VONK
Tijdschrift van de Vereniging voor het Onderwijs in het Nederlands
ISSN 0770-2086 |
Rita Rymenans <rymenans@uia.ua.ac.be>
|
Archief
Deze webpage bevat het archief met gegevens over oudere nummers
van dit tijdschrift. Meer recente, jongere nummers vindt u
elders op deze site.
Jaargang 29, nummer 5, mei-juni 2000
- Jo van den Hauwe, Marc Stevens & Werner Schrauwen.
Taalbeleid op de lagere school. Een brede aanpak. Blz. 3-18.
(De basisschool heeft als taak het taalonderwijs zo in te
richten dat alle - ook taalzwakkere - leerlingen maximale kansen
krijgen om aan het maatschappelijk leven deel te nemen. Dat doel
kan alleen maar bereikt worden met een 'brede aanpak', aldus Jo van
den Hauwe, Marc Stevens & Werner Schrauwen. Dat een
taakgerichte taaldidactiek alleen niet altijd volstaat om de
taalachterstand weg te werken, illustreren ze aan de hand van
enkele portretten van 'gettokinderen' uit de grootstad. De
didactiek moet deel uitmaken van een ruimer taalbeleid dat gericht
is op de relatie tussen de school en de kinderen-ouders-buurt
enerzijds en op het bewust omgaan met meertaligheid op school en in
de klas anderzijds. Belangrijk is ook dat hoge eisen worden gesteld
aan het taalmateriaal dat in de les gehanteerd wordt. De auteurs
belichten een aantal ingrepen op verschillende niveaus (van macro
tot micro) en stofferen ze rijkelijk met concreet
voorbeeldmateriaal.)
- Mie Sterckx.
Graffiti op school. Een manier om anderstalige nieuwkomers uit
het secundair taalvaardigheid bij te brengen? Blz. 19-30.
(In
het vorige nummer van VONK heeft Mie Sterckx de principes
voorgesteld van een taakgerichte aanpak bij anderstalige
nieuwkomers in het secundair onderwijs. Dat deze leerlingen in de
beginperiode een basistaalvaardigheid moeten opbouwen die later als
fundament dient voor de alfabetisering, illustreerde ze met de
voorbeeldtaak Hoe til je met één lucifer 15 andere
lucifers op? In deze bijdrage verduidelijkt ze door middel van
drie voorbeeldtaken uit Taalkit 1 hoe je de taalvaardigheid
van deze nieuwkomers verder kan opbouwen. De verschillen met de
lucifer-taak worden meteen duidelijk: ze situeren zich op het vlak
van de kloof die de leerlingen moeten overbruggen en de manier van
ondersteuning bij het uitvoeren van de taak. Verder legt ze uit hoe
je niet- en andersgealfabetiseerde leerlingen kan alfabetiseren en
welke alfabetiseringslijn in de taken opgenomen is.)
- Els Gallin.
Over leven - Overleven. Jeugdliteratuur, milieueducatie en
vakoverschrijdend werken in de eerste graad so. Blz. 31-39.
(Vakoverschrijdend werken met jeugdliteratuur hoeft niet altijd
geïnitieerd te worden door de leraar Nederlands. Els Gallin is
leraar ecologie en toegepaste wetenschappen in de derde graad tso
van een tuinbouwschool en zat in de schrijfgroep voor de
vakoverschrijdende eindtermen milieueducatie voor het secundair
onderwijs. In deze bijdrage werkt ze een voorstel uit om
milieueducatief te werken met jeugdliteratuur in de eerste graad
so. Volgens haar sluiten de 'overlevingsverhalen' goed aan bij de
leerwensen van jongeren omtrent natuur en milieu: ze gaan uit van
het (over)leven in en met de natuur, het gedrag van dieren speelt
vaak een rol, alsook de manier waarop andere culturen met de natuur
omgaan. Aan de hand van Julie van de wolven van Jean
Craighead George formuleert ze ideeën voor een
interdisciplinair project dat aan heel wat vakoverschrijdende
eindtermen voldoet. Een geannoteerde lijst met andere bruikbare
overlevingsverhalen rondt de bijdrage af.)
- Wouter Brandt.
Blz. 41-47.
(Rubriek 'Werkhuis' met initiatieven, publicaties, websites en
onderzoeksresultaten op het gebied van (begeleid) zelfstandig
werken en leren.)
- Jan T'Sas.
Blz. 48-49.
(Rubriek 'Interkl@s' met belangwekkende taalsites.)
- Boekbesprekingen (Rubriek 'Ingeboekt'. Blz. 51-54.):
- <Door: Wouter Brandt:> S. Bolhuis: Naar zelfstandig
leren. Wat doen en denken docenten? Leuven/Apeldoorn: Garant, 2000.
- <Door: Wouter Brandt:> J. Kaldeway (red.): Leren leren in
het hoger onderwijs. Leuven/Amersfoort: Acco, 1999.
- <Door: Wouter Brandt:> H. Van Gorp e.a.: Lexicon van
literaire termen. Groningen/Deurne, 1998.
- <Door: Kristin Maes> D. Schram & C. Geljon (red.):
Grensverleggend literatuuronderwijs. Zutphen, 1998.
- Ingeblikt. Blz. 55-59.
(Korte inhoud van: Moer 2000/2; Spiegel 16/3; Levende Talen
Magazine 87/2; Levende Talen Tijdschrift 1/1; Werkblad voor
Nederlandse Didactiek 28/3; Ons Erfdeel 43/1-2; Klapper 7/4;
Openbaar 30/1; Schokla 165-166; Plein Primair; diverse
SLO-publicaties.)
- Jaarregister 29e jaargang. Blz. 60-68.
Jaargang 29, nummer 4, maart-april 2000
- André Mottart & Ive Verdoodt.
De verbeelding van de kust. Van literatuuronderwijs naar
cultuurstudie. Blz. 3-14.
(Het begrip geletterdheid maakt vandaag de dag een
radicale verandering door, wat impliceert dat het
moedertaalonderwijs zich opnieuw moet positioneren binnen deze
nieuwe opvattingen. In dit artikel introduceren André
Mottart & Ive Verdoodt het bredere concept
multiliteracies als na te streven doel voor het
literatuuronderwijs. Het is een vorm van geletterdheid die
rekening houdt met de snelle verspreiding van nieuwe informatie-
en communicatiemedia en de toenemende culturele en
linguïstische diversiteit van onze samenleving. Vanuit dit
perspectief bepleiten de auteurs een verschuiving van
literatuuronderwijs naar cultuurstudie, waarbij geschreven teksten
een plaats krijgen in een netwerk van andere 'tekstuele' genres.
Deze theoretische inzichten worden vertaald in lessuggesties voor
het secundair onderwijs rond het thema 'de kust en het
kusttoerisme'. Uit vakoverschrijdend oogpunt kunnen deze lessen
gezien worden als een bijdrage tot milieueducatie vanuit de
populaire cultuur, kunst en literatuur.)
- Katrien Durnez & Fransien Vandermeersch.
Het avontuur van het eindwerk. Blz. 15-29.
(De Geïntegreerde Proef (GIP) is een verplicht
werkstuk voor leerlingen van het zesde jaar tso of bso. Dit
eindwerk wordt gestuurd vanuit de richtingsvakken, maar ook andere
vakken worden zoveel mogelijk in het project geïntegreerd. In
dit artikel formuleren Katrien Durnez & Fransien
Vandermeersch suggesties voor de bijdrage van het vak Nederlands
aan de GIP in de richting Sociale en Technische
Wetenschappen. Daartoe presenteren ze een reeks gradueel
opgebouwde oefeningen in communicatieve vaardigheden die
leerlingen nodig hebben bij het opbouwen, uitwerken en presenteren
van hun dossier. Dit alles rijkelijk gestoffeerd met concreet
voorbeeldmateriaal. Maar ook het belang van de vakoverschrijdende
samenwerking, de keuze van het onderwerp, het werken in groepen,
de manier van evalueren, en de taakbelasting voor leraren en
leerlingen worden door de auteurs uitvoerig toegelicht.)
- Mie Sterckx.
Hoe til je met 1 lucifer 15 andere lucifers op? De opvang van
anderstalige nieuwkomers in de beginperiode. Blz. 31-38.
(Elk schooljaar opnieuw staan leerkrachten voor een op het
eerste gezicht bijna onmogelijke opdracht: lesgeven aan
anderstalige nieuwkomers met totaal verschillende achtergronden.
In opdracht van het departement Onderwijs is het Steunpunt NT2 van
de KU Leuven al een aantal jaren bezig met het ontwikkelen van
lesmateriaal voor deze specifieke doelgroep. Na een korte schets
van het onthaalbeleid in Vlaanderen licht Mie Sterckx de
taakgerichte aanpak waarop het lesmateriaal gebaseerd is, toe. Aan
de hand van een concrete taak uit Klaar? Af! voor het
secundair onderwijs zet ze de kenmerken waaraan taken voor
absolute beginners moeten voldoen, op een rij. Ten slotte geeft ze
ook kort aan op welke manier alfabetisering in het materiaal aan
bod komt, maar daarover weidt ze in het volgend nummer van VONK
verder uit.)
- Ides Callebaut.
De radio als bron van luisteroefeningen en van
taalbeschouwing. Blz. 39-43.
(In het werkelijke leven is luisteren vrij ingewikkeld,
terwijl veel luisteroefeningen op de basisschool te eenvoudig
zijn. In deze bijdrage stelt Ides Callebaut een luisteroefening
voor die zo dicht mogelijk bij het 'normale' luisteren ligt. Als
bron gebruikt hij het radionieuws in zijn normale context, met
reclamespots en muziek eromheen. Samen met de leerlingen luistert
hij naar een live uitzending die dus niet voorbereid kan worden.
Welke doelstellingen hiermee nagestreefd worden, hoe zo'n complexe
luisteractiviteit aangepakt kan worden, welke vaardigheden, kennis
en attitudes de leerkracht daarvoor nodig heeft, en hoe deze
opdracht ervoor zorgt dat de leerlingen op een ideale manier
geleerd hebben, zijn topics die achtereenvolgens aan de orde
komen. Niet alleen bruikbaar in het basisonderwijs overigens.)
- Wouter Brandt & Rita Rymenans.
Blz. 45-50.
(Rubriek 'Werkhuis' met initiatieven, publicaties, websites en
onderzoeksresultaten op het gebied van (begeleid) zelfstandig
werken en leren.)
- Jan T'Sas.
Blz. 52-53.
(Rubriek 'Interkl@s' met belangwekkende taalsites.)
- Boekbesprekingen (Rubriek 'Ingeboekt'. Blz. 55-62.):
- <Door: Wouter Brandt:> Van Dale Groot woordenboek
der Nederlandse taal. Dertiende, herziene uitgave.
Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie, 1999.
- <Door: Wouter Brandt:> Van Dale Idioomwoordenboek.
Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie & Amsterdam/Brussel:
Uitgeversmij. The Reader's Digest NV, 1999.
- Ingeblikt. Blz. 64-65.
(Korte inhoud van: Moer 2000/1; keuzelijst 'Horen, zien en
lezen'; publicaties van 'Jeugd en Poëzie'.)
Jaargang 29, nummer 3, januari-februari 2000
- Kris Van den Branden.
Zeven vragen over taakgericht onderwijs (en een poging tot
antwoord erop...) Blz. 3-19.
(Taakgericht onderwijs is een didactiek die wereldwijd steeds
meer wordt besproken en toegepast. Deze aanpak geeft echter ook
geregeld aanleiding tot discussies, vooral als het gaat om de
concrete toepassing ervan in de klas. In deze bijdrage probeert
Kris Van den Branden een antwoord te formuleren op de meest
gehoorde vragen:
- Is taakgericht onderwijs nu echt zo nieuw?
- Waarom toch altijd die omslachtige instructies en
ingewikkelde werkvormen?
- Kan taakgericht onderwijs ook met laaggeschoolde volwassenen?
- Is er plaats voor grammatica binnen taakgericht onderwijs?
- Wordt er niet te veel van de leerkracht verwacht?
- Is taakgericht onderwijs niet typisch een NT2-didactiek?
- Is er eigenlijk al enig effect van taakgericht onderwijs waar
te nemen?)
- Ann De Schryver.
Mogen we weer gewoon luisteren? Of hoe oud en nieuw elkaar
vinden. Blz. 21-27.
(Christopher Humphris, hoofd van het Teacher Training
DILIT International House te Rome, gaf enige tijd geleden een
navorming over luistervaardigheid op de school voor
volwassenenonderwijs waar Ann De Schryver lesgeeft. Tijdens deze
studiedag stelde hij een vernieuwende luisteraanpak voor die
inmiddels door verscheidene leerkrachten talen met succes
uitgeprobeerd is. In deze inspirerende bijdrage stelt de auteur
achtereenvolgens het verloop van de aanpak voor, schetst ze de
achterliggende ideeën, en zet ze een aantal positieve en
negatieve reacties op een rij. Ten slotte presenteert ze een
aantal aandachtspunten en tips op basis van de ervaring die ze
intussen zelf heeft opgedaan met deze luisteraanpak bij
Nederlands als tweede taal. Ze maakt zich sterk dat de aanpak ook
probleemloos op andere onderwijsniveaus en bij Nederlands als
moedertaal toegepast kan worden.)
- Luc Wyns.
Idomeneo. Van Grieks theater tot Barbie en Action Man. Blz.
29-42.
(Wie de eindtermen en leerplannen van verschillende vakken
uit de eerste graad secundair onderwijs naast elkaar legt,
herkent daarin gelijklopende vaardigheden, ondanks de
verschillende terminologie. Uit gesprekken die Luc Wyns met een
collega geschiedenis uit de eerste graad voerde, werd snel
duidelijk dat er grote overeenkomsten zijn tussen de vaardigheden
die in beide vakken aan bod komen. Daarom sloegen ze de handen in
elkaar om over Nederlands en geschiedenis heen een project op te
zetten waarin aan die gelijklopende vaardigheden gewerkt wordt.
Grieks theater leek een geschikt thema om vakoverschrijdend uit
te werken. Een bewerking van de opera Idomeneo van Mozart
door Frank Groothof stond centraal. In dit enthousiasmerende
verhaal schetst Luc Wyns de doelen en het verloop van het
project, en presenteert hij enkele resultaten van leerlingen die
tot de verbeelding spreken.)
- Jan T'Sas.
De kachel in. Blz. 44-46.
(Een kritische bespreking van spellingsoftware, aangevuld
door Marc Vanderlocht. Rubriek 'Interkl@s'.)
- Wouter Brandt & Rita Rymenans. Blz. 47-52.
(Een nieuwe rubriek met initiatieven, publicaties, websites
en onderzoeksresultaten op het gebied van (begeleid) zelfstandig
werken en leren. Als continue aanvulling op de twee
VONK-themanummers rond dit thema.)
- Boekbesprekingen (Rubriek 'Ingeboekt'. Blz. 53-55.):
- <Door: Rita Rymenans:> M. Hoogeveen & H.
Bonset: Het schoolvak Nederlands onderzocht.
Leuven/Apeldoorn: Garant, 1998.
- Ingeblikt. Blz. 57-65.
(Korte inhoud van: Moer 1999/5; Levende Talen 542-545;
Levende Talen Magazine 87/1; Werkblad vor Nederlandse Didactiek
28/1-2; Nachbarsprache Niederländisch 14/1-2; Ons Erfdeel
42/4-5; Verslagboek HSN-12; Lezen 2000 (Stichting Lezen);
Poëzie voor 12-plussers; Klapper 7/2-3; Openbaar 29/4-5;
Integratie NT2-NT1 (SLO); publicaties van Onderwijs-Service vzw;
'Juf, er zit een muis op mijn bank!' (cd-rom); Handboek
rechtstaalbeheersing; Op avontuur!; Gids gedragsproblemen.)
Jaargang 29, nummer 2, november-december 1999
Themanummer 'Zelfsturend-zelfstandig leren', deel 2
- Luc Vercammen.
Expliciet, explicieter, nog explicieter? Blz. 3-6.
(Uit het eerste deel van dit themanummer is naar voren gekomen dat
de praktijk van het lesgeven zich moeten aanpassen onder invloed van
leren leren. Doceren moet plaats maken voor het begeleiden van de
leerling en zijn leerproces. Luc Vercammen legt in dit openingsartikel
expliciet een link met een aantal bijdragen in de vorige VONK. Verder
gaat hij dieper in op een vraag die onder meer de redactie sterk heeft
beziggehouden: moeten cognitieve, metacognitieve en affectieve
vaardigheden expliciet aangebracht worden of ga je beter impliciet
tewerk? Zijn vergelijking met een badmintonspel is tegelijk vermakelijk
en verhelderend.)
- Helge Bonset & Hetty Mulder.
Zelfstandig leren in het talenonderwijs. Blz. 7-23.
(In Nederland groeide het inzicht dat alle leerlingen gebaat zijn
bij een activerende aanpak met ruimte voor zelfstandig leren. In deze
bijdrage verhelderen Helge Bonset & Hetty Mulder een drietal
kernbegrippen uit deze ontwikkeling door ze te omschrijven en tegen
elkaar af te zetten. Het gaat om zelfstandig werken, zelfstandig leren
en zelfverantwoordelijk leren. Vervolgens demonstreren ze hoe met
behulp van deze begrippen onderwijsleersituaties en leermateriaal
geanalyseerd en ontworpen kunnen worden. Daartoe presenteren ze
respectievelijk twee checklists en een lijst met ontwerpadviezen. Een
en ander wordt rijkelijk geïllustreerd met concreet leermateriaal
voor het maken van een leesverslag en het schrijven van een
informatieve tekst.)
- Joop Dirksen.
Het leesdossier als basis voor het literatuuronderwijs. Blz. 24-31.
(Na hoogoplopende discussies is het literatuuronderwijs in de
tweede fase van het voortgezet onderwijs in Nederland grondig
vernieuwd. Er is met name veel plaats ingeruimd voor de persoonlijke
leeservaringen van de individuele leerling. Joop Dirksen geeft een
korte schets van de ontwikkelingen die tot dit lezersgericht
literatuuronderwijs hebben geleid. Vervolgens staat hij stil bij het
leesdossier dat in deze nieuwe aanpak een centrale plaats inneemt en
volledig kadert binnen de zelfstandig werken-didactiek. Vanuit zijn
eigen praktijkervaringen gaat hij achtereenvolgens in op de vorm, de
invoering, de begeleiding en de beoordeling ervan. Ook zorgpunten die
door veel leraren naar voren worden geschoven, krijgen in deze
inspirerende bijdrage de gepaste aandacht.)
- Peter Van Petegem & Sven De Maeyer.
De overgangsproblematiek tussen secundair en hoger onderwijs
benaderd vanuit het leerstijlenonderzoek. Blz. 33-47.
(De overgang van het secundair naar het hoger onderwijs verloopt
voor een groot deel van de studenten problematisch: de slaagcijfers in
het eerste jaar universitair onderwijs liegen er niet om. Buitenlands
onderzoek heeft aangetoond dat er een verband bestaat tussen de manier
waarop studenten informatie verwerken bij het studeren en de
studieresultaten die ze behalen. Peter Van Petegem & Sven De
Maeyer presenteren de revelerende resultaten van het
leerstijlenonderzoek dat ze bij alle eerstejaarsstudenten aan de
Universiteit Antwerpen hebben uitgevoerd. Gesterkt door twee recente
beleidsvoorstellen zijn de onderzoekers de mening toegedaan dat het
adequaat aanwenden van dergelijke resultaten de overgang van het
secundair naar het hoger onderwijs kan optimaliseren.)
- Jan van der Draai.
Flexibel Zelfverantwoordelijk Leren. Blz. 48-66.
(Het Horizon College in Hoorn, een school voor Middelbaar
Beroepsonderwijs, verandert langzaam maar zeker van een productgerichte
naar een procesgerichte opleiding, waarin het proces van het leren
centraal staat. Jan van der Draai beschrijft op een uiterst
realistische manier hoe het systeem van Flexibel Zelfverantwoordelijk
Leren op zijn school geïmplementeerd is. Zelfkennis,
strategiegebruik en verantwoordelijkheid zijn de drie pijlers waarop
het didactisch concept gebaseerd is. Verschillende leersystemen blijven
er naast elkaar bestaan: klassikaal onderwijs, probleemgestuurd
onderwijs en Open Leren. De leerlingen worden over alle vakken heen
begeleid door een persoonlijke mentor die een cruciale rol speelt in
het geheel. De leerinstrumenten die hij daarbij hanteert, worden door
de auteur uitvoerig gedemonstreerd.)
- Hilde Vandormael i.s.m. de vakgroep PAV Verpleegkunde Hasselt.
Projectonderwijs: een uitnodiging tot ontwikkelend leren. Blz.
67-78.
(Studierichtingen die vóór 1995 tot het aanvullend
secundair beroepsonderwijs (asbo) behoorden, zijn nu als 'vierde graad'
aan het secundair onderwijs aangehecht. In de Provinciale Secundaire
School van Hasselt wordt een vierde graad Verpleegkunde ingericht. In
overleg met de pedagogische begeleiding van het Vlaams Provinciaal
Onderwijs besloot de dynamische vakgroep om eigen leerplannen te
ontwikkelen waarin de nieuwsgierige verpleegkundige centraal staat. Bij
het introduceren van de ervaringsgerichte en probleemgestuurde aanpak
is Project Algemene Vakken (PAV) als steunvak ingeschakeld. In deze
bijdrage beschrijft Hilde Vandormael, in samenwerking met de vakgroep,
de plaats en aanpak van projectwerk binnen PAV. Concrete
werkinstrumenten stofferen dit inspirerende verhaal.)
- Anne Boeken.
'Juf, ik ben al klaar met mijn moetjes!' Contractwerk in het
basisonderwijs. Blz. 79-86.
(Eén manier om differentiatie in het basisonderwijs concreet
vorm te geven, is contractwerk. Dat komt erop neer dat de leerlingen
per week over een bepaalde periode beschikken waarin zij zelfstandig de
taken van het contract ('de moetjes') moeten uitvoeren. Voor een
beschrijving van de praktische organisatie neemt Anne Boeken ons mee
naar het tweede leerjaar: hoe ziet zo'n contract er concreet uit? wat
zijn aandachtspunten voor een vlot verloop? wat heb ik nodig? Om de
onwennige lezer over de drempel te halen, zet ze tot slot de voordelen
op een rij.)
- Nadine Lambrechts & Gerd Braeckmans.
Kriebelbeesten moet je doen. Zelfstandig werken in de kleuterklas.
Blz. 87-89.
(Dat je ook al in de kleuterklas met contractwerk en hoekenwerk aan
de slag kunt, illustreren twee juffen van de Gesubsidieerde Vrije
Kleuterschool in Duffel.)
- Wouter Brandt.
De meester is een reiziger en de juf, die 'is er even niet'. Op
werkbezoek en in stijgende verbazing: de basisschool revisited. Blz.
91-93.
(Een impressie.)
- Boekbesprekingen (Rubriek 'Ingeboekt'. Blz. 94-104):
- <Door: Anne Boeken:> Debue, A. & E. Van Avondt: Daar
kies ik voor! Leuven: Acco, 1998.
- <Door: Anne Boeken:> Peeters, A. e.a.: Contractwerk. Leuven:
Cego, 1998.
- <Door: Wouter Brandt:> J. van den Berg & J. Bustraan
(red.): Vaardigheden in de steigers. Leuven/Apeldoorn: Garant, 1999.
- <Door: Wouter Brandt:> W. Veugelers & H. Zijlstra (1995):
Netwerken aan de bovenbouw van havo en vwo. Leuven/Apeldoorn: Garant,
1995.
- <Door: Luc Vercammen:> E. de Boer: Handboek vaardigheden
basisvorming / Handboek vaardigheden tweede fase / Handboek zelfstandig
leren tweede fase. Loenen a/d Vecht: Edumedia, 1997/1998/1996.
- <Door: Luc Vercammen:> G. Van Aelst: Werkmap studiemethoden.
Leuven/Apeldoorn: Garant, 1998.
- <Door: Luc Vercammen:> J. van den Akker e.a.: Studiehuis en
onderwijsonderzoek. Leuven/Apeldoorn: Garant, 1998.
- <Door: Luc Vercammen:> W. Veugelers & H. Zijlstra:
Praktijken uit het studiehuis. Leuven/Apeldoorn: Garant, 1997.
- <Door: Luc Vercammen:> I. Engelen: Leren leren, thuis en op
school. Leuven/Apeldoorn: Garant, 1998.
- <Door: Luc Vercammen:> A. Janssens: Ontwikkeling stimuleren.
Werkboek voor ouders en opvoeders. Leuven/Amersfoort: Acco, 1999.
Jaargang 29, nummer 1, september-oktober 1999
Themanummer 'Zelfsturend-zelfstandig leren', deel 1
- Luc Vercammen.
Leren leren en het vak Nederlands. Koele minnaars? Blz. 3-12.
(In het perspectief van leerlinggericht vaardigheidsonderwijs
moet volgens Luc Vercammen gewerkt worden aan een schoolspecifieke
en schoolbrede aanpak van leren leren. Dat houdt in dat een
centrale longitudinale leerlijn van het eerste tot het zesde jaar
secundair onderwijs ontworpen wordt waarop alle vakdidactische
leerlijnen zich enten. De auteur illustreert deze visie met een
casebeschrijving van de school waar hij pedagogisch directeur is:
het Sint-Ritacollege in Kontich, een grote aso-school ten zuiden
van Antwerpen. Hij licht achtereenvolgens toe hoe de globale
leerlijn geleidelijk opgebouwd is, wat het gehanteerde flexibele
evaluatiebeleid precies inhoudt en welke plaats het vak Nederlands
in dit geheel inneemt.)
- Sonja De Craemer.
Leren leren. Een invulling vanuit de wetenschappen. Blz. 14.
(Rubriek 'Grof geschud'.)
- Gerd Cornelissen.
Van een leerlijn 'leren leren' op school naar een aanzet tot
zelfsturend-zelfstandig leren in het vak Nederlands. Blz. 15-27.
(Gerd Cornelissen is leerkracht Nederlands in de derde graad
aso van het Sint-Ritacollege. Zij pikt de draad van Luc Vercammen
weer op en geeft aan op welke manier haar didactische aanpak van
het vak Nederlands beïnvloed is door de centrale leerlijn
'leren leren' op school. Haar eigen bewustwordingsproces vat ze
chronologisch samen in een drietal stappen: van (1) kennismaken met
studiemethoden en verwerkingsstrategieën over (2) een eerste
aanzet tot zelfstandig werken naar (3) een voorzichtige vorm van
zelfsturend leren. Met concrete voorbeelden voor het vijfde en het
zesde jaar aso stoffeert ze haar inspirerende verhaal.)
- Peter Van Petegem & Sven De Maeyer.
Zelfverantwoordelijk leren en leerstijlgeoriënteerde
studiebegeleiding. Blz. 29-46.
(Uit onderzoek blijkt dat de wijze waarop leerlingen leren, in
hoge mate bepalend is voor de leerresultaten die ze behalen. Het
begrip 'leerstijlen' blijkt een vruchtbaar concept om
praktijkrelevante uitspraken te doen over de manieren van leren.
Peter Van Petegem & Sven De Maeyer deden onderzoek naar de
leerstijlen van leerlingen uit het zesde jaar aso in relatie tot
een opzet rond zelfverantwoordelijk leren. Na een schets van het
theoretisch kader brengen ze verslag uit over dit onderzoek, dat op
de school van Luc Vercammen en Gerd Cornelissen plaatsvond. De
eerste resultaten zijn zeer bemoedigend en geven een extra
stimulans om op de ingeslagen weg verder te gaan.)
- Gerda Witters.
Leren leren in de B-stroom van de eerste graad... onze visie.
Blz. 48.
(Rubriek 'Grof geschud'.)
- Koen Van Gorp.
Leren, dat doe je gewoon! Leren leren in
wereldoriëntatie-onderwijs in de basisschool. Blz. 49-56.
(In het basisonderwijs blijken veel leerlingen niet in staat om
zelfstandig informatie te verwerken of om hun eigen leerproces te
sturen. Met een probleemanalyse van het
wereldoriëntatie-onderwijs legt Koen Van Gorp de vinger op de
wonde: het onderwijs is nog te veel op de overdracht van abstracte,
gedecontextualiseerde kennis gericht. 'Goed' onderwijs daarentegen
is zelfontdekkend en probleemoplossend; de link met de taakgerichte
aanpak is voor de auteur meteen duidelijk. Aan de hand van enkele
concrete voorbeelden uit het wo-onderwijs presenteert hij tot slot
een stukje didactiek.)
- Vic Damen.
Leren leren en zelfstandig werken. Een reactie vanuit de
biologiedidactiek. Blz. 58.
(Rubriek 'Grof geschud'.)
- Willy Sleurs.
Remediëring van leesproblemen. Niet alleen een zaak voor
taalleerkrachten. Blz. 59-74.
(Leraren van de positief-wetenschappelijke vakken gaan er
meestal van uit dat de leerlingen van het secundair onderwijs
vaardig genoeg zijn in begrijpend lezen om de aangeboden
(wetenschappelijke) teksten te begrijpen. Nochtans ligt een
gebrekkige leesvaardigheid vaak aan de basis van veel
leerproblemen. Willy Sleurs, zelf leraar en vakdidacticus biologie,
heeft zich in deze problematiek verdiept. Hij stelt drie soorten
diagnostische toetsen voor om de mate van begrijpend lezen te
meten. Aan het Heilig-Drievuldigheidscollege, een middelgrote
Leuvense school, heeft hij een drieledig remediëringsprogramma
opgezet voor leerlingen met leermoeilijkheden voor het vak
biologie. De eerste resultaten zijn bemoedigend.)
- Tom Sleeuwaert.
Leren noteren. Blz. 75-83.
(Luisteren naar leerstof of naar informatieve teksten, met
daaraan gekoppeld het maken van studeerbare notities, is een
belangrijke vaardigheid in functie van leren leren. Tom Sleeuwaert
stelt voor elke stap van het luisterproces (voorbereiden, uitvoeren
en terugblikken) een mogelijke didactische aanpak voor die in de
laatste jaren van het secundair onderwijs geïntroduceerd kan
worden. Dat leren noteren niet alleen geoefend moet worden tijdens
de lessen Nederlands staat ook voor hem buiten kijf.)
- Wilfried De Hert.
Het T-kopje. Blz. 85-89.
(Rubriek 'VON geschud'.)
- Wouter Brandt.
Het Studiehuis. Overzicht van de algemene principes. Blz.
91-92.
(Inleiding op de recensierubriek.)
- Boekbesprekingen (Rubriek 'Ingeboekt'. Blz. 93-99.):
- <Door: Wouter Brandt:> W. Veugelers & H. Zijlstra
(red.): Lesgeven in het Studiehuis. Leuven: Garant, 1998.
- <Door: Wouter Brandt:> J.S. Ten Brinke e.a. (red.): Vakken
vullen in het studiehuis. Leuven: Garant, 1998.
- <Door: Wouter Brandt:> L. Bosman e.a.: Jongeren aanspreken
op hun leer-kracht. Leuven/Amersfoort: Acco, 1998.
- <Door: Wouter Brandt:> M. Elshout-Mohr & T. Moerkamp:
Een theoretische verkenning van leren leren. 's-Hertogenbosch:
CINOP, 1998.
- Wouter Brandt.
En nu uit de impasse! Blz. 100-101.
(Rubriek 'Grod geschud'.)
- Ingeblikt. Blz. 102-105.
Korte inhoud van: Spiegel 16/2 (1998); Moer 1999/3-4; Levende
Talen 540-541; Schokla 40/2-4; Spetter; Pockets voor de jeugd;
Gezelle-publicaties; Ons Erfdeel 1999/2-3; WaNT, tijdschrift van de
Warande; publicaties van het Vlaams Theater Instituut.
Jaargang 28, nummer 5, mei-juni 1999
- Saskia Timmermans & Yvette van Eekelen.
'Juf, ik stop niet meer als ik lees!' Taakgericht
Remediërend Lezen in de basisschool. Blz. 3-10.
(Vanuit de vaststelling dat goede leesvaardigheid en leesplezier
vaak hand in hand gaan, is op het Steunpunt NT2 van de KU Leuven een
project 'Taakgericht Remediërend Lezen' van start gegaan waarin
verschillende aspecten van lezen geïntegreerd zijn. Zo is onder
meer lesmateriaal ontwikkeld waarbij de leesvaardigheid van zwakke
lezers verbeterd wordt door hen motiverende, uitdagende
leesopdrachten aan te bieden binnen een functionele context. Saskia
Timmermans & Yvette van Eekelen stellen het project kort voor:
de inbedding, de doelgroep, de opzet, en de uitgangspunten bij de
ontwikkeling van het lesmateriaal. Voorbeelden uit 'De Dolle
Dierenkrant' voor het tweede leerjaar en 'Een heel bijzondere
familie' voor het derde leerjaar illustreren het geheel.)
- Jan Staes.
Theater in de eerste graad. Kijken en beleven. Blz. 11-20.
(De term 'dramatische vorming' raakt in het basisonderwijs
stilaan ingeburgerd, maar krijgt in het secundair onderwijs pas de
nodige aandacht in de derde graad. Volgens Jan Staes is het echter
essentieel om ook al in de eerste graad met en rond drama te werken.
Aan de hand van actieve dramaoefeningen leert hij leerlingen kijken
naar voorstellingen en, meer nog, theater ervaren. Na een inleidende
fase waarin de theatercodes worden geïntroduceerd, komen in de
lessenreeks de volgende stappen aan bod: kijkverwachting oproepen,
kijken en luisteren, eerste reacties formuleren, reflecteren, en
creatief verwerken. Wat meteen in het oog springt, is de parallel met
de bespreking van een jeugdboek(fragment) waarbij leesbeleving
centraal staat. De auteur stoffeert zijn bijdrage met tal van
eenvoudige, inspirerende oefeningen.)
- Fons Vandergraesen.
De instructie. Blz. 21-33.
(Leerlingen moeten dagelijks heel wat taken en opdrachten
uitvoeren. Het goed begrijpen van instructies is noodzakelijk bij het
grondig verwerken van leerstof en kennis. Ondanks de complexiteit en
het belang van deze vaardigheid wordt in het onderwijs weinig
aandacht besteed aan het aspect 'instructie', aldus Fons
Vandergraesen. In zijn bijdrage gaat hij dieper in op deze
monologische gesprekssituatie waarbij iemand de opdracht krijgt de
ingewonnen informatie om te zetten in een nauwkeurig te controleren
handeling. De voorgestelde lessenreeks kent een stapsgewijze opbouw.
Als introductie worden een aantal gesprekssituaties geanalyseerd,
vervolgens wordt de monologische situatie belicht, en ten slotte
wordt verder geoefend op de instructie met aanloopoefeningen en
ruimere opdrachten.)
- Jes Leysen & Ann De Schryver.
Geboekt en niet geboekt. Bespreking van en aanvullingen op een
vademecum NT2. Blz. 35-47
('Nederlands als tweede taal in de volwasseneneducatie' (Hulstijn
e.a. 1996) bespreekt een tiental belangrijke onderwerpen uit het
NT2-onderwijs, vanuit de lespraktijk en tegen een wetenschappelijke
achtergrond. Jes Leysen & Ann De Schryver zijn erg enthousiast
over dit vademecum dat volgens hen een ruimere verspreiding moet
kennen, zowel bij andere talen als in andere onderwijsvormen en
-niveaus. Toch hebben ze ook een aantal opmerkelijke hiaten
vastgesteld, onder andere wat bepaalde recente ontwikkelingen
betreft. Hun recensie mondt uit in een heus artikel als ze vanuit hun
eigen lespraktijk een aantal aanvullingen en didactische tips
formuleren met betrekking tot de volgende thema's: instructies, NT2
in andere vakken, mediatoren, 'Total Physical Response, body
grammar', en taakgericht werken.)
- Ronald Soetaert.
Bombardementen in taal en media. Blz. 49-57.
(Rubriek 'Grof geschud'.)
- Jan T'Sas.
Huiswerk- en taalsites. Blz. 59-61.
(Rubriek 'Interkl@s'.)
- Boekbesprekingen (Rubriek 'Ingeboekt'. Blz. 63-64.):
- <Door: Dirk Lenart:> Jef Van Gool & Jooris Van
Hulle (red.): Praktijkboek voor leeskringen. Leuven: Davidsfonds,
1997.
- <Zie ook de bijdrage van Jes Leysen en Ann De Schryver in dit
nummer:> Jan Hulstijn e.a. (red.): Nederlands als tweede taal in
de volwasseneneducatie. Handboek voor leerkrachten in de
volwasseneneducatie. Amsterdam: Meulenhoff Educatief, 1996.
- Ingeblikt. Blz. 65-68.
Korte inhoud van:
Moer 1999/1-2; Werkblad voor Nederlandse Didactiek 27/2-4;
Levende Talen 536-539; publicaties van het Vlaams Theater Instituut;
Ons Erfdeel 1999/1.
- Jaarregister 28e jaargang. Blz. 69-74.
Jaargang 28, nummer 4, maart-april 1999
Themanummer Beoordeling totaalmethodes
- Rita Rymenans.
Is vervolgd... Een vergelijkend warenonderzoek van de
totaalmethodes Nederlands voor de eerste graad secundair onderwijs.
Blz. 3-11.
(Precies drie jaar geleden publiceerde dit tijdschrift, ter
gelegenheid van 25 jaar VON, een schoolboekennummer met daarin een
jurybeoordeling van elf totaalmethodes Nederlands voor de eerste
graad secundair onderwijs (A-stroom). De invoering van de eindtermen
voor de eerste graad en de nieuwe spelling hebben het
methodelandschap sindsdien grondig hertekend. Daarom heeft VON(K) het
beoordelingswerk voor de nieuwe methodes overgedaan met de bedoeling
die op te volgen tot in de hogere graden. Nieuw is dat nu ook het
methodeaanbod voor de B-stroom onder de loep is genomen. Rita
Rymenans pakt in dit inleidend artikel de draad weer op in april 1996
en schetst het verloop van deze tweede beoordelingsronde.)
- VON(K)-Werkgroep Schoolboeken.
Criteria voor de beoordeling van de totaalmethodes Nederlands
voor de eerste graad secundair onderwijs (A-stroom). Blz. 14-25.
(De oorspronkelijke criteria voor de beoordeling van de
totaalmethodes Nederlands voor de eerste graad secundair onderwijs
(A-stroom) - in 1996 opgesteld door de toenmalige VON(K)-Werkgroep
Schoolboeken - zijn door een aantal kritische ogen bekeken. Op een
paar punten en komma's na heeft de Werkgroep geen grote wijzigingen
aan het oorspronkelijke concept aangebracht. Ter verduidelijking voor
de lezer/gebruiker zijn verwijzingen toegevoegd naar de eindtermen
voor de A-stroom van de eerste graad secundair onderwijs die
inmiddels goedgekeurd waren.)
- Wilfried De Hert, Rita Rymenans & Luc Vercammen.
Gewikt, gewogen en goed beVONden? (bis) Beoordeling van de
methodes Nederlands voor de eerste graad secundair onderwijs
(A-stroom). Blz. 27-46.
(Twaalf totaalmethodes voor de eerste graad secundair onderwijs
(A-stroom) zijn door drie jury's van beoordelaars doorgelicht op vier
vlakken: vakinhouden, didactische aanpak, gebruiksvriendelijkheid en
uiterlijke vormgeving. De drie juryvoorzitters presenteren in deze
bijdrage de resultaten van dit gigantische beoordelingswerk. Naast
een volledige bibliografische beschrijving van elke beoordeelde
methode, worden de plussen en minnen tegen elkaar afgewogen in een
overzichtstabel en in een uitgeschreven eindoordeel per methode.)
- VON(K)-Werkgroep Schoolboeken.
Criteria voor de beoordeling van de totaalmethodes Nederlands
voor de eerste graad secundair onderwijs (B-stroom). Blz. 48-57.
(De criteria die oorspronkelijk opgesteld waren voor de
beoordeling van de totaalmethodes Nederlands voor de A-stroom van de
eerste graad secundair onderwijs zijn door de juryleden voor de
B-stroom aangepast aan de doelgroep. De meeste criteria zijn overeind
gebleven; ze moeten weliswaar in het hoofd van de leraar/gebruiker
vertaald worden naar het niveau van dat type leerling. Wel zijn een
aantal criteria weggevallen en werden er enkele nieuwe toegevoegd.
Ook hier vindt u verwijzingen naar de ontwikkelingsdoelen voor de
B-stroom van de eerste graad secundair onderwijs.)
- Luc Wyns.
Methodes Nederlands voor de B-stroom van de eerste graad
secundair onderwijs. Huilen met de pet op! Blz. 58-67.
(Voor de B-stroom van de eerste graad secundair onderwijs is het
methodeaanbod vrij beperkt: vier totaalmethodes zijn door vier
juryleden aan een vergelijkend warenonderzoek onderworpen. In deze
bijdrage worden de resultaten door voorzitter Luc Wyns op
verschillende manieren gepresenteerd: naast een bibliografische
beschrijving en een uitgeschreven juryoordeel van elke beoordeelde
methode vat hij de plussen en minnen in een overzichtstabel samen.
Omdat de balans vaak naar het negatieve overslaat, voegt hij er
enkele slotbedenkingen over het methodeaanbod voor de B-stroom aan
toe.)
- Marc Stevens.
Nieuwe wijn of nieuwe zakken? Nieuwe taalmethodes Nederlands voor
de lagere school. Blz. 70-95.
(Drie jaar geleden maakte Marc Stevens zich in hetzelfde
'schoolboekennummer' boos over de kwaliteit van de totaalmethodes
Nederlands voor de lagere school. Dat de uitgevers na de invoering
van de eindtermen en de nieuwe leerplannen voor het lager onderwijs
niet hebben stilgezeten, is de auteur zeker niet ontgaan. Ook hij
heeft de spreekwoordelijke koe weer bij de horens gevat en in zijn
eentje vijf nieuwe totaalmethodes voor deze doelgroep tegen het licht
gehouden van elf criteria. Dat zijn verhaal al heel wat
optimistischer klinkt dan in 1996, zal iedereen vrolijk stemmen, de
auteur niet in het minst.)
- Ronald Soetaert.
Het Schoolboek. Een boekhouding. Blz. 96-100.
(Rubriek 'Grof geschud'.)
Jaargang 28, nummer 3, januari-februari 1999
Themanummer Taalbeschouwing
- Jan T'Sas.
"Ik doe dat niet!" Blz. 3-6.
(De vernieuwingen in het onderwijs taalbeschouwing worden niet
door alle leraren in dank afgenomen, zo blijkt uit de titel van deze
bijdrage. Jan T'Sas legt de vinger op de wonde in zijn inleiding op
dit themanummer. Wat de vernieuwingen in de leerplannen precies
inhouden en hoe er didactisch mee omgesprongen kan worden, licht hij
vervolgens kort toe. Een inductieve aanpak en de integratie van
taalvaardigheid en taalbeschouwing staan hierbij centraal. In de
overige artikels van dit nummer worden deze principes concreet
uitgewerkt.)
- Marc Stevens.
Voorwaarden voor een leerrijk taalbeschouwingsonderwijs. Blz.
7-24.
(Leerrijk taalbeschouwingsonderwijs moet aan een aantal
voorwaarden voldoen, aldus Marc Stevens. Ingebed in een reismetafoor
noemt hij er vijf: aan de slag gaan met echt, levend en betekenisvol
taalmateriaal; inductief lesgeven; op het gepaste niveau van concreet
naar abstract werken; op een correcte manier tegen taal aankijken;
leerlingen motiveren door gevarieerde taalbeschouwingslessen aan te
bieden. Hij stoffeert zijn standpunten met tal van inspirerende
voorbeelden voor het basis- en het secundair onderwijs.)
- Jannemieke van de Gein.
Wat is hier het onderwerp. Blz. 25-33.
(Taalbeschouwing staat in het basisonderwijs nog in de
kinderschoenen, ook in Nederland. Volgens Jannemieke van de Gein
bestaat daar wel overeenstemming over de inhoud, maar laten de
didactische uitwerkingen nog veel te wensen over. In deze bijdrage
licht ze eerst de leerzame en de nuttige kant van strategisch
taalbeschouwingsonderwijs toe om vervolgens even stil te staan bij de
mogelijke oorzaken van de mislukking. Ten slotte illustreert ze aan
de hand van twee suggesties (experimenteren met interpunctie en het
herkennen van samenstellingen) haar stelling dat het onderwerp
(taal!) serieus moet worden genomen.)
- Ides Callebaut.
Hoe probeer ik (toekomstige) leraren van de basisschool tot de
nieuwe taalbeschouwing over te halen? Blz. 35-44.
(De leraren uit het artikel van Jan T'Sas moeten nog tot de
nieuwe taalbeschouwing overgehaald worden. Hoe Ides Callebaut
(toekomstige) leraren van de basisschool probeert te overtuigen,
demonstreert hij aan de hand van twee lessen die hij gegeven heeft in
de basisschool en in de lerarenopleiding. Met het eerste voorbeeld
toont hij aan dat je met leerlingen van het vierde leerjaar en
toekomstige onderwijzers naar de structuur van zinnen kunt kijken als
naar de structuur van bomen. In het tweede voorbeeld staat voor beide
doelgroepen het kijken naar beeldtaal centraal.)
- Hendrik Cornilly.
Spellen en taal in het basisonderwijs. Blz. 45-62.
(Het Vlaams Spellenarchief heeft ongeveer 2000
gezelschapsspellen in zijn bezit. In deze Spiekerskorner stelt
Hendrik Cornilly de verschillende soorten taalspellen voor die
aanleiding kunnen geven tot tal van taalbeschouwelijke activiteiten
in het basis- (en secundair) onderwijs.)
- Katrien Durnez & Fransien Vandermeersch.
Taalvaardigheid en taalbeschouwing. Een interessant duo. Blz.
63-74.
(Taalvaardigheid en taalbeschouwing kunnen ook in de derde graad
van het secundair onderwijs op een geïntegreerde manier
aangepakt worden. Hoe dat concreet kan, illustreren Katrien Durnez
& Fransien Vandermeersch aan de hand van drie lesvoorbeelden met
taalkundige onderwerpen. In het eerste voorbeeld staat het kijken en
luisteren naar een video over de spelling van het Nederlands
centraal. De tweede lessenreeks concentreert zich op het lezen en
spreken naar aanleiding van diverse artikelen uit De
StandaardTAAL. Het derde voorbeeld ten slotte demonstreert hoe
leerlingen informatie over de ontwikkeling van het Middelnederlands
vanuit drie verschillende media leren benaderen.)
- Ronald Soetaert.
Grof geschud en zorgvuldig gezeefd. Taalbeschouwing voor alle
mensen van goede wil. Blz. 75-79.
(Rubriek 'Grof geschud'.)
- Guy De Troyer.
Kid City. Blz. 81-83.
(Rubriek 'Interkl@s'.)
- Boekbesprekingen (Rubriek 'Ingeboekt'. Blz. 85-88.):
- <Door: Joke Verbeek:> Rob Belemans & Jos Van
Thienen. Ich kal ooch Limburgs. Creatief lespakket voor de tweede en
derde graad van het secundair onderwijs. Hasselt, Provinciebestuur
Limburg, 1998.
- Ingeblikt. Blz. 89-90.
Korte inhoud van: Moer 1998/6, Werkblad voor Nederlandse
Didactiek 27/1, Mijn eigen taal, Handboek voor schrijvers, Ons
Erfdeel 41/4&5.
Jaargang 28, nummer 2, november-december 1998
- Marc Stevens.
Kretologietijd. Blz. 3-12.
("Om een interessante term te construeren, neemt u een
toevallig woord uit de eerste kolom en u verbindt dat met een toe-
vallig woord uit de tweede kolom en een uit de derde kolom."
Zo eenvoudig is het, volgens Marc Stevens, om een groot
'windbluffer' te worden. Hij illustreert zijn bewering met een
zestal gonsgeneratoren of kretologiemixers die tot tal van
taalbeschouwelijke activiteiten in verband met het gebruik van
registers aanleiding kunnen geven. Wie er maar niet genoeg van
krijgt, kan verder grasduinen in de ronkende referenties of zich
laten verleiden tot een buzzword-bingo op het Internet.)
- Jan Van Maele & Rita Devos.
C/cultuur door video in een beginnerscursus Nederlands voor
anderstaligen. Blz. 14-20.
(Wie van zijn (anderstalige) leerlingen intercultureel
communicatief vaardige taalgebruikers wil maken, kan veel profijt
halen uit een leergang die videomateriaal bevat. Jan Van Maele en
Rita Devos maken deze stelling hard aan de hand van een analyse
van de interculturele component in de video bij
Vanzelfsprekend, een basisleergang Nederlands voor
hooggeschoolde anderstaligen. Daarbij onderscheiden ze drie
benaderingen van cultuur: cultuur als kennis van land en volk,
cultuur als conceptueel systeem, en cultuur in de taal.)
- Ronald Sledsens.
Tips voor het gebruik van video in de klas. Blz. 21-23.
(Rubriek 'Spiekerskorner'.)
- Katrijn Hillewaere.
Sociale integratie van anderstalige nieuwkomers. Blz. 24-32.
(Katrijn Hillewaere gaat op zoek naar kenmerken van de
klasomgeving die een vlotte sociale integratie van anderstalige
nieuwkomers op school bewerkstelligen. Op basis van een evaluatie-
onderzoek uitgevoerd door het Steunpunt ICO van de Universiteit
Gent, komt ze tot de vaststelling dat reguliere leerkrachten
hierbij een cruciale rol spelen. Het is immers tijdens deze lessen
dat de leerlingen in contact komen met hun Vlaamse leeftijdge-
noten. De auteur zet een aantal efficiënte handelingen op een
rijtje, die evenzeer gelden voor de onthaalleerkracht. Goed
observeren is de boodschap.)
- Gilbert Deketelaere.
Internet en het vak Nederlands. Drie Internet-projecten in het
Sint-Godelievecollege in Gistel. Blz. 33-42.
(Rubriek 'Spiekerskorner'.)
- Luc Vercoutter.
SchoolNET-website. Blz. 43-45.
(Rubriek 'Interkl@s'.)
- Ronald Soetaert.
Vader, waarom leren wij? Moeder, waarom leven wij? Blz. 46-49.
(Rubriek 'Grof geschud'.)
- Boekbesprekingen (Rubriek 'Ingeboekt'):
- <Door: Wouter Brandt, op blz. 50-52:> Peter M.
Nieuwenhuijsen. Het verschijnsel taal. Een kennismaking. Coutinho,
Bussum, 1995.
- Ingeblikt. Blz. 53-54.
(Korte inhoud van: Het Schoolvak Nederlands 1998, Moer 1998/5,
Leesgoed 1998/4, Spiegel 16/1, SLO-publicaties voor
PABO-docenten.)
Jaargang 28, nummer 1, september-oktober 1998
Themanummer over de nieuwe media.
- Ronald Soetaert.
Voornemens voor het Millennium. En het schooljaar. Blz. 3-10.
(Wie aan de introductie van nieuwe media in het schoolvak
Nederlands denkt, komt onvermijdelijk bij Ronald Soetaert uit,
vakdidacticus en lerarenopleider aan de Universiteit Gent. Dit
themanummer kon volgens de redactie dan ook door niemand beter dan
deze notoire voorstander ingeleid worden. Gewapend met zijn draagbare
computer trok hij zich terug 'in the middle of nowhere', met de hete
adem van de deadline voor Vonk in zijn nek. Vanuit zijn vakantiehuis
in de Vlaamse Ardennen stuurde hij de redactie een elektronische
brief in afleveringen. Boeken, kranten, radio- en tv-programma's
zetten hem aan tot mijmeringen en bespiegelingen over de rol die de
nieuwe media spelen in het taalonderwijs, over de implicaties ervan
op ons vakgebied en de leraar voor de klas.)
- Michel Couzijn & Lizan Zonneveld.
Het I.M.-project. Leerlingen discussiëren via e-mail over
een literair werk. Blz. 11-18.
(Rubriek 'Spiekerskorner'.)
- Mieke Devlieger.
De computer en taakgericht taalonderwijs. Een avontuur. Blz.
20-35.
(Na wat grasduinen in de geschiedenis van het computerondersteund
taalonderwijs komt Mieke Devlieger tot de bevinding dat multimedia
een duidelijke meerwaarde heeft in het kader van taakgericht
onderwijs. Interessante pakketten zijn de zogenaamde 'adventure
games' die de vrijetijdsmarkt overspoelen, en waarin de gebruiker
binnen een raamverhaal geconfronteerd wordt met diverse
probleemsituaties die hij moet oplossen. Ter illustratie beschrijft
ze een aantal producten voor kinderen en volwassenen, die een beroep
doen op tal van schoolse (talige) vaardigheden en waarmee een
creatieve leerkracht aan de slag kan. Geïnspireerd door die
avonturenverhalen heeft het Steunpunt NT2 van de KU Leuven
demopakketten ontwikkeld voor laaggeschoolde anderstalige volwassenen
en voor kinderen. Evaluatie-onderzoek heeft een aantal pro's en
contra's aan het licht gebracht.)
- Patrick Keysabyl.
Triangeltips. Blz. 37-41.
(Rubriek 'Spiekerskorner'.)
- Edward Vanhoutte.
Van poëzie naar context, van context naar poëzie.
Virtuele seminaries voor het literatuuronderwijs. Blz. 43-51.
(Het herkennen en opsporen van intertekstuele referenties is
essentieel bij het lezen van een gedicht. Leerlingen hebben het daar
vaak moeilijk mee omdat ze nog niet genoeg teksten gelezen hebben. De
taak van de leraar bestaat er dan in de leerling te helpen bij het
ontdekken en expliciteren van deze intertekstuele relaties. Het
probleem is echter dat daarbij heel wat materiaal komt kijken dat
bovendien erg verspreid is. Volgens Edward Vanhoutte kan hypertekst
een oplossing bieden voor dit didactische en praktische probleem. Hij
illustreert zijn stelling aan de hand van een mogelijk virtueel
seminarie rond het gedicht Marsua van Hugo Claus. In tegenstelling
tot de ons omringende taalgebieden zijn virtuele literatuurseminaries
voor het Nederlands nog niet beschikbaar. En dat is niet het enige
probleem...)
- Marc Hoefkens.
Poëzome, een Internet-poëzieproject. Blz. 53-58.
(Rubriek 'Spiekerskorner'.)
- Jan T'Sas.
Alle grenzen open. Blz. 60-75.
(De meerderheid van de Vlaamse leraren gebruikt een computer bij
lesvoorbereidingen en administratie. Het aantal Internetgebruikers
onder hen is minder talrijk, maar het neemt toe. Ook het aantal
Vlaamse scholen met een Internetaansluiting is op drie jaar tijd
toegenomen van vijftig tot bijna zevenhonderd. Jan T'Sas grijpt een
aantal concrete praktijkvoorbeelden aan om de leken onder ons in te
wijden in de geheimen van het net: e-mailen, chatten, news groups,
sites en links, kortom, alles wat u ooit wilde weten, maar aan
niemand durfde te vragen... Voor de meer ervaren surfers heeft hij
een indrukwekkend aantal interessante onderwijssites bij elkaar
gesprokkeld. Wie echter eerst een publicatie over Internet wil
raadplegen, blijft evenmin op zijn honger zitten: een beknopte
bloemlezing sluit deze praktische Internetbijdrage af. )
- Lieven Van Parys.
Mijn school op het 'web'. Blz. 77-81.
(Rubriek 'Spiekerskorner'.)
- Ingeblikt. Blz. 83-86.
Korte inhoud van: Durfkrant (sept. 1998), Blikopener, Reflex,
Puzzelkwartiertje, Moer 1998/4, Leesgoed 25/3, Bulkboek, Spiegel
15/3, Studie en Onderzoek (deel 19 en 27).
Jaargang 27, nummer 5, mei-juni 1998
- Helge Bonset.
Contouren van een didactiek van de mondelinge vaardigheden.
Blz. 3-22.
(Mondelinge taalvaardigheid is een belangrijk onderdeel van het
vak Nederlands, maar er wordt in het onderwijs weinig aandacht aan
besteed, zo is uit onderzoek herhaaldelijk gebleken. Dat het een
bijzonder complex gebied is met veel onopgeloste vragen, blijkt
duidelijk uit deze bijdrage van Helge Bonset waarin hij de
contouren van een didactiek van de mondelinge vaardigheden schetst.
Achtereenvolgens stelt hij vier hoofdvragen aan de orde die
betrekking hebben op de selectie en opbouw van taken; de
verschillen in taalvaardigheid tussen leerlingen; de fasering van
lessen en eisen aan opdrachten; en het beoordelen van de prestaties
van leerlingen. Het zoeken naar antwoorden is ten dele overgelaten
aan vier themagroepen op de methodeconferentie voor de eerste graad
secundair onderwijs, georganiseerd door het Platform Onderwijs
Nederlands van de Nederlandse Taalunie. Een synthese van de
discussies die daar gevoerd zijn, is als bijlage bij dit artikel
opgenomen.)
- Kris Van den Branden.
Leerkrachtvaardigheden in spreek- en luisteronderwijs. Blz.
24-39.
(Bij spreek- en luisteronderwijs in de basisschool speelt de
leraar een cruciale rol, aldus Kris Van den Branden. Een
belangrijke factor waar je als leraar achteraan moet, is de
intrinsieke motivatie van kinderen om te spreken en te luisteren.
Die 'spreekdrang' en 'luisterhonger' moeten niet alleen losgeweekt,
maar ook hooggehouden worden door in te spelen op de inbreng van de
leerlingen en te vertrouwen op hun competentie. Daarbovenop moet de
leraar ervoor zorgen dat de leerlingen de grenzen van hun
mondelinge taalvaardigheid voortdurend verleggen. Dat stelt een
aantal eisen aan de interactie die in de klas plaatsvindt, zowel
bij de taallessen als bij de andere 'vakken'. Het basisprincipe dat
aan de gedragingen en de attitudes van de leraar ten grondslag moet
liggen, is dat van de leerlinggerichtheid. De auteur staaft zijn
betoog door middel van sprekende lesprotocollen.)
- Luc Vercammen.
Hoe spel je remediëring? Blz. 40-51.
(Leerlinggerichtheid is eveneens het sleutelwoord in de
bijdrage van Luc Vercammen. Hij schetst het beeld van een typische
'aso-school' die resoluut gekozen heeft voor de opvang van
taalleerproblemen. Voorlopig wordt alleen gewerkt aan de opvang van
leerlingen met spellingproblemen in het eerste jaar, maar er bestaan
plannen om de remediëring uit te breiden tot het leesonderwijs en
de vreemde talen. Het verhaal begint bij de afbakening van het
werkterrein en de bewustmaking van het hele lerarenteam. Vervolgens is
een beleidsplan uitgestippeld dat nu een volledig schooljaar gelopen
heeft. De problemen die aan het licht zijn gekomen, hebben vooral
betrekking op de kloof tussen de remediëringslessen en de
reguliere lessen Nederlands die door middel van interne navorming
gedicht moet worden. De eerste resultaten lijken zo veelbelovend dat
het schoolteam vastberaden op de ingeslagen weg wil verdergaan.)
- Luc Wyns.
Zelfstandigheidsdidactiek binnen PAV. Blz. 53-64
(De filosofie achter PAV (Project Algemene Vakken) in het
beroepsonderwijs is dat een aantal vakken geïntegreerd
aangeboden wordt, wat maakt dat de verschillende vaardigheden ook
geïntegreerd aan bod kunnen komen. Geïntegreerd onderwijs en
zelfstandig werken zijn volgens Luc Wyns onlosmakelijk met elkaar
verbonden. Bij geïntegreerde opdrachten is het immers de bedoeling
dat leerlingen zelfstandig de keuze maken welke stappen,
strategieën en vaardigheden gebruikt moeten worden om een bepaald
probleem op te lossen. En dat is precies zijn werkdefinitie van
'zelfstandig werken'. In het tweede deel van het artikel laat hij heel
concreet zien hoe die inzichten naar de klaspraktijk vertaald kunnen
worden. Hij geeft een stimulerende beschrijving van een project
zelfstandig werken in het derde jaar bso, van de opdrachtformulering
over het verloop van de activiteiten tot en met de evaluatie. Dat de
leerlingen gemotiveerd zijn en bereid om zich in te zetten, geeft
voldoening, ook aan de leraar.)
- Ingeblikt. Blz. 66-67.
Korte inhoud van: Moer 1998/2, Gids niet-commerciële
uitgaven en activiteiten voor het basisonderwijs, Klapper 5/4 en
leermiddelenonderzichten SLO/NICL.
- Jaarregister 27e jaargang. Blz. 69-73.
Jaargang 27, nummer 4, maart-april 1998
Themanummer Literatuuronderwijs: grenscorrecties - verslag van
een conferentie georganiseerd aan de Universiteit Gent op
22/11/97.
- Ronald Soetaert & Rob van Kranenburg.
'Culturele studies' in het taalonderwijs. Cultuur en taal in
een netwerk. Blz. 4-14.
(Ronald Soetaert en Rob van Kranenburg openen dit themanummer
met een 'state of the art', gecombineerd met de vraag naar de 'arts
of the future'. Hun verhaal begint in de vroege jaren '70 met de
introductie van de communicatieve benadering binnen het
taalonderwijs. Als reactie tegen het traditioneel
literatuuronderwijs stond niet langer Literatuur met een grote L
centraal, maar wel de leerling/lezer. Steeds meer vaste grenzen
gingen vervagen: tussen Westerse en niet-Westerse, elitaire en
populaire, tekstuele en audiovisuele literatuur, ruimer nog
cultuur. De auteurs stellen een herziening van het literaire
curriculum voor vanuit het perspectief van de discipline 'culturele
studies' en vanuit recente inzichten uit het taalonderwijs.)
- Johan van Iseghem.
Literaire competentie. De mazen van het net. Blz. 16-24.
(Op basis van zes jaren begeleidingspraktijk en klasobservatie
in het secundair onderwijs stelt Johan van Iseghem een aantal
aandachtspunten centraal naar de betekenis van het begrip
'literaire competentie'. Uitgaande van een definitie van een
'literair competente lezer' illustreert hij in deze bijdrage dat de
didactische literatuur en de klaspraktijk helemaal niet zo helder
zijn als de consensus over de doelstellingen wil laten
veronderstellen. Hij breekt een lans voor zoveel mogelijk
verschillende benaderingen van teksten vanuit een brede context en
met een functionalistische invalshoek. In dat perspectief pleit hij
voor de interactie tussen goed literatuuronderwijs en zinvol
taalvaardigheids- en taalbeschouwingsonderwijs.)
- Wam de Moor.
De toekomst van het literatuur- (en kunst)onderwijs in
Nederland. Blz. 26-37.
(In Nederland lijkt het beleid de band tussen
literatuuronderwijs en onderwijs Nederlands te hebben losgelaten.
Bij de curriculumherziening voor de bovenbouw van het algemeen
vormend secundair onderwijs wordt voor alle leerlingen het vak
'Culturele en Kunstzinnige Vorming 1' ingevoerd. Verder kan het
literatuuronderwijs bij Nederlands en de moderne vreemde talen
samengevoegd worden tot 'Geïntegreerd Literatuuronderwijs'.
Tegen de achtergrond van die vernieuwingen tracht Wam de Moor een
antwoord te formuleren op volgende vragen: welke vormen en inhouden
zijn typisch voor literatuur? hoe kun je leerlingen
enthousiasmeren? wat zijn kunstervaringsmethoden? hoe beoordeel je
leerlingen op hun omgang met literatuur? en waar is er sprake van
overlap met andere kunstvormen?)
- Mark Van Bavel.
Pleidooi voor een leerlinggericht curriculum voor literair
lezen. Blz. 39-45.
(Hoe de vele grenscorrecties structureel ingebed worden in de
Vlaamse leerplannen toont Mark Van Bavel in zijn pleidooi voor een
leerlinggerichte benadering van literair lezen in het secundair
onderwijs. Aan de hand van drie thematische gedichten over lezen
loopt hij het curriculum langs. De leraren van de eerste graad
vervullen hierin een sleutelrol: het is uitermate belangrijk dat
zij de tekst- en leeservaring van de leerlingen ernstig nemen. In
de volgende graden wordt deze ervaringsgerichte lijn doorgetrokken
en aangevuld met tekstbestudering. Als ultieme streefdoel wordt
literaire competentie vooropgesteld.)
- Cor Geljon.
Houd altijd Ithaka in gedachten. Over de grenzen van de
Odyssee. Blz. 47-57.
(Aan het verhaal van de cycloop aan wiens geweld Odysseus en
zijn makkers door list weten te ontsnappen, hebben vele kunstenaars
zich geïnspireerd. Cor Geljon toont hoe interdisciplinariteit
mogelijkheden biedt om een 'oude' tekst als de Odyssee nieuw leven
in te blazen via samenwerking met diverse collega's van andere
vakken. Samen met classica Caroline Fisser ontwikkelde hij enkele
lessen waarin onder andere de vertelstijl van Homerus zelf wordt
vergeleken met die van 'navertellers' als Evert Hartman, en waarin
thema's als liefde, trouw en heldendom worden behandeld. Maar het
project heeft nog veel meer uitgewerkt, zoals een verkenning van de
relatie boek en film, boek en beeldende kunsten, boek en muziek...)
- André Mottart & Ive Verdoodt.
De Engelse landschapsdroom. Over vakoverschrijdend
literatuuronderwijs en milieu-educatie. Blz. 59-64.
(André Mottart en Ive Verdoodt verkennen de grenzen
tussen literatuur, kunst en milieugeletterdheid. Hierbij staan
reflectie op de verschijning van het Engelse landschap in diverse
cultuuruitingen en het kijken naar landschapsschilderijen centraal.
Dit leidt tot een visie op het tijdloze, arcadische en
geïdealiseerde Engelse landschap als een belangrijk deel van
de nationale identiteit; de 'Engelse droom' als een variant op de
veel bekendere 'American dream'. Tegelijkertijd komen we tot een
bewustwording van het feit dat onze visie op de natuur een
historische constructie is. Een en ander geeft aanzet tot een reeks
bruikbare lesideeën waarin schilderijen, films, foto's en
literatuur aan bod komen.)
- André Mottart.
De onttovering van het verleden. Consciences Leeuw van
Vlaanderen, maar zonder klauwen... Blz. 66-79.
(André Mottart gaat nader in op de vraag hoe via de
literatuur een culturele identiteit wordt geconstrueerd en hoe via
historische romans een collectief geheugen wordt gecreëerd.
Aan de hand van De Leeuw van Vlaanderen van Hendrik
Conscience bespreekt hij de rol van het onderwijs van de
'nationale' literatuur bij de constructie van een Vlaamse
identiteit. In de voorgestelde lessenreeks komt ook de actuele
discussie over nationalisme aan bod, zoals die vandaag in de
openbaarheid gevoerd wordt. Om de receptie van Consciences werk te
illustreren, worden fragmenten uit schoolboeken van 1909 tot
vandaag kritisch doorgelicht en als onderdeel van het
literatuuronderwijs geïntroduceerd.)
- André Mottart & Sandra Fauconnier.
Lezen in een tijd van kijken. Blz. 15, 25, 38, 46, 58.
(De studiedag is afgesloten met het overschrijden van de
ultieme grens: die van de realiteit. André Mottart en Sandra
Fauconnier, samenstellers van de portfolio in dit themanummer,
bieden u tussendoor een presentatie van '(literaire) kunst' in
cyberspace. Een blik op de toekomst?)
- Ingeblikt. Blz. 82-85.
Korte inhoud van: Handleiding Leesdossier, ABC van het
Leesdossier, Ons Erfdeel 40/4-5, Moer 1998/1, Spiegel 15/2,
Noordzee taal en letteren, Caleidoscoop Leesonderzoek 1998, Vlaams
Theater Instituut, Woordenschat en taalonderwijs aan allochtone
leerlingen, Nachbarsprache niederländisch 97/2, Nova et vetera
LXXV/4.
Jaargang 27, nummer 3, januari-februari 1998
- Jenny Van Hoey.
Een vijf schieten. Blz. 3-10.
(Theater stelt leraren in staat polyvalent en geïnte-
greerd te werken, omdat het zich beweegt op het cognitieve,
attitudinele en psychomotorische domein. Daarnaast kan men via
theater de vijf vaardigheden oefenen. Kansen te over dus om op een
aangename en actuele manier een vijf te schieten, recht in de roos
van het vaardigheidsonderwijs, aldus Jenny Van Hoey. Over het
medium theater zegt dit artikel weinig of niets nieuws; het biedt
wel een aanvulling van didactische aard. De aangehaalde
voorbeelden uit eindtermen en leerplannen illustreren dat het
curriculum Nederlands van het secundair onderwijs tal van moge-
lijkheden biedt om de theatertekst en -voorstelling zonder
problemen binnen te halen.)
- Edward Vanhoutte.
Toneel is een illusie. Blz. 11-15.
(Volgens Edward Vanhoutte wordt toneel of theater al te vaak
geïdentificeerd met het uitdrukken van emoties. Zo krijgen
leerlingen bij dramatische expressie de opdracht om een bepaalde
situatie blij, opgewonden, droevig,... te brengen, wat nogal eens
resulteert in over-acting of onrealistische voorstellingen. De
auteur stelt voor om de regie-aanwijzingen zodanig te formuleren
dat de leerlingen inzien dat toneel voor een stuk illusie is. Het
verschil tussen toeschouwer-zijn en acteur-zijn vormt een
interessant uitgangspunt voor een expressieles over de regie, het
acteren en de receptie door het publiek.)
- Tom Sleeuwaert.
De moderne massamedia in de klas. Blz. 18-31.
(Tom Sleeuwaert breekt een lans voor het inschakelen van de
moderne massamedia in de lessen Nederlands opdat de leerlingen er
kritisch tegenover leren staan. Wie aan mediakunde gaat doen, moet
eerst stilstaan bij de rol die de media zullen spelen in de lessen
om de doelstellingen voor het vak Nederlands te bereiken. De
auteur heeft in dit artikel oefeningen geselecteerd volgens twee
ruime criteria: mediaonderwijs (1) als doel en (2) als middel. Aan
de hand van een inspirerende lessenreeks rond reclame op radio en
televisie toont hij aan dat de verschillende onderdelen van het
leerplan voor het secundair onderwijs perfect behandeld kunnen
worden via mediaonderwijs.)
- Ann De Schryver, Jes Leysen & Jo van den Hauwe.
Waar moet ik gaan zitten? Wat moet ik doen? Het geven van
duidelijke instructies bij taken. Blz. 33-41.
(Als begeleiders van aspirant-leraren Nederlands aan
anderstaligen hebben de auteurs van dit artikel vastgesteld dat
het uitleggen van complexe werkvormen een vaardigheid is waaraan
expliciet aandacht moet worden besteed. Al te vaak hebben ze een
prachtig bedachte taak met motiverend materiaal in de klas zien
mislopen, omdat de cursisten niet begrepen wat er van hen verwacht
werd en/of wat ze eerst moesten doen. Dit probleem doet zich
trouwens net zo goed voor op alle niveaus van het reguliere
onderwijs. Ann De Schryver, Jes Leysen & Jo van den Hauwe
presenteren een aantal praktische tips om ervoor te zorgen dat
complexe activiteiten optimaal verlopen.)
- Jan T'Sas.
Nascholing. Talen geen prioriteit. Blz. 42-43. (Rubriek 'VON
Geschud'.)
(Een standpunt.)
- Boekbesprekingen (Rubriek 'Ingeboekt'. Blz. 45-46.):
- <Door: Jenny Van Hoey:> P. Ghesquière & A.J.J.M.
Ruijssenaars
(red.). Leerproblemen in het middelbaar onderwijs. Acco, Leuven,
1997.
- Ingeblikt. Blz. 48-51.
Korte inhoud van: Leesidee Jeudliteratuur 1997/4-6, Moer
1997/6, Klapper 5/3, Wat heb je vandaag op school gedaan? (SLO),
Suggesties voor intercultureel onderwijs (SLO), Informatie
Vernieuwing Onderwijs april 1997, Levende Talen 524-525.
Jaargang 27, nummer 2, november-december 1997
- Dominiek Sandra.
Heeft een goede lezer ook maar een half woord nodig? Van
leesonderzoek naar leesonderwijs. Blz. 3-17.
(In fundamenteel wetenschappelijk onderzoek tracht men inzicht te
verwerven in de mentale processen die lezen mogelijk maken en die
ervoor zorgen dat geschreven taalvormen aan betekenis gekoppeld
worden. Vanuit onderwijskundig standpunt trachten onderzoekers te
achterhalen aan welke aspecten van het leesproces men in het
onderwijs aandacht moet besteden, op welke tijdstippen en op welke
manier. In dit artikel stelt Dominiek Sandra de huidige
wetenschappelijke inzichten in de aard van het leesproces bij de
ervaren lezer voor, en maakt hij de vertaalslag naar het
leesonderwijs, zowel bij het leren omgaan met de geschreven
taalvorm als met de tekstbetekenis.)
- Koen Van Gorp.
Het wonder van de taal. Taalbeschouwing in de lagere school. Blz.
18-34.
(Taalbeschouwing is in Vlaanderen een belangrijk aandachtspunt bij
ontwikkelaars, nascholers en begeleiders. In de klaspraktijk
daarentegen houdt het traditionele grammatica-onderwijs hardnekkig
stand. Koen Van Gorp zoekt naar mogelijke verklaringen hiervoor en
licht vervolgens het nut van taalbeschouwingsonderwijs kort toe. De
hoofdmoot van zijn artikel is gewijd aan de vraag hoe je in de
lagere school aan taalbeschouwing kunt werken. De traditionele,
deductieve aanpak viert nog altijd hoogtij, zelfs in recente
taalmethoden. Als alternatief stelt hij een inductieve werkwijze
voor, waarbij 'zelfontdekkend' en 'probleemoplossend' de
sleutelwoorden zijn.)
- Tom Sleeuwaert.
Muziek in de lessen Nederlands? Blz. 36-45.
(In de lagere jaren van het secundair onderwijs moet muziek een
plaats krijgen in de lessen Nederlands, vindt Tom Sleeuwaert. Om
aan te tonen hoe dat kan, stelt hij twee inspirerende
lesideeën voor waarin muziek geïntegreerd is: een
kennismaking met poëzie en een creatieve schrijfopdracht.)
- Katrien De Vlaemynck.
Informatie opzoeken in folders. Blz. 46-50. (Rubriek
'Spiekerskorner'.)
(Een lesmodel.)
- Nora Bogaert e.a.
Geen dode letter... Een inhoudelijke invulling van de non-
discriminatie-overeenkomst. Blz. 51-53. (Rubriek 'VON Geschud'.)
(Een standpunt.)
- Boekbesprekingen (Rubriek 'Ingeboekt'. Blz. 54-63.):
- <Door: Ann De Schryver:> M. Hajer, T. Meestringa & E.
Wagemans
(red.). Taal in de klas. Stichting IVIO, Lelystad / SLO, Enschede,
1993-1995.
- <Door: Veerle Geudens:> M. Hajer, D. Hartveldt & T. Meestringa.
Wat
vraag je me nu? Vragen en antwoorden bij vakteksten. Stichting
IVIO, Lelystad / SLO, Enschede, 1995.
- <Door: Machteld Verhelst:> W. Smedts & W. Van Belle. Taalboek
Nederlands. Uitgeverij Pelckmans, Kapellen, 1996.
- <Door: Barbara Linsen:> A. De Bode & R. Broere: Altijd moeten ze
mij hebben / Morgen ben ik weer beter / Mag het licht nog even aan?
/ Opa duurt ontelbaar lang / Maar jij blijft mijn papa /
Handleiding Hartenboeken 1-5. Van In, Lier 1996.
Jaargang 27, nummer 1, september-oktober 1997
THEMANUMMER: Vaardigheidsonderwijs.
- Stan Gobien.
Basisvaardigheden, deelvaardigheden en totaalvaardigheden. Of de
metacognitieve benadering van het onderwijs Nederlandse taal. Blz.
3-12.
(Stan Gobien, voorzitter van de leerplanwerkgroep Nederlandse taal
van het Onderwijssecretariaat van de Vlaamse Steden en Gemeenten,
leidt dit themanummer rond vaardigheidsonderwijs in. Vertrekkend
vanuit de doelstellingenproblematiek legt hij uit waarom het
leerplan voor de basisschool opgebouwd is uit basis-, deel- en
totaalvaardigheden. Even belangrijk is het accent dat wordt gelegd
op de taken die de leerling op een zelfstandige manier moet
uitvoeren, en op zijn leerproces. Op die manier wordt de koppeling
gemaakt met de metacognitieve benadering van leren en onderwijzen.)
- Marc Stevens.
Werkplan voor schrijfvaardigheid. Een aanzet. Blz. 14-30.
(Op het einde van de lagere school moeten de leerlingen zich
adequaat, persoonlijk en in vrij behoorlijk Nederlands kunnen
uitdrukken. Over hoe dat doel bereikt kan worden, lopen de meningen
van didactici sterk uiteen. Marc Stevens opteert voor een
interactieve aanpak waarin zowel aandacht wordt besteed aan de
communicatieve taak (de totaaloefening) als aan het oefenen van een
aantal deelvaardigheden (de aspectoefening). Om te tonen hoe de
nieuwe leerplannen en eindtermen voor het lager onderwijs
gerealiseerd kunnen worden, presenteert hij een mogelijke invulling
voor zes jaar schrijfonderwijs.)
- Jan Coninx.
Interactief luisteren in de lagere school. Blz. 31-49.
(De term 'interactief luisteren' geeft aan dat de leerlingen actief
betrokken zijn. Jan Coninx illustreert hoe luisterlessen kunnen
uitgroeien tot taalactiviteiten in ruime zin, waarbij het accent
wel op het luisteren blijft liggen. Hij auteur zet een aantal
(basis-, deel- en totaal)vaardigheden die bij het luisteren
geoefend kunnen worden, op een rijtje, en besteedt uitvoerig
aandacht aan de evaluatie van de luistertaken. Hij illustreert zijn
visie met praktijkideeën voor het eerste, vierde en zesde
leerjaar, waarbij het vertrekpunt steeds een taalgeheel is.)
- Wilfried De Hert.
Geïntegreerd werken. Een eerste stap! Blz. 51-61.
(Geïntegreerd werken is een eerste stap om de leerlingen
zelfstandiger taken te laten oplossen en tegelijkertijd de
integratie van vaardigheden te stimuleren. Bedoeling is dat de
leerlingen meer inzicht verwerven in hun eigen leerproces, en
vaardiger en weerbaar worden in alledaagse situaties. In zijn
theoretische inleiding geeft Wilfried De Hert een aantal factoren
aan waarmee men bij geïntegreerd werken rekening moet houden.
In het tweede deel van het artikel illustreert hij deze ge-
ntegreerde aanpak aan de hand van twee concrete lessenreeksen voor
de hoogste jaren van het secundair onderwijs.)
- Luc Wyns.
Maar hoe doe je dat nou ??? Een voorbeeld (of twee) van
geïntegreerde lessen Nederlands voor de eerste en tweede graad
secundair onderwijs. Blz. 63-74.
(Aansluitend bij de theoretische visie uit het vorige artikel
presenteert Luc Wyns twee lessenreeksen voor de lagere jaren van
het secundair onderwijs rond het geven van een goede (mondelinge)
beoordeling en het mondeling doorgeven van informatie over een
bepaald onderwerp. Hij geeft telkens een overzicht van de
verschillende fasen in de lessenreeks, waarin gewerkt wordt aan
taalinzichten en deelvaardigheden die het voor de leerlingen
uiteindelijk mogelijk moeten maken om de opgegeven opdracht (de
totaalvaardigheid) efficiënt uit te voeren.)
- Wilfried De Hert.
De Doorlichting Doorgelicht. Blz. 76-78. (Rubriek 'VON Geschud'.)
(Een standpunt over het jaarverslag van de inspectie.)
- Boekbespreking (Rubriek 'Ingeboekt'. Blz. 80-81.):
- <Door: Luc Vercammen:> A. Braet. Schrijfvaardigheid
Nederlands. Een
praktische didactiek voor de bovenbouw havo en vwo. Coutinho,
Bussum, 1995.
Jaargang 26, nummer 5, mei-juni 1997
- Marianne Verhallen.
Woorden leren in het onderwijs: hoofdpunten en handreikingen. Blz.
3-21.
(Onderzoek heeft uitgewezen dat er een sterk verband bestaat tussen
woordkennis en leerprestaties. Marianne Verhallen vraagt in dit
artikel meer aandacht voor systematisch woordenschatonderwijs. Ze
bespreekt de belangrijkste aspecten van woordenschatuitbreiding in
het basisonderwijs. Achtereenvolgens behandelt ze het waarom, het
wat en het hoe; bij het beantwoorden van de laatste vraag
formuleert ze een aantal didactische handreikingen.)
- Mie Sterckx.
Met vereende (leer)krachten: decentrale opvang van anderstalige
nieuwkomers in het secundair onderwijs. Blz. 22-37.
(Dit artikel gaat over de opvang van anderstalige nieuwkomers die
onmiddellijk na hun aankomst in een reguliere klas worden
geplaatst. Om de kansen op taalverwerving voor de nieuwkomer te
optimaliseren, is een krachtige taalverwervingsomgeving
noodzakelijk. Hoe die tijdens de gewone (zaakvak)lessen gecreeerd
kan worden, illustreert Mie Sterckx met concrete voorbeelden van
aanpassingen op het vlak van organisatie, didactische middelen en
leeropdrachten.)
- Marc Stevens, Wilfried Luyten & Werner Schrauwen.
Over de drempel van poézieboeken. Blz. 39-49.
(In deze bijdrage worden kinderen sleutels aangereikt waarmee ze
het geheim van poézie kunnen doorgronden. Elementen van het
communicatiemodel bewijzen hier eens te meer goede diensten:
zender, ontvanger, taal en wereld. De auteurs stellen een
drempelverlagende lessenreeks voor die begint bij Van Ostaijen en
die uitmondt in het werken met recente dichtbundels.)
- Guido Creemers.
Communicatief onderwijs Nederlands: een eeuwigdurende betrachting.
Blz. 51-55.
(Standpuntenrubriek 'Grof geschud'.)
- Kris Van den Branden.
De ultieme waarheid over leerkrachtvaardigheden... Blz. 56-59.
(Standpuntenrubriek 'VON geschud'.)
- Boekbesprekingen (rubriek 'Ingeboekt'):
- <Door: Jes Leysen, op blz. 60-68:> A. Fonck. Grammatica goed
geregeld: grammatica vanuit een communicatief perspectief,
Nederlands voor anderstaligen. Amsterdam, Amsterdam University
Press, 1996.
- <Door: Luc Wyns, op blz. 69-70:> C. Andries (red.).
Leesbevordering. Leuven/Apeldoorn, Garant, 1995.
- Jaarregister 26e jaargang (1996/1997). Blz. 75-80.
Jaargang 26, nummer 4, maart-april 1997
Themanummer
Dramatische werkvormen
- Karel Moons.
Drama in het onderwijs. Blz. 3-14.
(Karel Moons opent dit themanummer over dramatische werkvormen met
een visie op drama die gebaseerd is op de pedagogische methode van
Jacques Lecoq. Deze inzichten worden gekoppeld aan het proces van
de creativiteit. Verder bevat het artikel een bespreking van de
vereisten waaraan een les drama moet voldoen.)
- Annick Rombaut.
Wat spelen we vandaag? Sneeuwwitje of Bert en Ernie? Een
startersplan om in de kleuterklas zelf met theater bezig te zijn.
Blz. 15-20.
- Koen Van Gorp & Martine Van Gorp.
Een min, wat is dat voor een beest? Lesmappen bij
schoolvoorstellingen voor de lagere school. Blz. 22-34.
- Maarten Van Rompaey.
Theater, een feest. Blz. 35-38.
(Een toneelklas met eerstejaars van het secundair onderwijs.)
- Arnold Lernout.
Het vak Expressie in het eerste leerjaar B. Een mogelijke
benadering. Blz. 39-41.
- Luc Vercammen.
De videocamera als motor voor dramatische expressie. Blz. 42-44.
(Een video-opstel 'schrijven' met vierdejaars van het algemeen
vormend (ASO) en technisch secundair onderwijs (TSO).)
- Martien Geerts.
Van boek naar doek. Een filmproject met twee klassen uit het zesde
jaar ASO. Blz. 45-50.
- Karel Vermorgen.
Op toneelbezoek met leerlingen van het secundair onderwijs. Een
voorbeeld van aanpak - met kritische bedenkingen. Blz. 51-54.
(Standpuntenrubriek 'Grof geschud': het standpunt van een leraar.)
- Leen Thielemans.
Theater voor scholen. Of hoe het veld naar de zaaier kijkt. Blz.
55-58.
(Standpuntenrubriek 'Grof geschud': het standpunt van een
programmator van een cultureel centrum.)
- Dirk Meul.
Een schoolpublieksdienst in het Koninklijk Jeugdtheater. Blz.
59-61.
(Standpuntenrubriek 'Grof geschud': het standpunt van een
pedagogisch medewerker van een jeugdtheater.)
- Machteld Verhelst.
Drama-organisaties op de planken. Blz. 62-67.
(In fichevorm worden een aantal organisaties voorgesteld waar de
geinteresseerde lezer terecht kan voor informatie of concrete
(nascholings)initiatieven rond drama.)
Jaargang 26, nummer 3, januari-februari 1997
- Gert Rijlaarsdam.
Contouren van een schrijfvaardigheidsdidactiek. Blz. 3-18.
(Inhoudelijk gezien onderscheidt de auteur drie constructielijnen
voor een schrijfvaardigheidscurriculum: taalhandelingen,
vaardigheden, en de communicatietheorie. Als leidende principes
voor de didactiek komen achtereenvolgens transfer en systematische
opbouw aan bod. Bij wijze van synthese presenteert hij een lijstje
met beoordelingsvragen voor schrijfvaardigheidsonderwijs in
schoolboeken of eigen cursussen.)
- Andre Mottart.
De westerse cultuur voorbij. Over literatuur en interculturele
opvoeding. Blz. 21-33.
(De auteur presenteert drie lessenreeksen (rond Gabriel Garcia
Marquez, Hanif Kureishi en Robinson Crusoe) waarin getracht wordt
leerlingen uit de derde graad secundair onderwijs (multi)cultureel
bewuster te maken aan de hand van literatuur in de ruimste zin van
het woord. De gekozen werkvormen benadrukken telkens de
explicitering van het eigen cultureel bepaald gedrag of dat van de
'anderen'.)
- Jan T'Sas.
Taalbeschouwing. Aha! Een zin-loze aanpak! Blz. 34-45.
(Volgens de auteur komt het er bij taalbeschouwingsonderwijs op aan
dat de leerlingen zelf nadenken over taalverschijnselen en op
basis van een groot aantal voorbeelden op zoek gaan naar de
systematiek van taal. Hoe dat op een boeiende manier kan,
illustreert hij met twee lessenreeksen uit Neejandertaal, een
nieuw handboek inductieve taalbeschouwing voor de eerste en tweede
graad secundair onderwijs.)
- Marc Stevens, Wilfried Luyten & Werner Schrauwen.
Boeken binnen zonder bellen. Kinderen leren om boekendrempels te
overwinnen. Blz. 46-57.
(Sommige kinderen moeten hoge drempels overwinnen vooraleer ze een
boek vastpakken. Hoe de leerkracht van het vijfde of zesde
leerjaar basisonderwijs hen daarbij kan helpen, vertellen de
auteurs in deze bijdrage. In het eerste deel tekenen ze een
mini-project uit waarin alle aspecten van taalvaardigheid aan bod
komen. Het tweede deel bevat een aantal tips om de drempel van de
boekhandel te verlagen.)
- Ann De Schryver.
Nederlands aan anderstaligen en Nederlands moedertaal. Een
verantwoord onderscheid? Blz. 59-66.
(Een standpunt in de rubriek 'Grof geschud'.)
Jaargang 26, nummer 2, november-december 1996
- Kris Van den Branden.
Betekenisonderhandeling in de klas: techniek of tactiek? Blz. 3-18.
(Uit steeds meer onderzoek blijkt dat betekenisonderhandeling een
positief effect heeft op eerste- en tweedetaalverwerving. Logisch
dus dat didactici ervoor pleiten om ook in het taalonderwijs
frequent over de betekenis van moeilijke woorden te onderhandelen.
Kris Van den Branden licht deze werkwijze toe aan de hand van een
aantal onderzoeksexperimenten die hij in het kader van zijn
proefschrift uitvoerde.)
- Erna Van Avondt.
Taal op de lagere school in een gedifferentieerd kleedje. Blz.
19-25.
(De auteur beschrijft tal van differentiatiemogelijkheden voor de
verschillende onderdelen van het vak 'taal' op de lagere school.
Heel concreet neemt ze de lezer mee naar vijf hoeken van het
taalatelier waar zelfstandig en actief gesproken, geschreven,
geluisterd, gelezen en met taal gespeeld wordt.)
- Frank Verbeeck.
Geintegreerde literatuurbeschouwing: Van Ostaijen in de klas.
Blz. 26-45.
(Frank Verbeeck wijdt drie lessenreeksen aan deze illustere dichter
en essayist, die elk vanuit een iets andere invalshoek zijn
opgesteld. Daarin verzoent hij de puur filologische methode met een
communicatieve aanpak. In het zeer verscheiden aanbod van
lesactiviteiten en tekstmaterialen komen de vier vaardigheden op
een geintegreerde manier aan bod, zonder de literaire kennis
daarbij uit het oog te verliezen.)
- Veerle Geudens.
Een toeristische uitstap in Antwerpen. Blz. 46-52.
(Rubriek Spiekerskorner: een lesmodel taalvaardigheid voor
hooggeschoolde anderstalige volwassenen, (half)gevorderden.)
- Jan T'Sas.
Evalueren: Maak er een punt van. Blz. 54-55.
(Rubriek VON-geschud: een standpunt over evaluatie.)
- Boekbespreking (Rubriek Ingeboekt):
- M. Hajer & T. Meestringa.
Schooltaal als struikelblok: didactische wenken voor alle docenten.
Coutinho, Bussum, 1995.
Meer recente nummers van dit tijdschrift
[Tijdschriftenoverzicht]