak en betekenis van Engelse leenwoorden en ze
zullen die woorden minder gebruiken.)
Ewoud Sanders.
De leugen regeert. Blz. 46.
(De beruchte uitspraak van koningin Beatrix "de leugen regeert"
gaat terug op een Volkskrant-column van Hugo Brandt Corstius
(pseudoniem: Maaike Helder) uit 1996, waarin de zin "Koning Leugen
regeert Nederland". De column had overigens betrekking op minister
Van Mierlo die op aandrang van Beatrix de ambassadeur in Zuid-Afrika
overplaatste. Reden: de man hokte. In 2000 was deze uitdrukking al
ruim driehonderdmaal te vinden in digitale bronnen.)
Taaladviesdienst.
Vraag en antwoord. Blz. 47.
(Vier kwesties staan bij deze aflevering centraal:
Kun je sieraden "aantrekken"?
Waarom krijgt het woord "ruggespraak" geen tussen-n?
Hoeveel streepjes komen er in "oud(-)president(-)directeur"?
Bestaan er regels voor het hoofdlettergebruik bij eenheden?)
Peter Burger.
Blunderende ontdekkingsreizigers. Etymologische broodjes-aap.
Blz. 48-49.
(Hoe komt het Mexicaanse schiereiland Yucatan aan zijn naam? De
Spaanse veroveraars vroegen een plaatselijke bewoner naar de naam.
Deze antwoordde "Tectatan" (ik weet het niet), hetgeen verbasterd
werd tot: Yucatan. Van dit soort verhalen zijn er zoveel in omloop
(over kangoeroes, lama's) dat de gedachte aan evenveel broodjes-aap
zich opdringt. Van sommige voorbeelden is dit inmiddels aangetoond.)
Jan Erik Grezel.
"Taalvaardigheid kun je slechts marginaal beïnvloeden".
Interview met hoogleraar retorica Antoine Braet. Blz. 50-52.
(Pas benoemd tot bijzonder hoogleraar geschiedenis van de
retorica in Amsterdam: Antoine Braet, bij leraren Nederlands onder
andere bekend van zijn havo-schoolboek "Taaldaden" en van zijn
lidmaatschap van de adviescommissie literatuuronderwijs. Braet vindt
dat leerlingen altijd gevraagd moet worden het verband tussen de
alinea's van een tekst aan te geven. Daardoor krijgen ze greep op de
tekst, zodat ze een goede samenvatting kunnen maken. Volgens hem is
er in de tweede fase van het middelbaar onderwijs enerzijds sprake
van niveauverlaging (zelfs een tekst van Kousbroek is al te
moeilijk), anderzijds moeten de leerlingen wel in staat zijn van een
tekst een argumentatie-analyse maken, hetgeen zeker voor
havo-leerlingen "te ver doorgeschoten" is. Uit een door hem gedaan
onderzoekje bleek dat studenten die geleerd hadden betogende
opstellen te schrijven, beter waren in het schrijven van scripties
dan degenen die op school gestimuleerd werden verhalen te schrijven.
Overigens denkt hij dat taalvaardigheid slechts marginaal te
beïnvloeden is, maar je moet wel doen wat je kunt. "Als ik
letterkunde gaf, dan had ik wat te vertellen. maar als docent
taalvaardigheid was ik absoluut niet beter dan iemand van de
straat." Verwacht niet te veel van het nut van
taalvaardigheidsonderwijs." Een lijst van Braets publicaties is op
de webzijde van Onze Taal (www.onzetaal.nl/2001/02/braet.html) te
vinden.)
René Appel.
Zet neer, dat woord! Blz. 53.
(Van Dale geeft voor "neerzetten" "ergens plaatsen", maar gelet op
merkwaardig hedendaagse gebruik is vooral de tweede betekenis
('maken', 'realiseren') van belang: "een toets aanbrengen" (in de
schilderkunst), "op overtuigende wijze spelen', "een mooie tijd
neerzetten" (sport) en "noteren" of "opschrijven". Zo'n gebruik van
modewoorden is geen taalverarming (de oorspronkelijke benamingen
blijven immers bestaan) maar wel een vorm van vervlakking van
taalgebruik.)
Willem van Thiel.
Mannentaal en vrouwtjestaal. Vervrouwelijkende verkleinwoorden.
Blz. 54-55.
(Verkleinwoorden duiden soms gewoon iets kleins aan ("een
fietsje voor mijn dochtertje"), zijn soms ironisch bedoeld ("dat
ambtenaartje") of zijn de enige vorm ("nachtkastje", want een
"nachtkast" bestaat niet). Maar er is meer. Vrouwen gebruiken vaker
verkleinwoorden dan mannen. Vaak gaat het om zaken waarmee ze
emotioneel iets hebben ("gordijntjes") of om kleren ("truitje",
"bloesje", "slipje"). Zaken waar mensen doorgaans weinig mee hebben
zullen niet met een verkleinwoord worden aangeduid
("stofzuigerzakje", "wc-brilletje"). Een man zal nooit voor zichzelf
een pakje of een truitje kopen, en hij gaat evenmin met zijn
autootje naar zijn werk. Als ze verkleinwoorden gebruiken, duiden ze
daar heel vaak vrouwen mee aan ("collegaatje"). Dit art. is een
verkorte weergave van Van Thiels doctoraalscriptie "Verkleinwoord en
gender"; wie een exemplaar daarvan wil hebben kan contact opnemen
met de redactie van Onze Taal.)
Hans Heestermans.
Padoog. Blz. 55. Vergeten woorden.
(Een door de wind, regen of hagel veroorzaakt gezwelletje op het
oog wordt in West-Brabant een "padoog" genoemd. Dit zou berusten op
het volksgeloof dat het vocht dat een pad uitscheidt, schadelijk is
voor het oog.)
J. IJff.
Randvoorwaarden en de wet van behoud van ellende. Blz. 56-57.
(In 1970 bedacht IJff het woord "rand-voorwaarde" . Dit
eigenlijk aan de wiskunde ontleende woord verscheen in de ruimere
betekenis voor het eerst in de grote Van Dale van 1984. In het Duits
bestaat het woord "Randbedingung" in dezelfde betekenis. Ook claimt
hij het auteursrecht van de uitdrukking "de wet van behoud van
ellende".)
T. Hoevers.
Een miljard of een biljoen? Blz. 57.
(Wat in Europa een miljard is, is in Amerika een biljoen. Ons
biljoen is gelijk aan het Amerikaanse triljoen, enzovoorts. Het
Europese getalsysteem is logischer en zou internationaal moeten
worden ingevoerd.)
Wilfried Vandaele.
Weg met dialect op TV. De toegankelijkheid van Nederlandstalige
coproducties. Blz. 58-59.
(Nederlandse en Vlaamse TV-producenten spannen zich maar weinig
in om hun taalgebruik aanvaardbaar en begrijpelijk te houden voor
het buurland. Dat is wellicht de reden waarom producties het in het
land van herkomst goed doen maar in het buurland niet. Ook in
Vlaanderen zelf wordt vaak onvoldoende rekening gehouden met het
feit dat niet iedereen het overheersende - en dus niet ondertitelde
- Antwerps-Brabants verstaat, terwijl omgekeerd het West-Vlaams wel
ondertiteld wordt. Ondertiteling gebeurt ook in Nederland, als de
Vlaamse productie niet in het Standaardnederlands is. Omgekeerd
evenzo. Taal is een communicatiemiddel. Wanneer de doelgroep
(taal)grensoverschrijdend is, is het Standaardnederlands de enig
juiste taal.)
Geert Vanhecke.
Irritante tussentaal. Blz. 60.
(Als Vlamingen geen dialect gebruiken, spreken ze steeds vaker
verkavelings-Vlaams. Dit is geen dialect en ook geen standaardtaal,
maar een tussentaaltje. Het meest schuldig aan de verbreiding
hiervan zijn radio en TV. Wie in Vlaanderen goed Nederlands spreekt,
krijgt ten onrechte nog al eens te horen dat hij of zij zich schaamt
een Vlaming te zijn. Nederlanders en Vlamingen moeten meer
samenwerken; hun beider officiële taal is het Nederlands.)
Luc Saver.
Waalse onwil? Blz. 60-61.
(Bij het trekken van de taalgrens in 1962 is in België voor
een aantal gemeenten een apart taalregime gaan gelden: de zogenaamde
faciliteiten. Dat wil zeggen dat iedereen die in een
faciliteitengemeente woont het recht heeft met officiële
instanties in de eigen taal te communiceren en recht heeft op
onderwijs in de eigen taal. De praktijk is niet altijd in
overeenstemming met de wet. Met name de Walen zijn vaak onwillig
recht te doen aan hun Nederlandstalige gemeentenaren.)
Bestuur Genootschap Onze Taal.
Taalkring kamerleden. Blz. 61.
(Een aantal kamerleden heeft er blijk van gegeven onze taal een
warm hart toe te dragen. Dit kwam onder meer tot uiting in het debat
over de vraag of de positie van het Nederlands grondwettelijk moet
worden geregeld en over de marginalisering van het Nederlands in een
eenwordend Europa. Zij zijn door het bestuur uitgenodigd toe te
treden tot de Onze Taal-kring van taalbehartigers. Elf kamerleden
hebben de uitnodiging aanvaard: Belinfante, Van de Camp, Cornielje,
Dittrich, Van der Hoeven, Kamp, Middelkoop, Van Nieuwenhoven, Te
Veldhuis, Verhagen en Visser-Van Doorn.)
Bronistaw Geremek.
Ook het Pools blijft bestaan. Een zonnige toekomst voor
nationale talen. Blz. 62-63.
(In de Middeleeuwen was het Latijn de taal waarin wetenschappers
uit alle landen met elkaar communiceerden. Tegenwoordig is dat het
Engels, al is dat meestal niet het levende Engels van de 'native
speakers'. Als internationaal communicatiemiddel voldoet het
uitstekend. Dat 'technische' Engels bedreigt de nationale talen
allerminst, maar de nationale overheden hebben wel de plicht de
eigen taal te beschermen en haar burgers in die taal de toegang te
garanderen tot alles wat zij nodig hebben om in het openbare leven
te kunnen functioneren. De toekomstvisie van de auteur, die
oud-minister van buitenlandse zaken van Polen is: Europa integreert,
overal gelden dezelfde douanevoorschriften, de grenzen verdwijnen,
er wordt een uniforme technische taal gebruikt, maar de Europese
Unie zal niet een Europese staat worden: het zal een verbond van
naties blijven die hun eigen talen zullen behouden.)
Europees jaar van de talen
(De Europese Unie en de Raad van Europa hebben 2001 uitgeroepen
tot het "Europees Jaar van de Talen" met als doel een brede
talenkennis onder de Europese burgers te stimuleren. In Nederland is
het project opgedragen aan een Nationaal Comité onder
voorzitterschap van Aad Nuis.)
Gemeenten vallen over straatnamen
(Er wordt veel gebouwd en dus moeten er veel nieuwe straatnamen
verzonnen worden. Straatnamen genoemd naar personen zijn vaak lastig
te spellen (Tsjaikowski? Tsjaikowsky?). Soms sneuvelen voorstellen
omdat de te vernoemen personen onacceptabel zijn of nog niet lang
genoeg overleden.)
Problemen bij beltaxi door dialect
Toen het vervoer van ouderen en gehandicapten in Heerlen en
Kerkrade in handen kwam van een Tilburgs bedrijf, ontstonden er
problemen doordat de telefonistes de dialectsprekende klanten niet
konden verstaan. Het bedrijf heeft nu tijdelijk vier Limburgers
aangenomen. Tijdelijk, want het bedrijf wil mensen in het Nederlands
te woord blijven staan.)
Nicoline van der Sijs.
"Middelgrote stervormige bloemkroon". De herkomst van
wetenschappelijke plantennamen. Blz. 66-67.
(Elke plant heeft een wetenschappelijke naam volgens een systeem
dat in 1753 werd ingevoerd door Linnaeus. Over de herkomst van
wetenschappelijke namen is veel minder geschreven dan over die van
de volksnamen. Het "Verklarend woordenboek van wetenschappelijke
plantennamen" van C.A. Backer uit 1936 geeft voor ongeveer 22.500
namen van Nederlandse en Indonesische bloemplanten en varens de
betekenis, afleiding en uitspraak. Wetenschappelijke namen hebben
vaak dezelfde benoemingsmotieven als de volksnamen, zoals de
groeiplaats, de bloeitijd, bloeiduur, de kleur of de geneeskrachtige
werking.)
Riemer Reinsma.
Nes. Blz. 67. Geschiedenis op straat.
(De bekendste Nes is de straat evenwijdig aan en op korte
afstand van het Rokin in Amsterdam. De naam duidt op moerassig land.
Daaraan herinnert het in die straat gevestigde theater De Brakke
Grond. Of "nes" met "nat" te maken heeft, is onzeker. Het kan ook
een ablaut zijn van "neus": een neusvormig stuk land (Terneuzen). In
Zeeland en Zuid-Holland komt ook de vorm "nis" voor (Scherpenisse,
Spijkenisse).)
Marc van Oostendorp
Zuid-Nederlandse vogelnamen. Blz. 68. Het proefschrift van ...
Jos Swanenberg.
(De 'Turdus viscivorus' heeft in het Standaardnederlands slechts
één naam: grote lijster. In Brabant zijn vele namen in
omloop: Franse lijster, rode lijster, kraker, sjachelaar. Uit deze
overvloed aan dialectnamen valt veel te leren over de manier waarop
mensen naar hun omgeving kijken en de wereld om zich heen in
categorieën indelen. In deze volksnamen zit al dezelfde kennis
die biologen met wetenschappelijk onderzoek hebben aangetoond: dat
al die vogels familie van elkaar zijn. Jos Swaneberg, redacteur van
het Woordenboek van de Brabantse dialecten, schreef er onder de
titel "Lexicale variatie cognitief-semantisch benaderd. Over het
benoemen van vogels in Zuid-Nederlandse dialecten" een proefschrift
over (KUN). De studie van vogelnamen geeft niet alleen een kijkje in
de werking van de menselijke geest, maar ook in die van de
geschiedenis van onze taal.)
Raymond Noë.
Inzicht. Blz. 69-71.
(Deze rubriek licht u in over nieuwe boeken, congressen,
lezingen e.d. in taalkundig Nederland. In deze aflevering korte
signalementen van: 15 boeken, 1 cd-rom, 1 mededeling en 2
tijdschriften:
H. Scholtmeijer, "Woordenboek van de Overijsselse dialecten.
Aflevering 1: Het huis-A"
Maarten 't Hart, "'t Buurts. Het niet meer gesproken dialect van
Aalsmeer in woorden en uitdrukkingen"
J.J. van Spa, "De dialecten van Groot-IJsselmuiden. Klank- en
vormleer"
Henk Tetteroo, "Kreen en gruizig. Over de streektaal van
Delfland"
Anneke de Vries, "Wie kijft die blijft. Vrouwen in
bijbelvertalingen" (verslag van een onderzoek naar de vraag in
hoeverre in het recente verleden de vertalers van een aantal
oudtestamentische teksten daaraan man-vrouw-stereotypen hebben
meegegeven)
L.J.M. van Bogaert, "Nederlands logopedisch lexicon"
Henk Blok en Herman ter Stege, "Nederlandse vogelnamen en hun
betekenis"
Leonard Beuger, "De Vrije VanDalen. Zeer veel verklarend
zakwoordenboek van het antroposofisch jargon. Vraagbaak voor de
onschuldige Vrije School-ouder"
Willem Hendrikx, "Schrijven voor het beeldscherm, internet,
intranet, helpsystemen" (uitgebreide herdruk)
Hans Bennis, "Syntaxis van het Nederlands. 11 hoofdstukken van
de zin" (met oefeningen op cd-rom)
Corriejanne Timmers, "Faxen faxte gefaxt. De juiste spelling van
ruim 1500 oorspronkelijk vreemde werkwoorden" (gewijzigde herdruk)
Henk Kok, "Funerair lexicon. Encyclopedisch woordenboek over de
dood"
"Wie komt daar aan op die olifant?"(Nicoline van der Sijs heeft
in hedendaags Nederlands een heruitgave bezorgd van het eerste
bekende taalgidsje voor Nederlandse reizigers in het buitenland dat
in 1527 in acht talen geschreven werd door Noël van Berlaimont,
alsmede van de aanvulling daarop (met name Maleis) van Frederik de
Houtman uit het begin van de 17e eeuw)
M.A. van den Broek, "Alcoholisch spreekwoordenboek" (ca. 1400
zegswijzen over drank en drinken)
Ton van den Boon, "Taal van het jaar nul. Kroniek van het
Nederlands in 2000"
TaalAssistent (in plaats van de losbladige "Taalbaak", dat ook
op cd-rom verscheen, is er nu een cd-rom, "Taalassistent" geheten,
met daarop de inhoud van "Taalbaak" plus een correspondentiehulp. De
cd-rom wordt aangevuld met een serie praktijkgerichte boekjes, onder
de naam "TaalAnker", die elk een bepaald onderwerp uitspitten)
Op internet (http://home.hccnet.nl/jb.glasbergen) is een lijst
te raadplegen van oude Nederlandse beroepsnamen. Aanvullingen en
opmerkingen zijn zeer welkom.
Volgens Van Dale (nieuw taaladviestijdschrift, dat de opvolger
is van de "Van Dale Taalbrief")
Tijdschrift:
"De Vlaamse Taal", kwartaaltijdschrift, red.: Charles
Vanderhaegen. Het richt zich "tot alle Vlaamse taalgebruikers, van
De Panne tot Maaseik, die door een jarenlange hetze tegen alles wat
Vlaams is, meestal niet eens meer weten dat er een Vlaamse taal
bestaat". Vanderhaegen heeft als doel het ontwikkelen van een
standaardtaal voor Vlaanderen, met een eigen spelling, een eigen
grammatica en syntaxis.
Jaargang 70, nummer 1, januari 2001
Hans van den Heuvel.
Er staan meer taalfouten in de krant dan vroeger. De computer
biedt geen soelaas. Blz. 4-6.
(Vroeger ging een bericht eerst naar de dageindredacteur. Die
haalde de fouten eruit. Dan nam, nadat het bericht gezet was, de
corrector nog de zetfouten weg. De corrector is wegbezuinigd, de
electronische spellingcorrectie deed haar intrede. Deze ontwikkeling
en het jarenlang negeren van het spellingonderwijs hebben ertoe
bijgedragen dat er nu meer fouten in de krant staan dan vroeger.)
Joop van der Horst.
Vroeger was het niet beter. Het aantal fouten in de krant is
juist sterk gedaald. Blz. 6-8.
(Van der Horst meent dat de krant tegenwoordig juist minder
fouten bevat dan vijftig jaar geleden. De opmaak is beter waardoor
de lezer gemakkelijker zijn weg vindt. Een journalist zal het niet
meer in zijn hoofd halen zijn artikel te laten bestaan uit de
letterlijke tekst van bijvoorbeeld een telegram. Vroeger stonden er,
ondanks de corrector, ook spelfouten in de krant, maar die worden er
nu door de nimmer afwezige spellingchecker uitgehaald. Bovendien is
het opleidingspeil van journalisten drastisch gestegen en is er nu
veel meer belangstelling voor verzorgd taalgebruik dan vroeger. Men
wijst vaak op de vele afbreekfouten, maar dat zijn altijd fouten die
een mens nooit zou maken. Juist daardoor vallen ze heel erg op.)
Hans Verbakel.
De invoering van de 36-jarige werkweek. Taalkronkels die net
niet in de krant kwamen. Blz. 9-10.
(Spellingcheckers halen lang niet alle taalfouten uit een tekst.
Een zinsnede als "door weer en wint" laat hij staan, want hij kent
"wint" als een correcte vervoeging van "winnen". Daarentegen merkt
hij vaak goede constructies als fout aan. Gelukkig worden ondanks de
wegbezuinigde corrector dergelijke fouten wel opgemerkt en komen ze
meestal niet in de krant. Een complete lijst van alle door Verbakel
verzamelde gevallen is overigens te vinden op de webzijde van Onze
Taal: http://www.onzetaal.nl/2001/01/verbakel.html)
Taaladviesdienst.
Vraag en antwoord. Blz. 11.
(In het "Oefendictee der Nederlandse taal" (0012) werd
"mobieltje" als juiste spelling genoemd voor "mobiele telefoon" in
de verkleinende vorm. Er werd aan toegevoegd dat met "mobiletje" een
hangend decoratief voorwerp wordt aangeduid. Mag je in deze
betekenis ook "mobieltje" schrijven? Tweede kwestie: bij "mixer"en
"maya" staan in het Groene Boekje niet de gebruikelijke
afbreekpuntjes. En tenslotte het werkwoord "opleuken", dat ouder is
dan men meestal denkt.)
M. Stol.
Landdag. Blz. 14.
(Tot in de jaren vijftig organiseerden allerlei verenigingen nog
landdagen. Waarschijnlijk omdat de NSB ook landdagen organiseerde,
is het begrip in Nederland in ongenade gevallen. In België,
waar er geen NSB was, wordt het woord nog steeds gebruikt.)
C. Kostelijk.
Schouwhengst. Blz. 14.
(In het WNT en andere woordenboeken komt dit woord niet voor.
Paardenfokkers kennen het echter wel.)
Karel F. Treebus.
Nog eens: ontbrekende leestekens. Eerdere pogingen om gaten in
het schrift te vullen. Blz. 15-16.
(In het verleden zijn al herhaaldelijk pogingen gedaan om het
leestekenarsenaal uit te breiden, zoals tekens voor het weergeven
van ironie, verontwaardiging e.d. Technisch zijn vrijwel alle nieuwe
leestekens zonder moeite in het bestaande schrift in te passen, maar
typografische ontwerpers zijn hiermee zeer voorzichtig, omdat ze
vrezen dat die nieuwe tekens niet worden begrepen.)
Taaladviesdienst.
68 Andere woorden voor "fusion cooking". Ander woord voor
"branddating". Blz. 16.
(Er zijn 68 andere woorden voor "fusion cooking" binnen gekomen.
De keus viel op "smeltkroeskoken". Gevraagd: een ander woord voor
"branddating". "Branddating" houdt in dat iemand in een
contactadvertentie zichzelf beschrijft d.m.v. een opsomming van zijn
geliefde merken.)
Redactie.
Apenvertalingen. De gebruiksaanwijzing als zoekplaatje. Blz. 17.
(De onbegrijpelijke gebruiksaanwijzing voor een klok (9810,
rubriek: Ruggespraak) was voor een aantal lezers een uitdaging om op
zoek te gaan naar de oorspronkelijke Engelse tekst en die vervolgens
in correct Nederlands te vertalen. Een van hen verzon voor dit
gepuzzel de term "xenogram". De vertaler vertaalde van een onbekende
taal (Koreaans?) in het Engels en vandaaruit in het Nederlands. Dat
kon niet goed gaan: hij tuimelde in elke taalkundige valkuil die er
maar bestaat.)
Ton den Boon.
Bonnenmonarchie, branddating, overgangsconsulente. Het jaar 2000
in twintig trefwoorden. Blz. 18-21.
(De nieuwgeboren woorden van 2000 geven haarfijn weer wat ons in
dat jaar zoal bezighield. Pas op de langere termijn zal blijken
welke woorden blijvertjes zijn en welke gelegenheidswoorden waren.)
Gaston Dorren.
Chinees. 'Nazaat van de draak' leest liever Frans en chat in het
Engels. Blz. 22-23. Onze talen (slot).
(Pallas Lam kwam op vierjarige leeftijd naar Nederland en
studeerde in 1997 af op een scriptie "De nazaten van de draak en hun
culturele erfgoed in Nederland" getiteld. Als kind nam ze tegen haar
zin deel aan lessen in de Chinese taal en cultuur. Toch zal ze later
haar eigen kinderen ook dergelijke lessen laten volgen. De Chinese
zaterdagschool ging ervan uit dat de leerlingen Kantonees (dialect
van Hongkong) spraken. "Zonder dat onderwijs zou mijn beheersing van
het Kantonees veel minder zijn. Al is lezen en schrijven bij mij wel
ver weggezakt. Ik lees met met meer gemak Engels en zelfs Frans dan
Chinees. En als ik kantonees praat, heb ik de neiging uit luiheid
Nederlandse woorden te gebruiken of woorden te omzeilen." Ze spreekt
ook wel Standaard-chinees, oftewel Mandarijns, maar niet goed. Dat
het Chinese onderwijs in Nederland, dat tot voor kort niet werd
gesubsidieerd, toch meer succes had dan het tweedetaalonderwijs voor
Turken en Marokkanen, komt volgens haar doordat de Chinezen zich
altijd eigenaar van dat onderwijs hebben gevoeld. Veel jonge
Chinezen hier chatten met Chinezen elders in de wereld in het
Engels. In een kader zijn een aantal karakteristieken van het
Chinees beschreven.)
Wim Blokzijl.
"Ik zal het kort houden..." Tijdoverschrijding bij voordrachten.
Blz. 24-26.
(De meeste sprekers overschrijden de hun toegemeten spreektijd.
Toehoorders raken geïrriteerd en als de voorzitter ingrijpt,
komt een behoorlijke afsluiting van de voordracht in de knel. De
voorbereiding voor een goede voordracht gaat in vijf stappen)
G. van Dijk (foto).
Taal in beeld. Doorgaand verkeer. Blz. 26. Taal in beeld
(fotorubriek).
(Hoe twee verkeersborden stof tot overpeinzing kunnen bieden...
het ene meldt dat doorgaand verkeer gestremd is, terwijl het andere
meldt dat de begraafplaats bereikbaar is.)
A.A. de Boer.
Tompoes en Napoleon. De herkomst van een gebaksnaam. Blz. 27.
(Bij de naamgeving van het gebakje dat we kennen als "een
tompoes" is blijkbaar aan keizer Napoleon gedacht, want in het
Amerikaans is het "a nap" of "a napoleon", en in bijvoorbeeld het
Noors heet De Boers favoriete gebakje "napoleonskake". De relatie
met Napoleon blijft onduidelijk. Met de kleine dwerg-artiest Tom
Thumb heeft de naam niets te maken.)
Dick Springorum.
Is "mijn moeder" wel "je schoonmoeder"? Verwijstermen in
partner- en familierelaties. Blz. 28-29.
(Bij de keuze van een verwijsterm kiest de spreker het
perspectief van de aangesprokene. Dat geldt met name wanneer men
tegen een kind spreekt: "Morgen gaan we naar oma" (dus niet "naar
mijn moeder" of "naar mijn schoonmoeder"). Wanneer het echter gaat
om een partner- én een familierelatie, wordt van de regel
afgeweken. Een vrouw zal nooit tegen haar echtgenoot zeggen "Je
schoonmoeder is aan de telefoon", maar "Mijn moeder wil je even
spreken". De vertrouwdheid tussen echtelieden is blijkbaar zo groot
dat er voor perspectiefwisseling geen noodzaak lijkt te bestaan.
Voorwaarde is wel: voldoende vertrouwdheid, en wel tussen de spreker
enerzijds en het stel anderzijds. Zo bekeken denkt de spreker dus
toch vanuit het perspectief van de ander...)
Marc van Oostendorp.
Bezitsrelaties leren. Blz. 30. Het proefschrift van.
(In het Turks en het Arabisch worden bezitsrelaties anders tot
uitdrukking gebracht dan in het Nederlands. Als je weet hoe dat in
het Turks gaat, begrijp je waarom een Turk die Nederlands leert zegt
"die jongen van zijn vader" wanneer hij bedoelt "de vader van die
jongen". Het zou voor leraren goed zijn enige eigenaardigheden van
de moedertaal van een Turkse of Marokkaanse leerling te kennen.
Ineke van de Craats schreef er een dissertatie over: "Conservation
in the Acquisition of Possessive Constructions. A Study of Second
Language Acquisition by Turkish and Maroccan Learners of Dutch". In
deze studie gaat Ineke van de Craats uitgebreid in op de vraag hoe
kinderen van Turkse en Marokkaanse komaf dit onderdeel van de
grammatica van het Nederlands, de uitdrukking van bezitsrelaties,
leerden.)
Riemer Reinsma.
Zuwe. Blz. 31. Geschiedenis op straat.
("Zuwe" is een oude straatnaam die grondig verhaspeld werd. Het
komt van het middeleeuwse "sidewende", dat is een dijk die zich van
de hoofddijk "afwendde" en er dus dwars op stond. De naam is terug
te vinden in namen als : zijdewende, Zijdewinde, Zien, Zittend,
Zuidwende, Zijdwende en zelfs Zuidwending.)
Redactie.
Tamtam. Blz. 32.
(Vier taalberichten: GPV wil meldpunt taalbescherming,
Amerikaanse spelling op Engelse scholen, Streektaal vult de kerken,
Statuten mogen in het Fries, UvA heft studie op.)
Raymond Noë.
Inzicht. Blz. 33-35.
Deze rubriek geeft informatie over nieuwe boeken, congressen en
lezingen in taalkundig Nederland. Deze keer: korte besprekingen van
10 boeken, een scheurkalender en -zoals steeds- speciale aandacht
voor een neerlandistisch tijdschrift.
Harry Stroeken, "Nieuw psychoanalytisch woordenboek"
(uitgebreide tweede druk).
Jac Vroemen, "De kracht van verhalen" (pleidooi voor de
herwaardering van een vertellende manier om met elkaar te
communiceren).
A.H. van den Baar, "Groot woordenboek Nederlands-Russisch"
(uitgebreide herdruk).
Kramers Businesswoordenboek Engels-Nederlands/Nederlands-Engels,
red.: H. Coenders, H.J. Demeersseman en P.S. Vermeer (toegevoegd:
15.000 termen uit marketing, handel, beurs, bank- en geldwezen,
economie, recht en ICT).
Ton den Boon, "Zakenwoordenboek beurstaal".
Henriëtte Houët, "Prisma handboek van de Nederlandse
taal" (gepresenteerd als een "algemeen Nederlandse spraakkunst
voor-het-volk").
Ed Nissink, "Ergens mag ik je wel ... Verborgen boodschappen in
onze communicatie".
Harman A. Hoetink, "Voer voor alfabeten" (wetenswaardigheden
over bepaalde woorden en taaluitingen).
Justus van Oel, "Kunt u breukelen?" (een groot aantal Belgische
en Nederlandse plaatsnamen, voorzien van een fictieve).
Driek van Wissen, "De Dikke Driek" (bloemlezing uit zijn eerdere
bundels ludieke taalbeschouwingen).
Theo Groen, " Schrijf in punt nl" (in vier hoofdstukken wordt
uitgelegd aan welke criteria een beeldschermtekst moet voldoen).
Wouter Schoonman en Jan van den Brink, " We m@ilen!"
(praktijkvoorbeelden van onzin die mensen per e-mail versturen, ook
over e-mailetiquette).
Theo Stielstra, "De Volkskrant internetgids 2.0" (over
e-mail-gebruik en over het zoeken en publiceren op het wereldwijde
web).
J. de Vries en F. de Tollenaere, "Etymologisch woordenboek. Onze
woorden, hun oorsprong en ontwikkeling", 21ste druk).
"300 x Liever Nederlands" (een uitgave van de Stichting
Natuurlijk Nederlands met alternatieven voor Engelse termen).
Aankondiging:
Nederlandse Dialectendag (Bilzen, thema: "Dialect en
familienamen").
Tijdschrift:
"Veldeke": tijdschrift van de Limburgse dialectvereniging
Veldeke (tweemaandelijks, red.: Paul Weelen).