Hubert Slings.
Bijbelencultuur.nl. De bijbel in de Nederlandse cultuur.
Blz. 3-5.
(De invloed van de bijbel op de Nederlandse cultuur in
verleden en heden is enorm groot. Zowel het besef als de kennis
daarvan neemt echter af, omdat de tijd dat de bijbel voor het
grootste deel van de bevolking een levende traditie was reeds
decennia achter ons ligt. Hierdoor dreigen grote groepen van de
bevolking vervreemd te raken van hun eigen cultuur. Dan praten
we niet uitsluitend over de leerlingen uit de openingszin van
dit artikel, maar in toenemende mate ook over hun docenten en
hun generatiegenoten. Om deze redenen heeft uitgeverij Amsterdam
University Press (AUP) het initiatief genomen voor een
internetpublicatie die eraan kan bijdragen om deze ras groeiende
lacune weer enigszins te dichten. Deze website over 'de bijbel
in de Nederlandse cultuur', heet kortweg Bijbelencultuur.nl. Het
sonnet 'De moeder de vrouw' is daar - vergezeld van een
toelichting - opgenomen bij het boek der psalmen.)
Joop Dirksen.
Erotiek als stoorzender. Blz. 6-9.
(Op veel christelijke scholen - maar niet alleen
dáár - zorgt moderne literatuur vaak voor
problemen. Boeken die impliciet of expliciet anti-godsdienstig
zijn, boeken met een 'nihilistische inslag', boeken met veel
openlijk geweld, maar ook en vooral boeken waarin seksualiteit
een belangrijke plaats inneemt, zijn daar taboe. Seksualiteit en
erotiek zijn ook voor veel lezers in het dagelijks leven
problematische onderwerpen. Een poging tot analyse van een
intrigerend verschijnsel.)
Helma van Lierop-Debrauwer.
Geloven en geloven is twee. Over Het boek van alle dingen
van Guus Kuijer. Blz. 10-13.
(In de jaren zestig verdwenen de protestants-christelijke en
katholieke kinderboeken uit het algemene beeld van de
kinderliteratuur. Daarmee was de aanwezigheid van God en geloof
in teksten voor kinderen niet langer meer vanzelfsprekend.
Kritische pedagogen ontdekten begin jaren zeventig het
kinderboek als een interessante mogelijkheid om kinderen
maatschappijbewust te maken. De bestaande kinderboeken waren
daarvoor naar hun mening ongeschikt, omdat het wereldbeeld
daarin totaal verouderd was. Hun pleidooi voor een nieuw soort
boeken met informatie over eigentijdse problemen als
milieuvervuiling, rassendiscriminatie, abortus en echtscheiding
had een stroom van hyperrealistische boeken tot gevolg. Voor
religie was geen aandacht, omdat het niet werd beschouwd als een
actueel thema. In één opzicht vertoonden deze
boeken echter wel overeenkomst met de orthodoxe kinderboeken
over het geloof: de auteurs ervan hadden een boodschap die zij
op een zo direct mogelijke manier aan de lezers probeerden over
te brengen.)
Marjolein Lolkema en Annemarie Prins
Christelijk is niet hetzelfde als christelijk.
Literatuuronderwijs op christelijke scholen Blz. 14-18.
('Lezen voor je lijst' bij het vak Nederlands is op alle
scholen voor voortgezet onderwijs een alledaags verschijnsel.
Maar om leerlingen aan het lezen te krijgen en te houden is een
energieke klus waar menig leraar Nederlands zo nu en dan een
diepe zucht bij slaakt. Want in dit computertijdperk vinden
hedendaagse jongeren computeren, spelletjes doen en chatten veel
leuker dan 'een boek lezen' en wat is duffer dan verplicht met
een boek op de bank te moeten zitten. Er worden
leesbevorderingprogramma's bedacht, zoals Bazar, en de diverse
methoden Nederlands besteden aandacht aan boekfragmenten, alle
met de bedoeling jongeren alsnog de waarde en het plezier van
lezen en taal mee te geven. Dat leerlingen moeilijk aan het
lezen te krijgen zijn is vooral zo jammer, wanneer je beseft en
weet dat er zoveel mooie boeken op de markt zijn gericht op
adolescenten. Een heel scala aan puberonderwerpen wordt
beschreven in de huidige adolescentenromans, genoeg voer om je
heerlijk mee te identificeren. Maar wat als je er geen zin in
hebt? Of als je er geen weet van hebt?)
Roelof Jan Veldkamp.
CKV vanuit traditie en levensvisie. De vrije school en
kunstzinnige vorming. Blz. 20-24.
(Een brede kunstzinnige vorming met aandacht voor de
wereldliteratuur en ervaringsgericht leren lijkt de laatste
jaren in het voortgezet onderwijs een belangrijke vernieuwing.
Toch wordt op de vrije school al vanaf 1920 wereldliteratuur
gegeven en spelen volledige klassen jaarlijks een klassiek of
modern-klassiek toneelstuk. Kunstzinnige vorming is geen
afzonderlijk onderdeel van het lesprogramma, maar een wezenlijk
onderdeel van een doorlopende leerlijn met dwarsverbanden naar
andere vakken en een streven om aan te sluiten bij de
persoonlijke ontwikkeling. Hoewel ook andere scholen het belang
van deze geïntegreerde aanpak steeds meer inzien, blijft de
vrije school zich onderscheiden door een eigen kijk op
pedagogiek en didactiek. Het vak CKV met aandacht voor
toneelgeschiedenis en wereldliteratuur krijgt in zo'n context
een speciale invulling. Dit artikel gaat in op de werkwijze van
de oudste vrije school in Nederland, in Den Haag, met daarbij de
aantekening dat iedere werkwijze nauw samenhangt met de
mogelijkheden en wensen van de betrokken docenten en dat deze
beschrijving dus geen blauwdruk is. Omdat het op de vrije school
gebruikelijk is dat je alleen dát doet wat je zelf kunt
'vullen', is dit een verhaal op persoonlijke titel.)
Henk Langenhuijsen.
'Onthechting levert nieuwe mogelijkheden op'. Freek de Jonge
speelt met fictie en werkelijkheid. Blz. 26-30.
('Ken je dit boek? Prachtig, ontroerend.' Bijna terloops
wijst Freek de Jonge op het boekje op de tafel in zijn
woonkamer. Het is De nadagen van Gerard Reve van journalist Ad
Fransen die de hulpeloosheid van de schrijver en de aftakeling
van een opmerkelijke geest van dichtbij in beeld heeft gebracht.
Op 30 augustus is Freek de Jonge zestig geworden; vanaf begin
september werkt hij iedere week aan De Vergrijzing, een
vijftiendelige huzarenklus in het Compagnietheater in Amsterdam
met als resultaat een wekelijks uur televisie op de zondagavond.
Onlangs verscheen zijn vierde roman, getiteld Door de
knieën, waarin De Jonge fictie, autobiografische elementen
en historische gebeurtenissen met elkaar vermengt. Een van de
thema's is ouder worden en het loslaten van de alledaagse
werkelijkheid.)
Eric van 't Zelfde.
Literatuur, hoe nu verder? Blz. 32-36.
(In het jaar 2000 ontving mijn methode Wanted Read or Alive,
part 2 een onderscheiding van de Europese Commissie voor
Innovatief en Creatief Taalonderwijs. De methode was gebaseerd
op de gedachte dat leerlingen vanzelf in een taal zullen duiken
wanneer de aangereikte passages maar uitdagend genoeg zijn. De
methode bevatte voornamelijk hedendaagse literaire werken omdat
ik het onverstandig vond het toenmalig geringe aantal uren voor
literatuur te besteden aan Shakespeare, Milton, Chaucer, et
cetera. Deze onbetwiste grootmeesters moeten op het HBO en de
universiteit maar worden besproken, anders wordt literatuur
nooit leuk voor vijftienjarigen. Met 2003 in het vooruitzicht
zijn geen van de literatuuropdrachten uit Wanted Read or Alive,
part 2 nog terug te vinden in mijn huidige lessen omdat ik de
methode niet meer adequaat acht. Aan de ene kant bieden de
nieuwste multimedia meer mogelijkheden en aan de andere kant
hebben de onderwijsbeleidsmakers het vak literatuur bedacht. Ik
vind de implementatie van het vak literatuur een welkome en
waardevolle ontwikkeling. In de huidige vorm is het echter een
'halve' verandering die verder moet worden doorgevoerd.)
Anne Provoost.
Het interessante. Blz. 38-39.
(Mijn zoon Cornelius is vijf als hij midden in zijn spel
stilhoudt. Hij zit geknield op de plankenvloer met in zijn
handen een kubus. Om hem heen liggen andere houten bouwblokken,
balkjes en cilinders in verschillende groottes, maar het is de
kubus die zijn aandacht heeft. Hij draait het blokje om, telt de
vlakken, laat zijn vingertjes over de ribben gaan. Als hij voelt
dat ik naar hem kijk, houdt hij het kleinood voor zich uit en
zegt: 'Mama, waarom is deze zo interessant?')
Margriet Veeneman.
Lezen in het vmbo, illusie of optie? Blz. 40-41.
(Het leesbevorderingsproject Bazar, speciaal ontwikkeld voor
het vmbo, begint zijn vruchten af te werpen, aan het begin van
dit jaar werden twee studiedagen gewijd aan 'lezen in het vmbo'
en eind maart werd de Zeeuwse Bibliotheek onderscheiden voor de
invoering van Bazar in Zeeland.
Er is iets aan de hand op het vmbo. Nu niet de insteek van
de praktijk van de scholen, maar een geluid uit een andere hoek;
die van de openbare bibliotheek. Wat is er mogelijk en wat niet?
Margriet Veeneman, een van de sprekers op twee studiedagen over
lezen op het vmbo afgelopen voorjaar, is een van de
initiatiefnemers van http://www.fictiedossiervmbo.nl gaat nader
in op deze materie.)
Jaargang 14, nummer 2, juni 2004
Joop Dirksen.
Literatuuronderwijs en emotionele intelligentie. Blz. 3-5.
(Leerlingen literair competent maken is op zich al een
moeilijke en tijdrovende zaak. Desondanks wordt in dit artikel
gepleit om gedeelten van dat literatuuronderwijs ook nog in te
zetten voor een ander doel, namelijk in het kader van het
vergroten van de emotionele intelligentie van leerlingen.)
Frank Blaakmeer.
Het hoofd van Arie Roos in; losse opmerkingen over het
thema 'roman en film'. Blz. 6-9.
(Boeken doen iets met je: als je leest gebeurt er van
alles in je hoofd. Maar dit geldt net zo goed zeker voor
films. Waarom wordt een boek verfilmd? En waarom het ene boek
wel en het andere niet? En waarom wordt mijn favoriete boek
niet verfilmd?)
Frank Blaakmeer.
Een scenarist en de mooie verhalen van een schrijver,
Marieke van der Pol over De tweeling. Blz. 10-15.
(In 1993 verscheen de roman De tweeling van Tessa de Loo.
Het boek werd na gemengde recensies ('een meeslepend epos'
versus 'een barre baksteen') een groot succes in de boekhandel
en won in 1994 de Trouw Publieksprijs voor het Nederlandse
Boek. De Tweeling vertelt het verhaal van Anna en Lotte, een
tweeling die na de dood van hun ouders gescheiden wordt. Lotte
groeit op in Nederland, Anna blijft in Duitsland.
Verschillende pogingen van de zusjes om elkaar terug te vinden
worden uiteindelijk door de oorlog gefrustreerd. Lotte hoort
na de oorlog bij het kamp van de slachtoffers terwijl Anna als
Duitse automatisch bij de schuldigen hoort. Als oude dames
vinden ze elkaar terug in een kuuroord in Spa. De frustraties
rond hun scheiding en vooral de oorlog blijken een echt
gesprek tussen de beide zussen moeilijk te maken. Aan het slot
is er toch sprake van verzoening. De scènes in Spa
vormen een raamwerk waardoor de lezer steeds opnieuw zicht
krijgt op de geschiedenis van de zusjes. In 2002 werd het boek
verfilmd door Ben Sombogaart naar een scenario van Marieke van
der Pol. In 2004 kreeg de film een Oscarnominatie, maar de
makers zagen de prijs net aan zich voorbijgaan. Over het
schrijven van het scenario en over de verschillen tussen boek
en film liet Frank Blaakmeer de schrijfster van het scenario
aan het woord.)
Ronald Piters.
Onder de indruk van het boek, onderzoek naar
genrebeleving. Blz. 16-19.
(Het lezen van boeken mag zich in deze tijd van
gedigitaliseerde informatieverschaffing nog steeds in een
grote belangstelling verheugen. Voor elk soort boek is er wel
een geïnteresseerd lezer die, zodra deze een specifiek
boek uit het enorme boekenaanbod aanschouwt, dat boek benoemt
als onderdeel van een specifiek genre. Een verslag van een
onderzoek naar genrebeleving.)
Ine Pels.
Striptekenaars bewerken 'Haar', Kunstzinnige ontwikkeling
via strips in de klas. Blz. 21-23.
('Vanaf een bergtop kijkt een amazone neer op de karavaan
die onder haar langs trekt.' Dit is strook 90 uit het scenario
dat striptekenaar Rolf Thijssen schreef voor het CKV-1 project
'strips in de klas' van het Dr.-Knippenbergcollege in Helmond.
Laury Persoon uit 4-vwo kreeg de opdracht om deze strook
creatief in te vullen. De andere 209 leerlingen uit 4-havo en
4-vwo kregen eenzelfde opdracht voor de resterende 197
stroken. Het resultaat is het prachtige stripalbum Farao Feros
dat in een oplage van 2300 exemplaren professioneel werd
gedrukt. In maart van dit jaar zijn de 4-havo en 4-vwo klassen
aan de slag gegaan met een stripalbum getiteld 'Haar'.)
Cor Geljon.
Diploma vmbo-kunst. Blz. 24-27.
(Voor havo- of vwo-leerlingen met kunstzinnige
belangstelling staan er verschillende wegen open naar een
opleiding met een artistiek perspectief. Voor leerlingen van
het vmbo ligt dat een stuk moeilijker. Op verschillende
scholen in het land zoekt men dan ook naarstig naar
mogelijkheden om die doorstroming te vergemakkelijken. De Open
Schoolgemeenschap Bijlmer in Amsterdam heeft het gezocht in
een opleiding vmbo-kunst. Een gesprek met de
kunstcoördinator vmbo van die school, Peter van den
Heuvel.)
Lidwine Janssens.
Internet en kunst, een artistieke en interactieve
onderzoeksdidactiek voor CKV. Blz. 28-31.
(Aanschouwelijk onderwijs is een oud en interactief
onderwijs is een betrekkelijk nieuw begrip. Hoe beide kunnen
samengaan onderzoekt de Noord Nederlandse interfaculteit der
Kunsten (voortaan NNIK) bij het vak CKV.)
Margreet Feenstra en Hadelinde van der Hoek.
Internet levert poëzieles op maat. Blz. 32-34.
(Een limerick die door elkaar is gegooid en waarvan de
dichtregels in de correcte volgorde moeten worden gesleept,
achttien vissengedichten in een vrolijk aquarium, die
verschillende aspecten van het vissenbestaan uitdrukken,
gedichten die in beweging worden gezet door Flash-movies, een
interactieve literaire quiz en een Poëzie Trivia Quiz.
Dit en nog meer kunt u vinden op de website van Poëzie in
Beweging, http://www.poezie-in-beweging.nl.)
Harry Baggen.
Digitaal kunstbeleven. Blz. 35-36.
(Bij de invoering van het vak CKV-1 in het algemene deel
van havo en vwo werd het noodzakelijk voor de leerling om
verslag te doen van zijn of haar culturele beleving. Voor een
havo-leerling betekent dit zes culturele activiteiten met een
vorm van verslaglegging en voor de vwo-leerling maar liefst
tien. Onder culturele activiteit valt een bezoek aan de
bioscoop of schouwburg, maar ook een museumbezoek of het lezen
van een boek uit de wereldliteratuur. De verslaglegging liep
de afgelopen jaren niet altijd probleemloos. Woorden als 'vet'
en 'cool' of - nog erger - 'hartstikke chique' en 'gaaf'
werden door de doelgroep ruimschoots voldoende bevonden. Een
bron was voor de leerling aanvankelijk niet bijvoorbeeld een
krantenrecensie, maar 'mijn zus met haar vriend' of soms zelfs
'mijn moeder'. Digitaal kunstbeleven bleek een oplossing.)
Guido Robben.
De vivisectie van de puberale ziel, puberen in
Oostenrijkse romans. Blz. 38-41.
(In dit artikel bespreek ik twee romans uit de
Oostenrijkse literatuur waarin de auteurs het thema puberteit
op uiteenlopende wijze benaderen. Enerzijds Die Verwirrungen
des Zöglings Törless van Robert Musil uit 1906 die
zich afspeelt in de tijd van de 'Keizerlijke en Koninklijke
Donaumonarchie' ('Kakanië'); anderzijds Der Schüler
Gerber van Friedrich Torberg uit 1930, de periode van de
eerste republiek. In het schooljaar 2000-2001 heb ik beide
romans met een gemotiveerde 6-vwo-klas gelezen. Het was de
laatste generatie leerlingen, die eindexamen deed in het oude
systeem, dus voordat de Tweede Fase integraal op school was
ingevoerd. Afgaande op mijn gesprek met oud-leerlingen heeft
met name Törless grote indruk op een aantal leerlingen
gemaakt, onder andere vanwege de perverse geaardheid van
enkele personages. Al begrepen de leerlingen niet alles, ze
beseften wel degelijk dat Musil de karakters had beschreven
van fascisten en hun meelopers.)