Jack Hoeksema.
Minimaliseerders in het Standaardnederlands. Blz. 105-174.
("In dit artikel wordt een beeld gegeven van de eigenschappen,
distributie en ontwikkelingsgang van Nederlandse negatief-polaire
nominale uitdrukkingen van het type 'geen bal', 'geen snars', 'geen
ene mallemoer'."
J.A.M. Vermaas.
Systematiek in aanspreekvormen. Blz. 175-191.
("Op basis van mijn proefschrift over de Nederlandse
aanspreekvormen (Vermaas 2002) wordt in dit de vraag beantwoord in
hoeverre er sprake is van een systematiek in het gebruik van de
Nederlandse aanspreekvormen." De drie parameters status,
solidariteit en formaliteit blijken een belangrijke rol te spelen
bij de keuze tussen "u" en "je/jij".)
Jaargang 32, nummer 1-2, 2002
Janneke ter Beek.
Expletieven en coverte verplaatsing. Blz. 1-15.
(In dit artikel worden de argumenten voor coverte
verplaatsing in zuivere expletiefzinnen onderzocht.
Beargumenteerd wordt dat het argument van het
specificeitseffect onhoudbaar is, omdat het zich bij een
bredere klasse zinnen voordoet dan Chomsky voorspelt. Ook het
uitgangspunt dat expletieven semantisch leeg zijn wordt
verworpen. Conclusie is dat coverte verplaatsing niet
onomstotelijk kan worden vastgesteld, omdat alle argumenten
ervoor ook een andere verklaring kunnen krijgen.)
Jack Hoeksema.
Hoegenaamd: van 1730 tot 2002: eigenschappen en
ontwikkelingsgang van een bijzondere negatief-populaire
uitdrukking. Blz. 16-39.
(Het bijwoord hoegenaamd is te herleiden tot een
gereduceerde concessieve constructie. De vaste combinatie
lijkt te dateren van het begin van de achttiende eeuw. Er
blijken twee interpretaties in omloop: als versterker en als
approximator, respectievelijk 'helemaal' en 'bijna helemaal'.
Sinds kort kan hoegenaamd ook andere dan negatieve woorden
modificeren. In het Afrikaans wordt hoegenaamd veel vaker
gebruikt, wellicht onder invloed van Engels at all.)
Jan Koster.
Alles is Merge. Blz. 40-50.
(Generatieve grammatica's specificeren met een eindig
aantal middelen een oneindig aantal zinnen en hun structuur.
De belangrijkste operaties hiervoor zijn Merge en Move. Koster
komt stapsgewijze tot de conclusie, dat het mogelijk is Move,
Percolate en QR te herleiden tot effecten van Merge.)
Erik Moonen.
Gemaakt om moeilijk te zijn: over het nut van
onregelmatigheiden in taal. Blz. 51-61.
(In iedere taal bestaan onregelmatigheiden.
Onregelmatigheden dienen geen communicatief doel, en het leren
van de taal maken ze alleen maar moeilijker, maar sociaal
hebben ze wel degelijk een functie: ze maken het mogelijk om
groepsgenoten te onderscheiden van buitenstaanders. Zo
beschouwd is een van de functies van taalvariatie het kunnen
inspelen op de dynamiek van groepen.)
Mark de Vries.
Coordinatie in drie dimensies. Blz. 62-73.
(Voor de syntactische beschrijving van samentrekking zijn
driedimensionale structuren nodig.)
Ron van Zonneveld.
Samenstellingen van afwijkende vorm. Blz. 74-83.
(In de ANS worden woorden als zuipschuit, deugniet,
bemoeial en sta-in-de-weg als samenstellingen met afwijkende
vorm gekenschetst, omdat ze niet, zoals gewone
samenstellingen, rechtshoofdig zijn. Van Zonneveld betoogt dat
het gaat om gewone samenstellende afleidingen met een
fonologisch leeg suffix.)
Jan-Wouter Zwart.
Het type moeten huilen. Blz. 84-103.
(Onwillekeurig moeten, als in 'Ik moest ineens huilen',
lijkt eerder aspectueel (nadruk op het begin van de handeling
huilen) dan modaal - anders dan bij andere gebruiken van het
hulpwerkwoord impliceert 'Ik moest ineens huilen' dat de Ik
ineens huilde.)
Jaargang 31, nummer 3-4, 2001
Petra Hendriks en Jan-Wouter Zwart.
Initiële coördinatie en de identificatie van
woordgroepen. Blz. 105-118.
(Steun voor de stelling van Neijt (1979) dat initiële
coördinatie alleen woordgroepen (ze smelten en de kazen en de
kaarsen) en geen hoofden van woordgroepen (*ze smelten de en kazen
en kaarsen.) kan verbinden: initiële nevenschikkers zijn
eigenlijk focuspartikels, en de knoop waaraan een focuspartikel is
aangehecht moet altijd een woordgroep (XP) zijn.)
Jack Hoeksema.
X maar dan ook echt X! Emfatische reduplicerende
nevenschikking. Blz. 119-140.
("De X-maar-dan-ook-X-constructie is een retorisch middel om
nadruk te leggen op X. De constructie wordt uitsluitend gebruikt
voor waarden van X die zelf een emfatisch karakter dragen, in het
bijzonder universele kwantoren (...) en bepalingen van hoge en
absolute graad (...). Verder is er een duidelijke voorkeur voor
pronominale kwantoren boven determinatoren, en voor lexicale
waarden van X boven woordgroepen (...). Voor een verdere
versterking van de nadruk kan het tweede voorkomen van X worden
voorafgegaan door een uitdrukking van hoge graad".)
Marc van Oostendorp.
Van koren tot koring. Nasaalvelarisering in het Afrikaans, het
Nederlands en enkele andere talen. Blz. 141-152.
("Een nasaal in de coda heeft de neiging te velariseren. We
vinden hiervan reflexen in Nederlandse dialecten en we vinden
reflexen in het Afrikaans.")
Albert Oosterhof.
Tempus en genericiteit. Blz. 153-182.
(Een technisch artikel met veel Reichenbach (1947) en Giorgi
en Piannesi (1997). Het perfectum in het Nederlands en het Duits
blijkt interpretaties toe te laten die niet passen in de theorie
van laatstgenoemden.)
Jack Hoeksema.
Nieuwe boeken. Blz. 183-185.
(Een korte bespreking van W. Daelemans et al.: Computational
Linguistics in the Netherlands 2000. Selected papers from the
eleventh CLIN meeting. Amterdam, Rodopi, 2001. "Al met al biedt
deze bundel een aardig overzicht van wat er in de diverse takken
van de computationele taalkunde verricht wordt in de lage
landen.")
Jaargang 31, nummer 1-2, 2001
Leonoor van der Beek.
Van Beth tot Van Benthem: de opkomst van de Nederlandse
semantiek. Blz. 1-60.
(Een fascinerend overzicht van de geschiedenis van de moderne
taalkundige semantiek in Nederland.)
Wilbert Heeringa.
De selectie en digitalisatie van dialecten en woorden uit de
reeks Nederlandse Dialectatlassen. Blz. 61-103.
(Heeringa doet onderzoek naar de dialectologische afstanden
tussen Nederlandse dialecten. Zijn materiaalverzameling, onder
meer gebaseerd op de Reeks Nederlandse Dialectatlassen en de
Fonologische atlas van de Nederlandse dialecten, is te vinden op
http://www.let.rug.nl/~heeringa/dialectology/rnd. Dit artikel
geeft "een beschrijving van de manier waarop deze nieuwe
elektronische gegevensverzameling tot stand is gekomen." Heeringa
beschrijft "de keuze van dialecten en woorden, de opstelling van
de transcripties van de woordenlijsten voor het standaard
Nederlands en het standaard Duits, en de omzetting van
transcripties naar elektronisch formaat.")
Jaargang 30, nummer 3-4, 2000
Helen de Hoop.
Otje en scrambling in het Nederlands. Blz. 97-112.
("In het Nederlands tref je in zinnen het direct object soms
voor soms achter een adverbium aan. Dit fenomeen heet 'scrambling'."
De Hoop geeft een analyse in termen van de Optimaliteistheorie (OT)
en illustreert de mogelijkheden en onmogelijkheden met voorbeelden
uit Otje van Annie M.G. Schmidt.)
Jack Hoeksema.
Verplichte topicalisatie van kale enkelvouden: de "feit is
dat"-constructie. Blz. 113-142.
(Over zinnen als "Of het nu hierdoor komt of niet, feit is dat
zijn praktijken steeds absurder worden." Deze constructie blijkt de
volgende opvallende eigenschappen te hebben: ze "is beperkt tot
predikatieve nomina, in hoofdzinnen, zonder ontkenning of
helpwoorden, en drukt vaak een tegenstellend verband uit."
Bovendien: "De groep van nomina die meedoen aan deze constructie
heeft zich in de loop van de 20e eeuw sterk uitgebreid", met een
voorkeur voor kranten en tijdschriften. Onbeantwoord blijft de vraag
"in hoeverre de hier besproken constructie een uitzondering vormt
binnen de algemene theorievorming over kale nomina". Een probleem
voor iedere mogelijke analyse is "dat oudere stadia van het
Nedrlands geen 'feit is dat'-constructie kenden hoewel ze in alle
overige relevante opzichten vergelijkbaar met het huidige Nederlands
zijn.")
Ron van Zonneveld en Roelien Bastiaanse.
Frasale recursie: de syntaxis van de gelaagde VP. Blz. 143-62.
(De auteurs adopteren de theorie van Larson, in gewijzigde vorm
overgenomen door Chomsky, dat VP's in lagen (shells) zouden worden
gegenereerd, zo dat het hoofd V zijn projectie VP als complement
neemt. Zij breiden deze theorie uit tot alle zinsdelen, en
demonstreren de voordelen van zo'n radicale gelaagde XP-theorie.)
Jan-Wouter Zwart.
IKKE en de default-naamval: een reactie op Hoeksema. Blz.
175-182.
(Zwart gaat in tegen het voorstel van Hoeksema in het vorige
nummer het persoonlijk voornaamwoord "ikke" te beschouwen als een
`default'-vorm van de nominativus. Volgens Zwart gaat het veeleer om
een nadruksvorm. In Engels is de nadruksvorm "me", een schijnbare
accusatiefvorm. Met Zwarts voorstel kan de klassieke
veronderstelling gehandhaafd blijven dat nominatief (in ergatieve
talen de absolutief) de universele 'default'-naamval is.)
Rubriek: Nieuwe boeken. Blz. 183-188.
<Door: Jack Hoeksema, blz. 183-185:> Frank van Eynde,
Ineke Schuurman, en Ness Schelkens. Computational Linguistics in the
Netherlands 1998. Selected Papers from the Ninth CLIN Meeting.
Amsterdam/Atlanta, Rodopi, 2000.
<Door: Jack Hoeksema, blz. 186-188:> Jo Daan. Geschiedenis
van de dialectgeografie in het Nederlandse taalgebied. Rondom Kloeke
en het Dialectenbureau. Amsterdam, Koninklijke Nederlandse Akademie
van wetenschappen, 2000.
Jaargang 30, nummer 1-2, 2000
Dicky Gilbers en Maartje Schreuder.
Taal en muziek in optimaliteitstheorie. Blz. 1-26.
("In dit artikel willen wij een nieuwe poging wagen om de
stelling te onderbouwen dat elke vorm van temporeel gedrag, zoals
taal en muziek, op dezelfde manier geordend wordt".)
Jack Hoeksema.
IKKE als default-nominatief. Blz. 27-46.
(Een oude observatie van Albert Sassen over "ikke" in het
dialect van Ruinen is aanleiding voor een herbezinning van het
Nederlandse systeem van naamvallen, met een excurs naar het
functioneren van "ikke" in kindertaal.)
Victor Sanchez-Valencia.
Semantische representaties en twee gedichten van Martinus
Nijhoff. Blz. 47-62.
(Onder het motto "De grammatica dient om de dichters beter te
kunnen begrijpen" van Apollonius Dyscolus (110-175) worden
inzichten over tekstrepresentatie van Kamp en Reyle (1993) en
over stereotypische kennis van Putnam (1970) losgelaten op "De
moeder de vrouw" en "Liedje".)
Ton van der Wouden.
Over ZEKER zeker? Zeker! Blz. 63-89.
(Een beschrijving van het huidige gebruik van "zeker" als
partikel, en als zodanig een voorschot op een aangekondigd
lexicografisch product over De Partikels van Het Nederlands", en
daarmee een aanvulling en soms ook een correctie op het WNT en de
andere woordenboeken van het Nederlands.)
Rubriek NIEUWE BOEKEN. Blz. 91-96.:
<Door: Jack Hoeksema, op blz. 91-93:> Mieke Beers, Beppie van
de Bogaerde, Gerard Bol, Jan de Jong en Carola Rooijmans, From
Sound to Sentence: Studies on First Language Acquisition. Centre
for Language and Cognition, University of Groningen, 2000.
<Door: Ton van der Wouden, op blz. 94-95:> Dirk Geeraerts,
Stefan Grondelaers en Dirk Speelman: Convergentie en divergentie
in de Nederlandse woordenschat. Een onderzoek naar kleding- en
voetbaltermen. Amsterdam, Meertens Instituut, 1999.
Hans den Besten, Els Elffers en Jan Luif, red., Samengevoegde
woorden. Voor Wim Klooster bij zijn afscheid als hoogleraar.
Leerstoelgroep Nederlandse Taalkunde, Universiteit van Amsterdam,
2000.
Jaargang 29, nummer 4, 1999
Jack Hoeksema.
Aantekeningen bij OOIT, deel 2: de opkomst van niet-polair
OOIT. Blz. 147-172.
(Zinnen als "Ooit kom ik terug" worden pas sinds de jaren 1960
in de standaardtaal aangetroffen. Dit gebruik van "ooit" is vrijwel
zeker van Brabants-Limburgse origine. Het is niet zo dat "ooit"
zijn negatief-polaire karakter aan het verliezen is, maar eerder
dat het partikel er een gebruiksmogelijkheid bijgekregen heeft.)
Kirsten Romijn.
Ik schrijf van niet, maar ik zeg van wel. Blz. 173-178.
(Een corpusstudie naar drie typisch spreektalige gebruiken van
"van": samen met een aanwijzend element ("dus die hadden ook meel
staan he, van dat voermeel"), in een expletieve functie ("wij zeien
van: de romantiek is dat en dat en dat, he, en in die romantiek
zijn die werken geschreven"), en in een voegwoordelijke functie
("wat we proberen te benadrukken is dat de vraag wat zinnig is veel
meer iets moet zijn van, komt het overeen met 't gevoel").)
Amy Hartevelt en Eric Hoekstra.
De derde constructie. Blz. 179-184.
(Bij V-raising is IPP verplicht ("omdat hij voordeel van de
regeling heeft willen/*gewild trekken"), bij extrapositie is het
uitgesloten ("omdat hij heeft *volhouden/volgehouden onschuldig te
zijn"), in de derde constructie is het optioneel ("omdat hij met
Jan heeft geprobeerd/proberen over zijn functioneren te praten"):
dat zijn tenminste de feiten voor westelijke ABN-sprekers. "Het is
opmerkelijk dat een verschijnsel als IPP bij derde constructie in
de dialecten vrij zeldzaam is, maar in het (niet-noordelijk) ABN
vrij normaal. De onderscheiden constructietypen blijken overal in
Nederland voor te komen (extrapositie, V-raising en derde
constructie) maar de samenhang met morfologische effecten zoals IPP
bleek wel degelijk een geografische spreiding te vertonen.")
Jan-Wouter Zwart.
C-commanderen en de configurationele matrix. Blz. 185-190.
(Een reactie op "De primaire structuur" van Jan Koster in de
vorige aflevering. "Samenvattend: de configurationele matrix
bepaalt eigenschappen van de operatie Merge, maar de operatie Merge
bepaalt de definitie van c-commanderen.")
Jaargang 29, nummer 3, 1999
Jack Hoeksema.
In memoriam Albert Sassen 1921-1999. Blz. 103-106 .
("Na een slopende ziekte is op 21 september 1999 in het
Academisch Ziekenhuis te Groningen overleden prof. dr. Albert
Sassen, van 1970 tot 1986 hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de
Rijksuniversiteit Groningen. Hij was een van de oprichters van
Tabu, en lange tijd de pilaar waarop het blad rustte, degene die
onverdroten met copij kwam als anderen het weer eens lieten
afweten. Het is daarom passend in dit tijdschrift stil te staan bij
leven en werk van Albert Sassen.")
Werner Abraham en Jac Conradi.
Preteritumschwund in Europees verband: het late
Middelhoogduits, sjwa-apocope en de werkelijke oorzaken van de
preteritumschwund. Blz. 107-130.
(Het verschijnsel van de 'Oberdeutscher Praeteritumschwund'
(het verdwijnen van de synthetisch gevormde onvoltooid verleden
tijd) is niet beperkt tot het zuidelijke Duits, maar veeleer een
algemeen Europees verschijnsel van de gesproken taal. Vergelijking
met het Afrikaans laat zien dat het niet gaat om een
midden-Europees Sprachbund-verschijnsel.)
Jan Koster.
De primaire structuur. Blz. 131-140.
("In de generatieve grammatica werd tot voor kort uitgegaan van
basisstructuren ("phrase structure") en van relaties gedefinieerd
op deze stucturen (bijvoorbeeld ketenrelaties ontstaan door "move
alpha"). Eerstgenoemde structuren zal ik hier verder aanduiden als
primaire structuren, de tweede soort relaties zal ik secundaire
structuren noemen. In dit artikel zal ik laten zien dat primaire en
secundaire structuren verschillende realisaties zijn van dezelfde
abstracte principes. Deze principes zie ik als de kern van de
Universele Grammatica.")
Eric Hoekstra.
Uitgang van infinitief na modaal hulpwerkwoord en na TE. Blz.
141-146
(Friese en Zeeuwse informanten hanteren een systeem waarbij
modale hulpwerkwoorden de infinitief op -e selecteren en TE de
inifinitief op -en. Toch zijn de systemen niet hetzelfde: in het
Fries komt de infinitief op -en onder meer ook voor na
perceptiewerkwoorden en na de huplwerkwoorden "gaan" en "blijven".)
Jaargang 29, nummer 2, 1999
Jan-Wouter Zwart.
'Referentie' en de typologie van NPs: de status van PRO. Blz.
49-67.
("PRO is binnen de generatieve grammatica de aanduiding voor
het begrepen subject in bepaalde infinitiefzinnen. [...] PRO
is verplicht leeg omdat het een niet-referentiële NP is, d.w.z.
een zuiver structurele NP die niet zoals andere NP's verwijst
naar iets in de werkelijkheid. We hebben het Lexicon beschreven
als een systeem dat projecties omzet in klankreeksen. Zonder
projectie kan PRO dus nooit verklankt worden.")
Petra Hendriks.
Het taalorgaan en andere linguïstische curiositeiten: De
taalkunde in het nieuwe millennium. Blz. 67-93.
(Over de kloof tussen de taalkunde en de rest van de
cognitiewetenschap. "het zou de doodklap voor de taalkunde
betekenen wanneer cognitiewetenschappers erin zouden slagen
een pratende robot te ontwerpen, terwijl taalkundigen nog
steeds druk bezig zijn zich af te vragen hoe kinderen er in
hemelsnaam in slagen het principe te ontdekken van de
verplaatsing van lege operatoren, die je niet hoort maar die
vanuit theoretisch perspectief nodig zijn om de aanwezigheid
te verklaren van andere lege elementen, die je vanzelfsprekend
ook niet hoort maar die nodig zijn om het gedrag van andere, wel
hoorbare, taalkundige elementen te verklaren.")
Jack Hoeksema.
Velarisatie van /n/ in plat Hollands. Blz. 94-96.
(n wordt bij Hollandse boeren in de literatuur uit de 17e en de
18e eeuw ng voor t, d of s, mits voorafgegaan door een (korte)
a of o (Frans -Frangs enz.). a en o worden achter in mond
uitgesproken, dus het is een geval van plaats-assimilatie. We
vinden het verschijnsel niet na lange vokalen, want lange vokaal
+ nasaal + obstruent is iha. ongrammaticaal.)
Eric Hoekstra.
Schakeringspartikels en gevoelsmodaliteiten. Blz. 97-102.
(Over zinnen als "ik heb me daar liggen rennen!" "Me", "daar" en
"liggen" hebben hun letterlijke betekenis gedeeltelijk of geheel
verloren; ze leveren een emotieve bijdrage aan de semantiek van
de zin.)
Jaargang 29, nummer 1, 1999
Martijn Bredschneijder.
Reeksvorming: initiële coöordinatie in het
Nederlands. Blz. 1-20.
(Over zinnen als "Jan zal of de rozen snoeien of hij zal de
tulpen planten" en "Zijn vrouw schildert zowel als beeldhouwt."
Conclusie: "Alle theorieën en ideeën omtrent het
verschijnsel Initiële coördinatie die ik in dit artikel
aan de orde heb gesteld schieten tekort. Dit zal zeker ook te
maken hebben met de mate waarin taalwetenschappers zich tot dusver
met het thema reeksvorming hebben beziggehouden." Toch is het
verschijnsel belangrijk, want waarschijnlijk universeel: meer
onderzoek is dus geboden.)
Victor Sanchez Valencia.
Petrus Camper (1722-1789) over mens, aap en spraak. Blz.
21-36.
(De Groningse Professor in de Ontleed-, Heel-, Genees- en
Kruidkunde heeft zich beziggehouden met de vraag, of apen zouden
kunnen spreken. Hij deed anatomisch onderzoek naar het
apenstrottenhoofd en kwam tot een negatieve conclusie. Philip
Lieberman en zijn collega's gaven hem deze eeuw gelijk.)
Jack Hoeksema.
Iemand iets wijsmaken: irrealis en negatieve polariteit. Blz.
37-42.
(Het werkwoord "wijsmaken" als negatief-polaire uitdrukking
("je maakt mij niet wijs dat Ajax kampioen wordt") verlangt dat
zijn omgeving zowel negatief (monotoon dalend) als irrealis
(non-veridicaal) is: "deze contextuele eisen zijn dus niet louter
alternatieven, maar kunnen ook cumulatief worden toegepast".)
Eric Hoekstra.
De opkomst van het aspektuele hulpwerkwoord liggen. Blz.
43-47.
(Over zinnen als "lig niet te zeuren" en "hij heeft weer erg
liggen zeuren" waarbij de aangesproken respectievelijk besproken
persoon zich niet in een horizontale positie hoeft te bevinden. In
het noorden des lands zijn deze zinnen (nog?) vrijwel afwezig.)
Redactie.
Afscheid van Nanne Streekstra. Blz. 48.
Jaargang 28, nummer 4, 1998
Petra Hendriks.
Waarom Plato's probleem niet van toepassing is op de verwerving
van taal. Blz. 153-158.
("De geobserveerde kloof tussen taalinput en taaloutput laat
zich [...] verklaren door aan te nemen dat er geen strikte scheiding
bestaat tussen het niveau van syntactische representatie en het
niveau van semantische representatie.")
Ton van der Wouden.
Waar Machteld nou? Blz. 159-161.
("Dit alles laat zien dat een kind van ruim drie jaar oud al
weet hoe ze (bepaalde aspecten van) een conversatie moet
organiseren. Bovendien blijkt dat ze op die leeftijd al de
beschikking heeft over een heel arsenaal aan modale
uitdrukkingsmiddelen van het Nederlands, inclusief modale
partikels.")
Jack Hoeksema.
Een ondode kategorie: de genitief. Blz. 162-167.
(De genitief lijkt in het Nederlands bijna uitgestorven, maar
leeft nog voort in journalistieke zinswendingen als "dat is
eigenlijk niet des Van Gaals" en "Dat is niet des CDA's".)
Eric Hoekstra.
De gebiedende wijs en de 2e persoon meervoud van "zijn". Blz.
168-174.
(Nogmaals over de vraag, waar men "kinderen wezen jullie nu eens
stil" zegt, waar "bennen", waar "zijn"?)
Jaargang 28, nummer 3, 1998
Jan Koster.
Gapping moet blijven. Blz. 99-106.
("De vraag doet zich [...] voor waarom het sowieso overbodige
'move alpha' op de onderzoeksagenda prijkt als nooit tevoren,
terwijl Gapping vrijwel uit de belangstelling verdwenen is." "Zodra
we inzien dat c-command onjuist is en beter vervangen kan worden
door een generalisatie van het standaard localiteitsbeginsel, het
Bilocaliteitsprincipe, dan blijkt dat nog veel verdere unificatie
mogelijk is [...] [en] ziet het er naar uit dat ALLE locale
grammaticale relaties berusten op precies hetzelfde bouwplan, de
Configurationele Matrix".)
A.M. Duinhoven.
Zinnen met toegevoegde persoonsvorm. Over SGF-coördinatie
en samentrekking. Blz. 107-132.
("Hebben we in SGF-coördinatie met samentrekking te doen of
met deletie, met alletwee of met geen van beide?" Over zinnen als
"Plotseling werd Karel boos en liep de kamer uit". De titel is
veelzeggend.)
Eric Hoekstra.
De drie stamgebieden en de gebiedende wijs meervoud van "zijn".
Blz. 133-142.
(Over "Kinderen wezen jullie nu eens stil" uit de
Meertens-enquête van 1995. De "wezen"-variant komt bij uitstek
voor in Holland, Zeeland en Utrecht, stammen op een "z" - "kinders
zij ne kier stille" - met name onder de grote rivieren, en
"b-varianten - "bent nou es stil" enz. vooral in Oost-Brabant.)
Jaargang 28, nummer 2, 1998
Ron van Zonneveld.
Soorten partikelverplaatsing. Blz. 57-71.
(Over "Op gaat de zon in het oosten" enz. vs. "Op belt hij
zijn moeder te weinig" etc. "Partikelverplaatsing en
Deelwoordverplaatsing zijn verschillende instantiaties van
hetzelfde proces, zij het dat de condities waaronder partikels en
deelwoorden verplaatst kunnen worden niet helemaal hetzelfde
zijn." "Niet aan de orde gesteld is de vraag waarom partikels aan
verplaatsing doen [...] Niettemin is dat een bijzonder
interessante vraag, gegeven het feit dat partikels in dit opzicht
uniek lijken.")
Kirsten Romijn.
EH: Substitutie- en aarzelingsinterjectie. Blz. 72-87.
("Eh" wordt in conversaties op twee manieren gebruikt: als
aarzelingsinterjectie, waarbij "eh" aangeeft dat er wordt
nagedacht over wat volgt, en als substitutie-interjectie, waarbij
"eh" in de plaats komt dat door de spreker om onduidelijke redenen
niet geëxpliciteerd wordt. De twee onderscheiden "eh"s
blijken ook verschillende distributiepatronen te hebben.")
Eric Hoekstra.
Nomenincorporatie en finitiete werkwoordsvormen en de
methodologie van het vragen stellen. Blz. 88-97.
(Nomenincorporatie is in het ABN alleen mogelijk in
nominalisaties: "zij vindt dat tandenpoetsen maar vervelend". In
een infinitief is het niet best (*"zij probeert te tandenpoetsen")
en in een finiete vorm nog veel slechter (*"zij tandenpoetst te
veel"). In het Fries zijn alle drie de varianten mogelijk, in het
Gronings de eerste twee.)
Jaargang 28, nummer 1, 1998
Jack Hoeksema.
Corpusonderzoek naar negatief-polaire uitdrukkingen. Blz. 1-52.
("Corpusonderzoek is een welkome aanvulling op het arsenaal van
middelen waarover de taalkundige beschikt.")
Eric Hoekstra.
Weg en voort (zonder voorafgaande voorzetselbepaling). Blz.
53-56.
(Over "Dat kan worden weggegooid" uit de Meertens-enquete van
1988. "Weg" wordt regelmatig vertaald als "voort", vooral in het
noorden en in Limburg. In het Fries neemt het gebruik van "fuort"
toe, ten koste van "wei". Dat zou te maken kunnen hebben met het
verdwijnen van subtiele semantische onderscheidingen.)
Jaargang 27, nummer 4, 1997
Sjef Barbiers.
Over modaliteit, polariteit en transities. Blz. 129-140.
(Een repliek op Jack Hoeksema's kritiek in het vorige nummer op
Barbiers' uniforme analyse van modale werkwoorden, toegespitst op
negatief-polair "moeten" (ik moet die analyse niet). "De kritiek
van Hoeksema op een uniforme benadering van modale werkwoorden en
'moeten' in het bijzonder is hiermee afdoende weerlegd.")
Jack Hoeksema.
Antwoord aan Barbiers. Blz. 141-142.
(Dupliek van Hoeksema, die niet overtuigd is. "Dit alles neemt
niet weg dat ik waardering heb voor andere aspecten van Barbiers'
behandeling van modale werkwoorden, met name zijn karakterisering
van niet-verbale complementen.")
Victor Sanchez Valencia.
Semantische aspecten van ZODRA. Blz. 143-160.
(Hoe verklaren we het feit dat "zodra" soms wel en soms niet
het voorkomen van negatief-polaire uitdrukkingen als "ook maar"
mogelijk maakt? Met hulp van Alice Freed: "Alleen episodische
zodra-zinnen dulden geen 'ook maar' in de bijzin.")
Jack Hoeksema.
Ieder moment: scalaire universele kwantificatie. Blz. 161-170.
(Over zinnen als "de trein kan ieder moment arriveren".
"Universele temporele kwantoren in nonveridicale prospectieve
omgevingen kunnen een bijzondere lezing krijgen waarin ze naar de
onmiddellijke toekomst verwijzen. Deze, hier 'imminent' gedoopte
lezingen zijn met name dan natuurlijk, wanneer het temporele
naamwoord in de kwantor een zogeheten 'minimizer' (aanduider van
minimale hoeveelheid of mate) is.")
Eric Hoekstra.
Iets over de werkwoordsvolgorde in "dat ie komen kijken is".
Blz. 171-177.
(De variant in de titel wordt met name in Zeeland, Vlaanderen
en Belgisch Brabant aangetroffen; in de standaardtaal kan alleen
"ik denk niet dat ie is komen kijken". In het noorden komen ook nog
constructies met "te" voor ("ik denk niet dat ie gekomen is te
kijken" enz.).)
Jaargang 27, nummer 3, 1997
Jack Hoeksema.
Negatief-polair moeten. Blz. 95-112.
(Tegen de stelling van Barbiers (1996) dat negatief-polair
moeten onderworpen is aan enkele zeer algemene eisen die
eveneens gelden voor moeten met infinief- of niet-verbale
complementen. Met speciale aandacht vor een aantal negatief-polaire
idiomen met moeten, waarvan vastgesteld wordt dat ze telkens
een dispositioneel gebruikt moeten bevatten.)
Ron van Zonneveld en Roelien Bastiaanse.
Nevenschikking zonder nevenschikker: "Heden ik, morgen
gij". Blz. 113-123.
(De structuur van constructies van het type "Heden ik, morgen
gij" voldoet aan het standaard X-bar-formaat. De nevengeschikte
constituenten worden gecategoriseerd als ondergespecificeerde IPs.)
Eric Hoekstra.
Passieve causatief en passieve perceptief. Blz. 124-128.
(Over de verspreiding van zinnen van het type "de fabriek is
door hen schoon laten maken" en "het vliegtuig is door velen zien
neerstorten". De constructie is overal zeldzaam; een geografisch
patroon ontbreekt.)
Jaargang 27, nummer 2, 1997
Jan Koster.
Kennis, representatie en reductie. blz. 57-66.
(Heeft Chomsky gelijk als hij beweert dat de theorie van de
syntaxis gaat over fysische structuren op een bepaald niveau van
abstractie? Koster denkt van niet. Hij ziet meer overeenkomst met
de wiskunde: "de theoretische taalkunde [bestudeert] de aard van de
abstracte vormpatronen van de taal.")
Arie Molendijk.
Kwantificatie, aspect en temporaliteit: een vergelijking van
het Nederlands en het Frans. Blz. 67-85.
(Frekwentatieve en iteratieve uitdrukkingen geven aan dat er
sprake is van herhaling van een eventualiteit. Bij frekwentie is
het aantal herhalingen (de cardinaliteit) niet van belang, bij
iteratie wel. Molendijk voert dit terug op een verschil in niveau:
frekwentie is kwantificatie op "een of ander onderliggend niveau",
"iteratie is kwantificatie op zinsniveau.")
Eric Hoekstra.
Mannelijke persoonsnamen op -se(n) en het oprukken van het ABN.
Blz. 87-93.
(Een man uit Haarlemmer is een Haarlemmer, een vrouw een
Haarlemse, koekjes uit Haarlem heten Haarlemse koekjes. Maar niet
overal. Mannelijke persoonsnamen op -se(n) in de dialecten zijn,
onder invloed van de standaardtaal, op hun retour, sneller in
onbeklemtoonde lettergrepen dan in beklemtoonde.)
Jaargang 27, nummer 1, 1997
Hans Broekhuis.
Nogmaals Verb Projection Raising. Blz. 1-27.
(Door recente ontwikkelingen in het generatieve kader (Chomsky,
Zwart) staat de klassieke analyse van de werkwoordsvolgorde in de
continentale West-Germaanse talen (Koster, Evers) onder vuur. Een
bijdrage aan de discussie.)
Dirk-Bart den Ouden.
De fonologische frase in een model voor spraakproductie. Blz.
28-47.
("Bij bestudering en vergelijking van psycholinguïstische en
meer theoretisch taalkundige literatuur valt al snel op dat er
bijzonder weinig onderling gebruik wordt gemaakt van en gerefereerd
wordt aan elkaars opgedane kennis, gedachtengoed en aannames. In dit
artikel wil ik een voorbeeld geven van een gebied waarop een inniger
samenwerking sappige vruchten zou kunnen afwerpen. Ik zal een beknopt
en geenszins allesomvattend overzicht geven van enkele verschillende
taalkundige analyses van fonologische frasering en de daaruit volgende
observaties trachten te passen in een model voor taalproductie, waarin
de fonologische frase eveneens een rol wordt toegedacht.")
Eric Hoekstra.
Selectierestricties van het werkwoord komen. Blz. 48-56.
(Hoe zegt men in het Nederlands "Hij komt zijn vijfde kind
aangeven"? Die zin blijkt, in deze vorm, niet voor te komen in
Groningen, Friesland, Drente en West-Friesland. De auteur schrijft deze
eigenaardigheid toe aan het feit, dat in de genoemde gebieden in een
ver verleden Fries gesproken is.)
Jaargang 26, nummer 4, 1996
(Een speciale aflevering, met bijdragen van buitenlandse auteurs, ter
gelegenheid van de veertigste verjaardag van Jack Hoeksema.)
Laurence R. Horn.
Flaubert-triggers, squatitieve negatie, en andere grillen van de
grammatica. Blz. 183-205.
(Over negatief-polaire uitdrukkingen die, op het oog, niet door een
negatieve of monotoon dalende omgeving gelicenseerd worden, en over
nieuwe mogelijkheden om negatie uit te drukken.)
William A. Ladusaw.
Een compositionaliteitspuzzel in dubbele ontkenningen. Blz.
206-212.
(Hoe leiden we de gewenste betekenis af van zinnen als ï am not
saying that John might not agree with you"?)
Theodore B. Fernald en Dona Jo Napoli.
Hand en mond, tong en nagel: een vergelijking van de morfologische
mogelijkheden van ASL en gesproken talen. Blz. 213-234.
(Over morfologische verschillen tussen gebarentaal en gesproken
taal.)
Henriette de Swart.
Monotoon dalende indefinieten. Blz. 235-249.
(Over de interpretatie van zelfstandignaamwoordgroepen als "geen
boek", "weinig katten" en "hoogstens twee studenten".)
Jaargang 26, nummer 3, 1996
PIONIER-special.
Met bijdragen van medewerkers aan het NWO-project REFLECTIONS OF
LOGICAL PATTERNS IN LANGUAGE STRUCTURE AND LANGUAGE USE
Jack Hoeksema.
Zeg het met rozen: een vergelijking van drie idiomatische
uitdrukkingen. Blz. 129-149.
(Waarom zijn sommige uitdrukkingen negatief-polair? De drie
uitdrukkingen öp rozen zitten", över rozen gaan" en "rozegeur en
maneschijn", hoewel semantisch zeer verwant, vertonen verschillend
gedrag ten opzichte van negatieve conteksten. Een
grammaticalisatie-benadering.)
Victor Sanchez Valencia.
Over kwantitatieve schalen, inferenties en epistemische
subjecten. Blz. 150-163.
(Over de (on)geldigheid en het fundament van redeneerschema's als
"Heloise heeft twee kinderen -> Heloise heeft niet drie kinderen")
Ton van der Wouden.
Hoeven. Blz. 164-182.
(Over een aantal specifieke eigenschappen van het negatief-polaire
hulpwerkwoord "hoeven").
Aankondiging TABU-dag vrijdag 13 juni 1997, Groningen. Blz. 183.
Jaargang 26, nummer 2, 1996
Dicky Gilbers en Wouter Jansen.
Klemtoon en ritme in Optimality Theory. Deel 1: Hoofd-, neven-,
samenstellings- en woordgroepsklemtoon in het Nederlands. Blz.
53-101. ("Dit artikel is het eerste deel van een analyse in Optimality
Theory van klemtoon en ritme in het Nederlands. We onderzoeken de
mogelijkheid om ritmische variabiliteit in het Nederlands accuraat
te beschrijven binnen dit theoretische kader, waarin
welgevormdheidsprincipes een cruciale rol spelen.")
Helen de Hoop.
Optimality Theory: Achtergronden en Toepassingen. Blz. 103-127.
("optimality Theory is een theorie van taal en grammatica, die
vooral via de fonologie in de taalkunde is doorgedrongen door een
manuscript uit 1993 van de fonoloog Alan Prince en de mathematisch
natuurkundige Paul Smolensky. In OT kan een grammatica opgevat
worden als een verzameling gelijktijdige, 'zachte'
welgevormdheidscondities.")