Marloes van Beersum.
Een gefrustreerd verlangen om te vertellen. Frans Kellendonks "De
nietsnut. Een vertelling" als detective. Blz. 4-15.
(Mensen zijn voortdurend op zoek naar verhalen. Ook Frits Goudvis,
de hoofdpersoon in De nietsnut, is op zoek naar een verhaal. Een
verhaal waarin de gebeurtenissen met betrekking tot de dood van zijn
vader, zin moeten krijgen. Marloes van Beersum betoogt in haar artikel
dat het genre van de detective een interessant licht op deze zoektocht
kan werpen.)
Els Andringa.
Literatuur en film. Geschiedenis van een lat-relatie. Blz. 16-23.
(Dat literatuur en film niet altijd op goede voet met elkaar staan,
is bekend. Zo zijn er talloze auteurs die bij nader inzien erg
teleurgesteld zijn over de verfilming van hun roman. Ook is het vaak
zo dat de regisseur meent allerlei zaken te moeten veranderen, wil de
tekst te verfilmen zijn. Dat deze spanning tussen film en literatuur
al zo oud is als de film bestaat, laat Els Andringa in haar artikel
zien.)
Hilde Noë.
Sacra Memoria. Beeldspraak en memorie in Jan Russbroecs "Dat rijcke
der ghelieven". Blz. 24-31.
("Wij zelen met onsen inwindighen oghen aensien den spiegel der
wijsheit Gods",zo schreef Jan van Ruusbroec in Brabantsch Dietsch over
de weg die naar de ontmoeting met God zou leiden. Hoewel Ruusbroecs
brieven en traktaten vaak om hun (godsdienstige) inhoud worden
bewonderd, verdient zijn gebruik van mnemotechnische middelen om zijn
betogen te structureren misschien wel meer bewondering. Hilde Noë
laat zien hoe deze structurerende vaardigheden werken en waarom
Ruusbroec de inwindighen oghen van zijn publiek werkelijk een spiegel
voor kon houden.)
Patrick Rooijackers.
De zonnige blik van de Zaligmaker. Marie Koenen, boeken en
rooms-katholiekepropaganda. Blz. 32-40.
(Hoewel de roman van Marie Koenen in deze tijd nog slechts bij
weinigen bekend zijn, werd haar werk aan het begin van de negentiende
eeuw goed ontvangen. De synthese tussen lectuur en literatuur,
katholiek en modern viel goed in de smaak bij een groep jonge
literatoren die zich wilden distantiëren van het moderne
atheïsme, maar in de literaire stijlmiddelen wel hiel zag. Patrick
Rooijakkers bespreekt in zijn bijdrage de katholieke propagandistische
roman De wilde jager en verklaart waaraan dit werk zijn huidige
relatief onbekende status te danken heeft.)
Frits van Oostrom.
Column: Heen en weer Blz. 42-43.
(herinneringen aan Utrecht)
Geerke Berghuis.
Driemaal Nabokov. De roman Pnin ontmaskerd Blz. 44-52.
(De Russische immigrant Vladimir Nabokov staat bij velen bekend om
zijn fenomenale gebruik van de Engelse taal, maar zelf dacht hij daar
beduidend anders over. "A stumbling and faltering speaker" noemde hij
zich en colleges moest hij, naar eigen zeggen, dan ook weken van
tevoren voorbereiden. Deze schijnbare tegenstrijdigheid ziet Geerke
Berghuis terug in de roman Pnin (1969). Zij laat zien dat de roman
opgevat kan worden als fictionele autobiografie en dat de persoonlijke
ontplooiing van de schrijver Nabokov wordt gethematiseerd.)
Sam de Graeve.
C.C.S. Crone en de waan van het lezen. Blz. 53-55.
( "We wilden wel erudiet zijn, maar lazen toch liever de nieuwste
Brusselmans", schrijft Sam de Graeve over zijn vroege ervaringen met
literatuur. Met een voorliefde voor boeken die slechts weinigen kenden,
vertelt hij over zijn liefde voor de toen relatief onbekende auteur
C.C.S. Crone. Bespiegelingen over een curiosum van hoge kwaliteit, dat
wellicht geen wereldliteratuur was, maar inmiddels wel opnieuw wordt
uitgegeven.)
Jef Rademakers.
Gerard Reve en de televisie. Herinneringen van een oprecht
gelovige. Blz. 56-62.
(Gerard Reve wordt nog steeds regelmatig gesignaleerd op de
Nederlandse televisie, zijn beeltenis lijkt er niet van weg te slaan.
Veelal komt dan ook iets van Reves innerlijk naar voren.
Documentairemaker Jef Rademakers ontmoette Reve vele malen, zowel
privé als voor zijn werk. Over enkele van deze ontmoetingen
schreef hij het volgende artikel.)
Jeroen Bons.
Recensie van: Ida Gerhardt: Zeven maal om de aarde te gaan. Een
keuze uit haar gedichten door Gerrit Komrij. (Athenaeum- Polak &
Van Gennep, Amsterdam 2001), 189 blz. EUR 13,60, ISBN 9025317391. Blz.
63-64.
Jaargang 19, nummer 4, januari 2002
Myriam Schulze.
Van 'science-fiction hack' tot 'true artist'. De paradoxale
receptie van Kurt Vonnegut. Blz. 196-207.
("By the best-selling author of Hocus Pocus" staat te lezen op
het omslag van de zoveelste druk van Kurt Vonneguts bekendste boek
Slaughterhouse-Five. Het had echter niet veel gescheeld of deze
auteur was in de vergetelheid geraakt. Zijn werk werd door de
'serieuze' literatuurkritiek niet als volwaardig beschouwd. Myriam
Schulze toont aan de hand van 'institutionele' factoren als
recensies de reputaties van uitgeverijen en oplagecijfers aan dat
de receptie van Vonneguts werk vanaf het begin werd gekenmerkt
door zowel erkenning als afkeuring in zowel populaire als elitaire
cultuur. Een verkenning van het grillige pad naar literaire
erkenning.)
Mariska Kleinhoonte van Os.
Geweld, seks en religie. Over Wolkers' De wet op het
kleinbedrijf en René Girard. Blz. 208-216.
('De wet op het kleinbedrijf' van Jan Wolkers bleef lang
onbegrepen, critici reageerden geschokt op het verhaal. Ze vonden
dat de dood van een van de hoofdpersonages te onverwacht kwam. Dat
zijn dood onafwendbaar is, en juist heel regelmatig wordt
aangekondigd door allerlei subtiele elementen in de tekst toont
Mariska Kleinhoonte van Os aan in haar bijdrage. Zij laat zien dat
de theorieën van de Franse filosoof, theoloog en antropoloog
René Girard kunnen leiden tot een beter begrip van het
korte verhaal uit de verhalenbundel De hond met de blauwe tong.)
Edwin Fagel.
Tenslotte zijn onze gevoelens wel het meest onfeilbare in ons.
Een reconstructie van de poëticale ontwikkeling van E. du
Perron. Blz. 218-227.
(Van Du Perron kennen de meesten alleen Land van herkomst. En
men weet dat hij een van de voormennen van Forum is geweest. Dat
hij nog meer interessante verhalen heeft geschreven, waaronder
werk dat te zien valt als een voorbereiding op zijn grote
meesterwerk, weten weinigen. In onderstaand artikel laat Edwin
Fagel zien dat in dit vroege werk een duidelijke ontwikkeling in
de poëtica van Du Perron te ontdekken is.)
Christie Hofmeester.
Column "Oeuvre" Blz. 228-229.
(Ervaringen van een schrijfster)
Rob Delvigne en Leo Ross.
Een nieuwe deskundige. Of de stand van het De Haan-onderzoek.
Blz. 230-239.
("Ik lees gedichten van Gutteling Perk. /Zij stierven. Als ik
sterf, wie zal mij dan nog lezen? / Wat baat alles? Het lied is
menselijk werk, / Thans of later: 't zal eens vergeten wezen." Dit
kwatrijn schreef Jacob Israël de Haan vlak voor zijn dood in
1924. Het is het lot van vele dichters: te worden vergeten, en,
erger nog, niet meer te worden gelezen. Rob Delvigne en Leo Ross,
al jarenlang pleitbezorgers van het onderzoek naar De Haan,
bespreken de kwaliteit van de recente studies naar de
dichter/schrijver en laten zien dat er nog genoeg hiaten zijn in
het De Haan-onderzoek.)
Jenö Farkas.
Vernielen is een positieve daad. Een interview met Peter
Verhelst. Blz. 241-245.
(Het lijkt alsof Peter Verhelst (1962) de poëzie heeft
afgezworen. Na zijn laatste dichtbundel Verhemelte uit 1996
schreef Verhelst bekroonde romans als Tongkat (1999) en De
kleurenvanger (1996) en toneelteksten als het recente Aars (2000),
maar hij publiceerde geen poëzie meer. De Hongaarse
neerlandicus Jenö Farkas sprak met Verhelst, over monsters,
Bananarama en knarsetanden, maar vooral over poëzie.)
Elisabeth Leijnse.
De heren in hun hofje. Blz. 246-247.
(Reactie op het artikel van Delvigne en Ross over het De
Haan-onderzoek, met een antwoord hierop van Delvigne en Ross.)
Recensies. Blz. 248-256.
<Door: Christiaan Janssen:> Gerard Groeneveld:
Zwaard van de geest. Het bruine boek in Nederland 1921-1945.
Vantilt (Nijmegen) 2001. 429 blz.; prijs: EUR 27,18.
<Door: Hans Anten:> Luc Herman en Bart Vervaeck:
Vertelduivels. Handboek verhaalanalyse. Brussel/Nijmegen (VUBRESS
en Vantilt) 2001. 184 blz.; prijs: EUR 18,10.
Door: Martijn Vermast:> André Jolles (1874-1946):
"Gebildeter Vagant" Brieven en documenten. Bijeengebracht,
ingeleid en toegelicht door Walter Thys. Amsterdam/Leipzig
(Amsterdam University Press/Leipziger Universitätsverlag
GmbH) 2000. 1173 blz.; prijs: EUR 56,72.
Jaargang 19, nummer 3, oktober 2001
Johan Kerstens.
Taalkunde en poëzie: dichter en boer. Over het vermeende
nut van taalkunde voor poëzieanalyse. Blz. 132-148.
(De gedachte dat de taalkunde een bijdrage kan leveren aan een
beter begrip van poëzie lijkt wijdverbreid. Op middelbare
scholen bijvoorbeeld worden leerlingen onderworpen aan
grammaticalessen omdat de daar opgedane kennis hen zou kunnen
helpen bij het analyseren van poëzie. Johan Kerstens,
taalkundige, toetst deze gedachte aan de praktijk. Aan de hand van
poëzie van Neeltje Maria Min en Gertrude Stein onderzoekt hij
of de combinatie taalkunde en poëzie een vloek dan wel een
zegen is.)
Gert den Toom.
Hongerkunstenaar in taal. Over het werk van Jan Arends
(1925-1974). Blz. 150-155.
(In 1971 publiceerde Jan Arends Keefman, een verhalenbundel
over krankzinnigheid en psychiatrische inrichtingen. In de
inleiding bij deze uitgave merkt 'de redactie' op dat door "de
toenemende vervaging van de grenzen tussen normaal en abnormaal
valt (...) te constateren dat de psychiatrische patiënt en de
maatschappij steeds meer pogingen aanwenden om weer wat dichter
bij elkaar te komen". Vermenging van leven en werk is altijd de
invalshoek geweest om naar het werk van Arends te kijken. Gert den
Toom laat zien dat de hernieuwde belangstelling voor deze
schrijver terecht is, maar plaatst kanttekeningen bij de constante
aandacht voor Arends' psychiatrische achtergrond. Een bewonderaar
over werk, leven en dood van een 'patiënt'.)
Gaston Franssen.
De laatste stelling? Over Redbad Fokkema's
poëziegeschiedenis en enkele kritieken. Blz. 156-164.
(Je kunt je afvragen of tegenwoordig dé
literatuurgeschiedenis nog wel kan worden geschreven. Redbad
Fokkema's poëziegeschiedenis, Aan de mond van al die
rivieren, is er een van deze tijd: zijn aanpak van de geschiedenis
van de Nederlandse poëzie resulteerde in acht verschillende
benaderingswijzen. De verschijning van Fokkema's
poëziegeschiedenis is niet onopgemerkt gebleven; ze lokte een
lange stroom aan uiteenlopende reacties uit. Gaston Franssen zet
de kritieken op een rij, en laat zien dat hierop het nodige valt
af te dingen.)
Thomas Vaessens.
Column 'Poëzie en academie'. Blz. 165-167.
(Column over de benadering van poëzie.)
Patrick Rooijackers.
Een land dat aan het dichten is geslagen en niet meer stoppen
kan. Een causerie over 640 Nederlandse dichtbundels. Blz. 169-173.
(Hoe is het met de poëzie gesteld in Nederlandstalig
letterland? De doemdenkers voorspellen dat de dood van de
poëzie steeds dichterbij komt. Dat niets minder waar is,
blijkt uit het onderzoek dat Patrick Rooijackers heeft gewijd aan
een lijst van 640 dichtbundels. Een zoektocht naar structurering.)
Karin Vogelaar.
Het nieuwe imago van de poëzie. De podiumdichtkunst sinds
de jaren zestig. Blz. 174-179.
("Ik ben Jon Bon Jovi niet", verklaarde Ingmar Heytze in Vooys
19/1 in een stuk waarmee hij reageerde op Ilja Pfeijffers 'De
mythe van de verstaanbaarheid', "welk soort poëzie het best
werkt op een podium interesseert me geen donder." Maar de feiten
liegen er niet om: de Nederlandse dichters zijn de afgelopen jaren
steeds meer op het podium te bewonderen. De poëzie is niet
meer zaligmakend, de dichter van tegenwoordig moet zich ook druk
maken om hoe hij eruit ziet op een podium. Karin Vogelaar schetst
de ontwikkeling van de podiumdichtkunst sinds Poëzie in
Carré.)
Anna Rademakers.
Mijn leven is een beetje zoals dat van Don Quichot. Interview
met Angèle Manteau. Blz. 181-186.
(Ze leerde Nederlands bij de familie Greshoff, ze was de
ontdekster van Louis Paul Boon en Hugo Claus debuteerde bij haar
uitgeverij. Er is veel te vertellen over deze uitgeefster die al
op haar 21-ste begon. Maar ook zelf spreekt ze een aardig woordje
mee in het literaire wereldje. Een gesprek over de woelige jaren
dertig, Vlamingen in Nederland en de literaire waarde van
scheldproza. Angèle Manteau in vogelvlucht.)
Recensies. Blz. 187-192:
<Door: Jos Joosten: Geert Buelens, Van Ostaijen tot
heden: Zijn invloed op de Vlaamse poëzie. Uitgeverij Vantilt
(Nijmegen) 2001. 1302 blz. (Van het boek verscheen onlangs een
tweede druk als goedkopere paperback) Prijs NLG. 125,00.
<Door: Gerard de Vriend:> Mary Kooy, Tanja Janssen, Ken
Watson (eds.) Fiction, Literature and Media. Amsterdam (AUP) 1999.
95 blz.; prijs NLG 52,50.
Jaargang 19, nummer 2, 2001
Martijn Vermast en Patrick Rooijackers.
Ik-genieting met Wij-glazuur. De tweede Bossche wand van
Antoon Derkinderen: meningen over gemeenschapskunst. Blz. 68-80.
("Gecultiveerde barbaren", zo noemde de componist Alphons
Diepenbrock (1862-1921) zijn tijdgenoten. Met de kunst die hij
voorstond, het ideaal van de generatie van Negentig,
gemeenschapskunst, hoopte hij de verloren glans van vroeger tijden
te laten herleven. Als in november 1896 de overdraging van de
tweede Bossche wand van schilder en geestverwant Antoon
Derkinderen (1859-1925) plaatsheeft, is dit de eerste gelegenheid
waarop Diepenbrocks idealen aan de praktijk getoetst kunnen
worden. Martijn Vermast en Patrick Rooijackers laten in hun
artikel zien hoe ideaal en ontgoocheling in een leven hand in hand
kunnen gaan.)
Saskia Pieterse.
Zonder rechten, als een hond. De morele strekking van
Disgrace. Blz. 82-86.
('Een gewapende filosofe', zo noemt David Lurie, hoofdpersoon
in Coetzees roman Disgrace, zijn dochter Lucy. Zij weet echter dat
een wapen haar niet kan beschermen tegen eventuele indringers, en
ook David zal dat ervaren. Heeft Coetzee een politiekcorrecte
roman geschreven over de nog steeds moeizame verhouding tussen
blank en zwart, of moet de lezer het zelf uitzoeken? De critici
zijn het er niet over eens. Saskia Pieterse laat zien hoe dat
komt.)
Wilbert Surewaard.
De bladzijden van het Hooglied en revolverpatronen.
L'invention de l'autre in Babels Rode Ruiterij. Blz. 87-95.
('Het andere', het ongedachte, het onvoorstelbare, speelt een
belangrijke rol in het werk van de Franse filosoof Jacques
Derrida. Hij zoekt en vindt zijn heil daarbij in experimentele
literatuur van onder anderen Georges Bataille, Maurice Blanchot en
Francis Ponge. Wilbert Surewaard toont in zijn artikel aan dat
wilde stilistische experimenten niet per se nodig zijn om 'het
andere' te evoceren, en dat ook een minder experimenteel auteur
zoals de Russische schrijver Isaak Babel erin slaagt 'het andere'
te benaderen.)
W.P. Gerritsen.
Column 'Lof van de voetnoot'. Blz. 96-97.
(De column van emeritus hoogleraar W.P. Gerritsen over de vaak
onderschatte en gelaakte voetnoot.)
Nico van der Sijde.
Artaud en Beckett: zoekers naar 'het andere'. Blz. 98-107.
(Kort geleden verscheen Het waarnemend lichaam van Wilma
Siccama: een interessant boek over twee interessante experimentele
literatoren, Antonin Artaud en Samuel Beckett. Zij weet op fraaie
wijze aannemelijk te maken dat beide auteurs gefascineerd werden
door lichamelijkheid en zintuiglijkheid. Daarbij beschouwt zij
deze auteurs vooral als 'deconstructionisten', als kritische
afbrekers van conventionele zekerheden. Nico van der Sijde ziet ze
vooral als experimentele zoekers en betoogt dat hun werk
één lange queeste naar het 'andere', het onbekende,
het absoluut nieuwe is. Dit stuk is geen recensie en geen
polemiek: Van der Sijde gebruikt het boek van Siccama puur als een
springplank voor persoonlijke impressies over Artaud, Beckett en
hun zoektocht naar 'het andere'.)
Krijn Peter Hesselink.
Op zoek naar een vaderland van leven en vriendschap. Geest
versus materie in Platonovs Tsjevengoer. Blz. 108-112.
('Godsdienst is opium voor het volk', zei Marx ooit. Nu stelt
de Russische schrijver Platonov in zijn roman Tsjevengoer het
communisme bijna gelijk aan godsdienst, met alle fatale gevolgen
van dien. Voor Platonov zelf pakte zijn schrijven niet minder
noodlottig uit. Krijn Peter Hesselink laat zien hoe een stadje en
zijn maker ten onder gaan.)
Eveline Bos.
Gulliver en zijn kamerpot. W.F. Hermans in interviews. Blz.
114-122.
( "Wie Hermans in zijn woonstad Groningen opzoekt, ontmoet
allerminst een rancuneuze, eenzelvige kankeraar, maar een
ontvankelijke, vriendelijke man." Lijkt het zo, of komt de
schrijver van deze woorden enigszins teleurgesteld over? Een
interview met de grote schrijver was niet zomaar iets, daarvoor
diende men zich te wapenen. Is de geïnterviewde Hermans
dezelfde als de schrijver? Eveline Bos zocht een antwoord in de
vele interviews die de auteur gaf.)
Recensies, blz. 123-128.
<Door: Joachim von der Thüsen:> Evert van der Starre,
Chamfort, de lachende mensenhater. Misantropie in de achttiende
eeuw. Zutphen (Walburg Pers) 2000. 157 blz. NLG 35,15.
<Door: Annelies de Jeu:> 't Zoet der eenzaamheid. Gedichten
van Juliana Cornelia de Lannoy. Bloemlezing met inleiding en
commentaar door Pim van Oostrum. Amsterdam (AUP) 2001. 127 blz.
NLG 29,50.
<Door: Bertram Mourits:> Frank Berndsen, Met alle respect.
Over literatuurkritiek. Groningen (Uitgeverij Passage) 2001. 156
blz. NLG 33,90.
Jaargang 19, nummer 1, april 2001
Christiaan Janssen.
Vrienden van Het Duitsche Boek. Receptie van de Duitse
letterkunde in Nederland 1930-1944 aan de hand van Het Duitsche
Boek en De Weegschaal. Blz. 4-13.
(Een Nederlands tijdschrift over Duitse literatuur, en dat in
de jaren dertig. Het lijkt een witz, maar het bestond echt. En toen
het ene failliet ging, kwam er een ander. De redacteuren van beide
tijdschriften probeerden zo objectief mogelijk de literatuur van
het buurland te benaderen, maar dat was niet altijd zonder
problemen. Christiaan Janssen laat in zijn artikel zien hoe
moeilijk het is om de balans te vinden tussen goed en fout.)
Olga Coolen.
Niet voor de kinderkamer bedoeld. Het glossy tijdschrift
Randstad en de jaren zestig. Blz. 14-23.
(De eerste oplage was vijfduizend exemplaren en een deel kostte
NLG 4,50. Het had het formaat van een paperback en was excentriek
vormgegeven. Uitgever was De Bezige Bij en de redactie werd gevoerd
door niemand minder dan Hugo Claus, Harry Mulisch, Simon Vinkenoog
en Ivo Michiels: het tijdschrift Randstad. Wat was dat voor een
blad dat de ondertitel 'driemaandelijks tijdschrift' droeg en dat
maar twaalf keer verscheen in negen jaar tijd? Welke plaats nam
Randstad in onder de roemruchte sociale woelingen van de jaren
zestig? Was het een conventioneel of juist onconventioneel
tijdschrift, het periodiek waarover Het Vrije Volk in 1962 zei:
"het modernste en modieuste tijdschrift van ons taalgebied,
aantrekkelijk uitgegeven, boeiend en lichtelijk sensationeel van
inhoud" en waarover een ander schreef: "Niet voor de kinderkamer
bedoeld, al is alles niet even volwassen"?)
Sander Bax.
Een postmodern revisor? De relatie tussen het Revisor-proza en
het postmodernisme. Blz. 24-33.
(Het proza van de auteurs van het tijdschrift De revisor kreeg
in 1977 van Jan Brokken het negatieve etiket 'academisme'
opgeplakt. Vrij vertaald: 'intellectuele moeilijkdoenerij'. Een
etiket dat nog altijd hardnekkig aan het tijdschrift kleeft. Sander
Bax laat in zijn artikel zien dat de verhaaltechnieken en
vormexperimenten geen proeven van loze cerebraliteit inhielden,
maar een adequate manier om vorm te geven aan de specifieke
problemen en twijfels van de postmoderne tijd.)
Gert den Toom.
Column. De schijndood van het tijdschrift. Blz. 34-37
(In zijn column analyseert Gert den Toom de toestand van het
Nederlandse literaire tijdschrift. Is het einde in zicht of is gaat
het tijdschrift een nieuwe roemrijke toekomst tegemoet?)
Harold Konickx.
Voorzienigheidje spelen. De Scylla en Charibdis van het
Couperus-bewerken. Blz. 38-42.
(Een alcoholist als vader, een hysterische moeder, een
zelfmoordenaar in de familie - er zit genoeg drama in de roman
Eline Vere van Louis Couperus. Het zal dan ook geen verbazing
wekken dat deze roman twee keer voor het toneel is bewerkt. Dat dat
bewerken niet zonder problemen is, laat Harold Konickx zien in zijn
artikel. Hierin laat hij twee Elines voor het voetlicht treden,
twee heel verschillende femmes fragiles.)
Fedor Hagenaar en Anna Rademakers.
Nooit aap geweest. Interview met Moses Isegawa. Blz. 43-47.
(Het thema van de afgelopen boekenweek: Het land van herkomst;
schrijven tussen twee culturen. Een onderwerp dat de auteur Moses
Isegawa, gezien zijn Oegandese achtergrond, op het lijf lijkt
geschreven. In 1998 verscheen zijn debuut Abessijnse kronieken. Een
jaar later kwam zijn tweede boek uit, Slangenkuil, en binnenkort
verschijnt Twee chimpansees, zijn derde boek. Een
'boekenweekboekje' zoals hij het zelf noemt, want hij schreef dit
in opdracht van zijn uitgever, over zijn persoonlijke ervaringen
met twee culturen. Isegawa over pratende apen, dode vrienden en
Jackie Collins; een verteller aan het woord.)
Egil Törnqvist.
De ongespeelde Strindberg. Blz. 48-53.
(August Strindberg werd als toneelschrijver door Eugene O'Neill
als een van de "great modern ones" bestempeld, "the precursor of
all modernity in our present theatre". Zijn toneelstukken worden
tegenwoordig echter niet of nauwelijks meer opgevoerd. Egil
Törnqvist onderzoekt in zijn bijdrage het hoe en waarom
hiervan en betoogt dat Strindbergs stukken nog altijd actueel en
levensvatbaar zijn.')
Gert den Toom.
Moord door onverschilligheid. Over de actuele waarde van een
brief van Hermann Broch. Blz. 54-58.
(Hermann Broch heeft zijn leven gewijd aan het schrijven van
brieven. Brieven waarin hij de tijd waarin hij leefde aan een
kritische analyse onderwierp. Maar niet alleen toen ze geschreven
werden hadden zijn brieven waarde, Gert den Toom laat zien dat
Broch ook iets heeft te zeggen over de tijd nu.)
Ingmar Heytze.
Living on a poem. Blz. 59-60.
(Dichten dichters om begrepen te worden, bestaan podiumdichters
en is moeilijke poezie altijd beter? Ingmar Heytze neemt de
handschoen op tegen Ilja Leonard Pfeijffer.)
Jan Don.
Recensie op blz. 61-64. van Steven Pinker, 'Words and rules'. Basic
Books (New York) 1999. 348 blz., NLG 37,95.